Gebrek nr 8: de kunst van het ontwijken van hovaardigheid

Het was een treurig zicht.

Ik zat in het centrum van de stad voor het raam van een aftands fast food restaurant te kauwen op een frietje dat heimwee had naar zijn natuurlijke staat – diepgevroren. Uit een grote coca cola beker zoog ik een slok kraantjeswater met belletjes naar binnen, om een en ander door te spoelen.

De mensen buiten – ik keek naar hen, zij niet naar mij – zagen er gelukkig uit, op deze eerste koopjesdag. Het miezerde wat, maar dat leek hen niet te deren. Er waren moeders en dochters, adolescenten met een verzorgd baardje, gezinnen met een ouderwetse papieren kaart van Brussel in de hand, en niemand had echt haast.

Kwaliteit. Zonder meer, maar ook zonder toegevingen. Dat was mijn nieuwjaarsresolutie voor dit jaar. Kwaliteit, zoals in leven in de diepte, ten volle, traag, genieten, intens, voelen, alle poriën open. Niets had het te maken met duur leven, met welgesteldheid – nee, dat woord klinkt vandaag nog meer dan in mijn arme studententijd als verwerpelijk bourgeois.

De kwaliteit in het fast food restaurant was onmiskenbaar top. Elke friet, elke hamburger, elke beker water was tot in het kleinste detail een voorspelbaar eindproduct van een gestroomlijnd proces, de ingrediënten volstrekt gestandariseerd, enkel de mensen op het einde van de ketting, met moeite bijeengehouden door hun teamleiders, maakten een verschil. Hun glimlach. De sluwheid waarmee ze in sneltempo jouw bestelling bij elkaar harkten.

Het was mijn opdracht van de dag. In elk doodgewoon detail de kwaliteit ervaren. De papieren zak met een nieuwe broek en een vers hemd stond naast me. Daar werd ik al niet bepaald vrolijk van, ook niet mistevreden, begrijpt u het niet verkeerd, de kleren staan me. Maar deze middag, kauwend op mijn friet, gezeten op een kruk waarvan de voetsteun ontbrak, was ik zonder enig verweer een niet te onderscheiden onderdeel van de massa.

Ik dacht aan de kaaswinkel waar ik straks nog naartoe zou gaan, daar hebben ze Moliterno al Tartufo op voorraad, van de Sardijnse kaasmaker Central. Een pecorino (schapenkaas dus), die na twee maanden rijping verse zwarte truffel geïnjecteerd krijgt, en dan nog een aantal maanden mag rusten. Echt een heerlijke kaas – u kan hem zelfs op Amazon bestellen, als u in Amerika zou wonen, wat u niet doet uiteraard, ik vermeld het enkel als teken dat ze er ook in Sardinië in slagen om consistente kwaliteit te produceren, met rieten mandjes en handwerk en al.

Proeven van die kaas zou me redden, ik was er zeker van, de smaak zou me verheffen boven de massa, die willoze kudde schapen die dagelijks misleid werd tot een leven vol voorspelbaarheid en gehoorzaamheid, gemanipuleerd door een stroom van valse informatie en de hogere machten van het kapitalisme – kortom, slachtoffers van het systeem.

Het moet een treurig zicht zijn geweest, een hovaardige man voor het raam van een aftands fast food restaurant, alweer mislukt in zijn poging om in de diepte gaan, om schoonheid te vinden in het alledaagse, terwijl die toch voorhanden was, in de smileys en hartjes die de conversatie sierden op de telefoon van de jongen naast hem, in de gedachten van het meisje dat hem bediend had en achter haar toog in stilte danspassen oefende. Zie je het? Niets om hovaardig over te zijn.

Behalve dan, toch telkens weer, Moliterno di Tartuffo.

Mama tovert

Het zijn twee boekjes. Mijn papa is een reus, en Mijn mama kan toveren. Aangespoelde boekjes, die passen in een kinderhand en een beetje stiekem onze bibliotheek zijn binnen geslopen. Maar ze zijn er, lichtjes rolbevestigend en al, en ze behoren sinds jaren – wat vreemd om dat te kunnen zeggen over een kleuter van een flinke drie jaar – tot Vosjes favorieten.

Allicht niet de verdienste van de volgende Dichter des Vaderlands, Carl Norac, die de teksten schreef. Ook niet van Ingrid Godon, verantwoordelijk voor de mooie tekeningen.

Het zijn er twee. Dat is wat telt.

Vosje houdt van evenwicht. Niet pietje precies onwrikbaar evenwicht, maar balanceren, spiegelen, imiteren, omkeren. Een boekje voor mama, een boekje voor papa. soms wil hij ze zelfs tegelijk horen. Dan zit hij te glunderen, zucht een beetje van contentement, met de wereld zoals die moet zijn rond hem.

Wanneer ik papa mag lezen, stop ik altijd even bij

Mijn papa is een reus, en als de wolken moe zijn, komen ze uitrusten op zijn schouders.

(Het zijn zomerse wolken, papa zit in een t-shirt op een tuinstoel, het hoofd een beetje gebogen, de wolken als een natte deken in zijn nek)

Carl Norac & Ingrid Godon, Mijn papa is een reus.

Zo mooi, zeg ik dan tegen Vosje, zie je die wolken? En ik denk aan mijn hoofd bovenop die schouders, ook in de wolken, een klein stukje gedraaid, ik kijk naar boven in plaats van naar beneden, zoals de reuzenpapa in het boek, ik kijk naar woorden en andere werelden, waar ik niets meer hoef te begrijpen van mijn dagelijkse leven.

Vosje draait de bladzijde om, daar nies ik in een herfststorm alle krabbetjes die zich schuil hielden in het strandzand weer de zee in. Ik ben terug.

Hij loopt al weer weg, zijn mama houdt een mandarijntje in de lucht. Ja, roept hij, en gaat op zijn stoel zitten.

Is jouw baby’tje wakker, mama? Ik hoor het hem vragen, terwijl ik nog even verder blader. Het mijne wel. Mama legt even een hand op haar buik, steekt haar neus in de lucht. Zo ver is ze al. Niemand anders kan het voelen, het is nog even van haar alleen. Het lijkt een beetje op tovenarij. Nee, zegt ze, terwijl ze Vosje een partje mandarijn voert, mijn baby’tje slaapt.

Straks zijn ze met twee.

 

Gebrek nr 7: de kunst van het kiezen van de juiste vijand

Ik had me vergist.

In de loop der jaren is het uitgegroeid tot een signatuurgerecht ten huize Bijgekleurd, een dat we zonder blikken of blozen aan de meest verfijnde van onze gasten durven voor te zetten. Kalfspiccata met ratte-aardappelen en rucola, versie Jeroen Meus, maar dan met pasta in plaats van die patatjes en sla.

Er komt veel vocht aan te pas. Gesmolten boter, het azijn van kappertjes (ik zeg altijd karpertjes, maar schrijven doe ik het juist, zelfs op boodschappenlijstjes), een uitgeperste citroen, en een flinke scheut witte wijn.

Eerlijk? Niets deugt aan dit gerecht. Het kalfsvlees is een bijproduct van de melkveehouderij – melkkoeien hebben nu eenmaal elk jaar een vers kalfje nodig. Na een paar dagen wordt dat van de moeder weggenomen, om met andere overtolligen opgesloten te worden in donkere stallen – ze zien het daglicht nooit. Eenzijdige voeding bezorgt ze bloedarmoede én de juiste vleeskleur voor onze piccata. Acht maanden duurt dat ellendige leven.

Maar on passe.

Voor kappertjes en citroenen is het in onze contreien nog niet warm genoeg, die worden dus van ver aangevoerd, witte wijn hebben we wel, maar nog te duur om in een pan vol zuur en vet te laten verdampen.

Ik had er zin in, er waren geen gasten, gewoon wij tweeën, en de fles had ik bij thuiskomst, zonder kijken en het hoofd nog vol besognes, snel meegegraaid uit de kelder. Een glas drinken uit de fles die in het eten gaat, doe ik niet meer, ik ben tegenwoordig gedisciplineerd. Ze stond daar, donker glas met een witte capsule, wist ik veel dat ze twijfelde aan haar gender.

Eigenlijk werd ik misleid.

Excuses.

Het was de schuld van de côte du Rhone wijnbouwers. De schuld van de wegenwerken die mijn reistijd verdubbelden om geluidsoverlast voor verkavelingsbewoners te halveren. De schuld van mijn opdrachtgever die meetings liet uitlopen, enkel om vast te stellen dat niets nog vooruitgaat. De schuld van mijn partner, en haar blind vertrouwen (hoe naïef kan je zijn?) in mijn onfeilbaarheid. De schuld van de politiek, die niets doet aan de klimaatopwarming, en toelaat dat ik Italiaanse gerechten klaarmaak op een Belgisch winterse dag, die toelaat dat Vlamingen in verkavelingen gaan wonen, makkelijk en praktisch, dicht bij de oprit van de snelweg. De schuld van het grote publiek, dat eigenlijk ook wel weet dat het zo niet goedkomt met onze maatschappij, maar liever denkt dat hoe meer migranten uit het zuiden, hoe warmer het hier wordt, dus daar moeten ze wat aan doen. Steek een kaarsje aan voor de warmste week (op die naam zit straks ook een houdbaarheidsdatum). Te lam en te tam om eindelijk eens iets echt te veranderen. Revolutie! Een groene! Een zwarte! Weg met de wetenschap! Weg met de vrouwen! Weg met de fascisten in een schaapsvel! Weg met de elite! Weg met alles! Weg met mij!

Ja.

Weg met mij. Dat zou nog eens een oplossing zijn. Ik check even snel mijn bankrekeningen, maar helaas, er is niets veranderd. Zo makkelijk stap ik er niet uit, uit dit systeem.

En zo kon het dus gebeuren. Het kalfsvlees warm in een lauwe oven, boter, sissende kappertjes, citroensap dat van mijn vingers druipt, en dan. Dus.

De fles had een witte capsule, echt, en was donker, ter mijner verontschuldiging. Misschien vergiste ik me, maar eigenlijk werd ik misleid, edelachtbare. Kalfspiccata in rode wijn, het was een interessant experiment.

 

Jens Meijen

De ruitenwissers hebben geen moeite om zich aan te passen aan het te hard uitvallend gemiezer, nauwelijks onaangenaam omdat het nu eenmaal november is, en dan mag dat. Ik zit binnen, in aangenaam vormeloze gedachten verzonken schuif ik aan, de auto warm en comfortabel. Het verkeer eist niets van me, de radio met zijn onheilsberichten over brandstichting en besparingen – nee, gelijktijdigheid en oorzakelijkheid zijn niet te verwarren, het een heeft echt niks met het anders te maken, ik zeg u, we leven in een cultuurstrijd, echt gast, strijd, ik meen het, ik neem verdomme de woorden over van die klote pipo’s van de andere kant – ik zet de radio uit, dat kan in deze auto, ik berijd me verder van de stad langs benzinestations en doe het zelf zaken, dat eindeloze gebied dat geen naam heeft, geen charme, de kelder onder de landschappen, maar ik zweef hoog in mijn auto, voorzichtig pincet ik de gedachte vast dat het leven me toelacht. Vosje nog deze ochtend, eerst een draak een spook een hond een poes een varken een brandweerman een boomdokter een kinderdokter en dan een bijter in boterhammen maar dat verzint hij niet zelf – ik kan nu nog niet weten dat hij ’s avonds, na een slaap van een uur of twee, hoestend wakker zal worden, wat we horen om dan te ontdekken dat met de hoest ook de inhoud van zijn maag uitgespreid is over zijn kussen zijn knuffels zijn lakens tegen de wanden van zijn bed hij rilt en trilt en is verloren –

Maar dat weet ik nu nog niet, en het is ook helemaal zo erg niet, het hoort bij de leeftijd, ik vertraag op een plek waar de weg op alle andere dagen ademhaalt en zucht, blij dat hij zich mag ontrollen in een veelvoud van richtingen, de weidsheid in, de stilte heb ik ingeruild voor mijn eeuwige shuffle die me droefheid en schoonheid brengt, en nadenken doe ik nog steeds niet, ik begin er al een beetje op te hopen dat ik ook op het werk rakelings langs de werkelijkheid mag scheren, connectie is niet nodig, maar ik vertraag waar ik anders versnel en even verder zie ik waarom, een gebroken fiets een gekneusde moto en politie en een ambulance en een medisch urgentie team en

Ik denk toch. Het leven hoort te bestaan uit geleidelijkheid, denk ik, een zacht schuiven van werkelijkheden, met oorzakelijkheid die te overzien is en gelijktijdigheid die je zelf hebt gewild, ook al trekt en duwt het soms, maar hé, dat is dus het leven.

Is een leven geen
sliert broeken
die je één voor één
laat uitrafelen

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf

las ik twee dagen geleden, een bevestiging dat alles altijd maar hetzelfde is, broek na broek, ook al lijkt het anders – terwijl het dus ook echt zo gebeurt, de knop om, in de ondraaglijke kou van een oorverdovende miezer, en dan stilte, al draait de motor nog, en mensen die redden wat er nog te redden valt, tegen beter weten in.

De geschiedenis van de mens
is het mondjesmaat doorgeven
van verdriet

als emmers water
die klotsen bij elke stap, en

hoe ouder je wordt
hoe meer mensen je verliest
hoe meer je het hoort
een golvend schip ben je, jij
mens op troebel water

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf

Gebrek nr 6: de kunst om niet op tijd naar bed te gaan

Het gebeurt niet elke avond.

Of misschien wel, maar de meeste avonden ontsnapt het precieze moment je, want het is er telkens maar één, welbepaald, dat weet je dan weer wel, daar ben je heel zeker van.

Misschien heb je er een trigger voor nodig. Een liedje bijvoorbeeld, dat al jaren ongemerkt in je favourites sluimert, en nu in al zijn naaktheid weer ontroert, als was het de eerste keer dat je het hoorde, maar ook weer niet, want dan had het de diepgang van dat echt ingeslepene nog niet, het is een vreemde mengeling van nieuw en toegeëigend.

Het is niet dat de tijd stilstaat op dat ene moment – ze lijkt eerder uitgewist, weggepoetst, met in je ooghoek nog de nazinderende ting glinstering van Mr. Proper, je hebt zijn knipoog net gemist.

In elk geval is het al laat, je bent alleen in de huiskamer maar niet in huis, er moet iemand zijn die zich veilig waant door jouw aanwezigheid, dat net jij het bent, daar in die huiskamer, alleen, in alle rust terwijl je god weet wat doet, en het is onmogelijk om op net dit moment te gaan slapen, ook al weet je dat je dat beter wel zou doen, want tegelijk met dit ene moment, hangend in het niets, glijdt de tijd als ijs onder water – we spreken over minuten, een kwartier maximum, ik weet dat het woord tijd langer suggereert, maar dat is omdat die wegglijdende tijd rechtstreeks leidt naar een slapeloze nacht, al valt dat uiteindelijk altijd wel mee, wordt het enkel een zware en vermoeiende droom waardoor je ’s morgens naar slapeloosheid verlangt, terwijl die veilige anderen, verkwikt en monter, opstaan van de ontbijttafel om ook voor jou koffie te maken en je toe te lachen.

Maar zover is het nog lang niet, nu kijk je op wanneer dat liedje gedaan is, en alle voorwerpen grijnzen dankbaar naar je, ze hebben hun alledaagsheid even afgeschud, het is het licht dat het hem doet, misschien ben jij het wel die licht geeft, en je sluit je ogen even om zoveel onzin maar het licht blijft.

Een nieuw liedje vangt aan, naast je ligt een boek, en er was een zin die meer betekende dan ooit, elk voorwerp heeft zijn onbetwistbare reden om in jouw blikveld te staan, een particuliere geschiedenis die haar woord aan je opdringt, al die voorwerpen tegelijk en nu pas zie je hoeveel dat er wel niet zijn. Een enorme dadendrang verlamt je – er is niets wat je niet kan, dit moment wordt niet geremd door doordeweeksheid of vermoeidheid, je moet dit opschrijven, nu, een gitaar nemen en meespelen, de dingen verplaatsen zodat eindelijk alles in een plooi valt, en je op kan stijgen, recht het bed in, dansend en met je vingers ongemerkt trommelend op de slapende rug die daar ligt.

Je houdt je adem even in, er is alweer een nieuw liedje, nu al, en dan is er enkel nog de koude, en een volle blaas, de droogkast die piept vanuit de kelder, en je komt toch maar recht, knipt de lichten uit.

 

Gebrek nr 5: de kunst van de idolatrie

Terwijl ik dit schrijf, maakt een man in een pak en een streepjesdas de winnaars van de Nobelprijs Literatuur bekend.

Dat was een heel gedoe op facebook deze ochtend, een beetje vrolijk en ironisch want we maken als taalgebied toch geen kans, en we houden een zekere afstand – en dat kan ik weten want ik zit te zwoegen en te ploeteren op een stukje tekst waarvan ik niet zie hoe het ooit gaat passen in die tweede roman, en het is waardeloos bovendien, het gaat nergens over en het is lelijk, lelijk!

Wanneer ik zo zwoeg, kan ik aan de verleiding van internet in het algemeen en facebook in het bijzonder niet weerstaan. Uiteraard zoek ik ook mezelf op – sinds Morgenster in de boekwinkels ligt / heeft gelegen ben ik ook een beetje een publieke naam. Zondag trad ik nog op, in Bergen-op-Zoom, voor een gezelschap aspirant schrijvers. Het deed mijn ego deugd, ik vertelde er dat discipline allernoodzakelijkst is als je een roman wil schrijven. Ha. Zie me hier nu zitten, ten lange leste gevlucht naar Bijgekleurd, mijn veilige haven.

De kansen dat ik ooit word geroemd for an influential work that with linguistic ingenuity has explored the periphery and the specificity of human experience zijn onbestaande. De lof die mij wordt toegezwaaid, ook ergens op facebook, is dat iemand na het lezen van het boek naar het huis Morgenster is gaan kijken, op een druilerige zaterdag in oktober, en daar iemand anders aantrof, een onbekende. Een goed boek, vonden ze allebei, en dronken nog een koffie samen.

Ik weet niet of deze ontmoeting tussen twee mensen die ik niet ken, influential is, of ik daarvoor bewonderd zou moeten worden, op een schild worden gehesen. Het is een kwestie van schaal, allicht. Bij dichte drommen, en de politie die de straat moet afzetten, ja dan. Als het vaker gebeurt, toch. Of als er een mooie vriendschap uit groeit, misschien zelfs een liefde, dan ja.

Ondertussen, alweer op facebook, worden de winnaars van vandaag bewonderd en verguisd. Het gaat nauwelijks over literatuur, maar over links vs rechts, en dat politiek nu eenmaal deel uitmaakt van de specificity of human experience, een samenleving moet worden georganiseerd, en ik weet het, ik wéét het – dat mag je echt niet enkel aan politici overlaten. Daar zijn stemmen in de breedte en de diepte voor nodig – ook Morgenster is een politiek boek.

Maar mij lukt het niet, dat eindeloos bewieroken respectievelijk afkraken van helden, dat doorgedram en geanalyseer over goed of fout, beter of écht slaapverwekkend. Wat doet dat met die mensen? Eén aspect van je leven, je karakter dat tot boven je hoofd uitgroeit, alles wat verder in de periphery van jouw human experience is negerend.

Wees maar eens Trump, of Greta Thunberg. Of Romelu Lukaku. Of Bart De Wever, Zwangere Guy, het maakt niet uit. In alle gevallen: een held voor velen.

Hoe kun je dat iemand aandoen, hoe doe je dat jezelf aan?

Weet je wat, misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven. Over heldinnen en helden, larger than life. En dan twee mensen die mekaar ontmoeten, achteloos.

Zo. Ik kan weer verder.

(Ik weet het, eigenlijk had Bob Dylan hier moeten figureren, maar zeg nu zelf – dit is toch een geweldig aanstekelijke jonge Bruce. Kijk, die bewonderde ik dus echt, in mijn apenjaren.)

Hella S. Haasse

Een romantisch ogende roulotte, goed weggeborgen tussen de pijnbomen op een camping aan zee in de Landes. Niet te warm, niet te ver, vriendelijkheid en beschaving en diffuus zonlicht alom. Als er dan toch niet door kleine, oververhitte cultuurparels in het diepe zuiden kon worden gebanjerd, leek dat ons deze zomer een goed alternatief.

Vosje maakt onmiddellijk nest in het onderste van de stapelbedden, een prima plek om te doen alsof hij slaapt. Wij pakken uit, hullen ons in toepasselijke vakantiekledij en knikken elkaar toe. Zacht licht, aangename temperatuur, vriendelijke buren, zilt in de lucht.

Internet is er gelukkig niet, maar van het laatste contact met de bewoonde wereld weten we dat ons een canicule hors catégorie te wachten staat. Niet verwonderlijk, de hondsdagen zijn net begonnen, het zal dus wel meevallen.

De hitte aan het zwembad is ’s ochtends al ondraaglijk, en onze roulotte mist de schaduw van pijnbomen – die staan wat verderop, richting duinen en zee. Daar maar naar toe dan, het zal er vast frisser zijn. En bovendien: zandkastelen bouwen! Pootje baden! Emmertjes water halen! Vosje is enthousiast, op voorwaarde dat zijn kipwagen mee mag.

Het uitzicht bovenaan de duinen is geweldig. Althans, dat heb ik achteraf geleerd. Die eerste keer jeukt mijn lijf van al het zweet, en het schemert voor mijn ogen, volgens de formule ‘graden celsius boven dertig’ maal ‘afstand- hoogtemeters tellen dubbel’ maal ‘kilo’s bagage die een mens zoal voor een peuter meesleurt naar een strand’. Hard plastic trouwens, die kipwagen. Krassen op mijn kuiten, dat ook nog.

Maar beneden zou het frisser zijn. Dat was me onderweg beloofd. Een aangename zeebries, koel zand, ruimte.

Niets van dat alles. Smeltende en lekkende buiken, borsten en billen zover je kan zien, aangebrande armen en benen waarover je struikelt – de slachtoffers strekken die zo ver mogelijk uit in de ijdele hoop zo meer hitte te verdampen – de geur van zonnebrandolie en zweet die kokhalzend laag over het kokende zand hangt, en water dat zich in de verte heeft teruggetrokken, vol schaamte over de onmacht om wat dan ook af te koelen.

Uiteindelijk vinden we een plek. Vosje begint dapper aan zijn eerste zandkasteel, en ik trek dat ene boekje dat ik voor het strandbezoek heb gereserveerd uit de tas, als is het mijn laatste troef. Het begint zo.

Rome. De temperatuur zweeft hier overdag tussen 32 en 37 graden Celsius. Deze warmte is zo overweldigend dat ze de hele mens opeist. Alle aandacht, alle energie gaat zich richten op dit ene doel: waar vind ik schaduw, koelte, water. Zelfs voor Italië schijnen de temperaturen van de maand juli ongewoon hoog te zijn. Zo is het in Afrika, zeggen de mensen hier.

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek, Italiaanse impressies

Ik stop. Blader terug. Ik heb het goed gezien. In 1952 waren temperaturen tussen 32 en 37 nog een unicum, iets om een boekje mee te beginnen. Wat een tijden!

Vosje, die de 40 graden of meer van vandaag ook slecht verdraagt, schopt op dat moment de resten van een afbrokkelend kasteel recht in mijn gezicht. Ik vloek, ik kerm, ik ontbind. Een genadeloze stijging van de zeespiegel, dat is het enige wat me nog kan redden, denk ik nog, voor het licht helemaal uitgaat.

Het strand, bij avondzon en de deugddoende koelte die achteraf kwam