John Locke

Het is middenin de nacht, en ik buig me over Raketman.

We twijfelen allebei of dit wel het moment is om wakker te zijn, maar als ouder neem ik mijn verantwoordelijkheid, sper mijn ogen wijd open en ga aan het werk. Ik mis nog wat routine, zijn piemeltje slingert even onbewaakt rond. Shit. Al is het maar een waterig plasje, zo kan hij niet terug naar bed.

Meer licht, een stuk chocola. De nieuwe pyjama heeft meer drukknoppen dan ik ‘s nachts in één keer correct kan verbinden. En het helpt niet dat zijn ledematen ondertussen alle kanten uitzwiepen.

We zijn klaar en ik ga nog even zitten, Raketman op mijn arm. Hij ademt trefzeker, maar helemaal vertrouwen doe ik het nog niet. Ik zet WBGO op, huis van klassieke jazz en dat heerlijke New Yorkse accent, de nacht is de tijd om ver te reizen. Ik wieg de jongen, hij zucht zachtjes.

Met één hand zoek ik naar een forum met klachten over baby-drukknop-pyjama’s, ik heb troost nodig bij mijn onhandigheid, die misschien ook gewoon vermoeidheid is. Ik dwaal af, en wat ik vind treft me onaangenaam, de bevrijding van de ledematen uit het bakerdoek was een ideologische kwestie.

Ik had het kunnen weten. Alles is politiek.

Een ingebakerd geval miste de vrijheid om zich te ontwikkelen. Dixit John Locke, de oervader van het liberalisme. De bakeraars waren dan weer van mening dat losse ledematen zonder strenge geleiding nooit zouden samenwerken.

WBGO draait Joni Mitchell, en dat is meer dan ik nu kan verdragen, ik vecht tegen tranen die ik liever niet verklaar. Slavernij dus versus losbandigheid. Terwijl het enige wat ik wil weten – waar is dat forum? – is hoe je zo’n jongen probleemloos in leven houdt, en hoe je daar zeker van kan zijn, ook wanneer je slaapt.

Misschien moeten we Raketman ook maar weer eens bakeren. Vroedvrouwen prijzen dat heden ten dage aan als remedie tegen rusteloosheid, het biedt geborgenheid en zekerheid, en dat is net wat ik heel goed kan gebruiken.

Morgen wordt hij een maand. We plannen een groot feest, zijn mama, Vosje en ik. Dat we al zover zijn. Dat we al de regels die we kenden hebben gevolgd, en er zelf nog flink wat bij hebben verzonnen, want dan komt alles goed. Raketman, het leven, de wereld, en we hoeven niet eens te weten wat goed dan mag betekenen.

Het wordt een slaapfeestje, denk ik. Dit waken hou ik geen leven vol, ik weet het. Overdag val ik om van vermoeidheid, in mijn dromen gaat alles mis, stuitert Raketman van de trappen en spoelen nieuwe golven Corona het laatste houvast weg.

Maar nu, even, deze nacht, is alles goed. Morgen, alweer wat gegroeid en gerijpt, zal Raketman tegen me lachen, blij dat hij me ziet.

Insgelijks, zal ik fluisteren. Met tranen in mijn ogen.

Raketman

tekening door Ema Tudose, http://www.ematudose.org

Maandag, 25 mei

Alles hier is nieuw.

Het bed waarin mijn partner slaapt, de zetel waarin ik heb gedut, de stoel waarop ik nu zit, de baby die in mijn armen slaapt.

Raketman, zo zal ik hem hier noemen. Een jongen die ver zal reizen, we hebben grote en naïeve verwachtingen voor hem, zoals alle ouders.

Hij slaapt. Dat doet hij erg veel, maar dat is ok, voorlopig gaan we nergens heen, en het geeft me de kans om hem goed te bekijken. Het is een mooie jongen. Ik weet nog niet dat ik minder dan een week later, in een andere stoel, op een andere plek in hetzelfde gebouwencomplex, opnieuw naar hem zal kijken.

Nu geniet ik. Alles is rustig. De bevalling was een heerlijke gebeurtenis (pijnlijk en met bloed en verrassende wendingen, zoals dat gaat, maar toch ook heerlijk, zegt mijn partner), nog een dag en we mogen naar huis en ik kijk rond me, de wereld aan onze voeten. De twee helften van de gordijnen in de kamer zijn niet even lang. Een klein foutje, ik lach er even mee, misschien heeft een ziekenhuis daar redenen voor, of was de stof op, we liggen aan het eind van de gang.

Ik hou van kleine fouten, van een beetje morsig leven, van kraken en kreunen. De jongen in mijn armen is een beetje geblutst tijdens de geboorte, hij heeft een waterbuiltje omdat hij even, vlak voor het ultieme moment, aarzelde om ter wereld te komen. Ik druk er een kusje op.

Ik sluit mijn ogen, concentreer me op mijn ademhaling en hoe die van Raketman daarop reageert, hoe we samen zijn, in volle beweging en volmaakte rust.

Zaterdag, 30 mei

Vijf dagen later wandel ik met een zak vol spullen naar de ingang van het ziekenhuis. Het zijn nog steeds Corona tijden, en ik geef ze af aan een bewakingsagent, die het kinderziekenhuis belt, en dan moeten we hopen dat alles ter plekke komt.

Raketman is hier terug, samen met zijn mama. Ergens in zijn slaap hield hij er even mee op. We weten niet met wat precies, hij reageerde minuten nergens op en wij panikeerden en daarna waren er dokters en een ambulance en nu zijn we hier. Ik mag er nog niet bij, de jongen moet eerst worden getest op Covid-19.

Het is een zomerse zaterdagavond, ik heb vertrouwen in de bewakingsagent en wandel buitenom naar het kinderziekenhuis. Ze hebben een kamer op het gelijkvloers, mijn ambitie is beperkt maar vastberaden: ik zal zwaaien voor het raam, kijken hoe de draadjes van de sensoren vrolijk tussen zijn benen bengelen.

De weg is hobbelig, aan elk groot ziekenhuis wordt permanent verbouwd, alsof het zelf een patiënt is waarop steeds nieuwe behandelingen worden getest. Ik slalom tussen twee werfzones door naar de achterzijde van het ziekenhuis. Een grasveld, een kapotte picknicktafel.

Ze zien er gelukkig uit, achter dat raam, Raketman en zijn mama. Dat is omdat ik ze niet hoor, weet ik, en de zon tranen doet verdampen. Op de weg terug naar de parking passeer ik een eenzame auto, ramen open. Op de achterbank koesteren twee mensen een geheime liefde. Het komt goed, fluister ik tegen mezelf. Alles komt goed.

Zondag, 31 mei, ochtend

Vosje fietst.

Zonder zijwieltjes, hij heeft van de lockdown geprofiteerd om een aantal grenzen te verleggen. Groentjes eten, bijvoorbeeld. En fietsen zonder zijwieltjes dus. We zijn op weg naar een speeltuintje met een deathride, daar heeft hij nog nooit op gedurfd, maar straks wel.

Het is zomer en alles is rustig en perfect, en ik hou een beetje van krakend leven, ik weet het, maar Raketman met zijn mama in het ziekenhuis, nee, zo bedoelde ik het niet.

De nacht bracht geen nieuws, straks ben ik bij hen, ik kijk hoe Vosje van me wegfietst en op de hoek van de straat zijn remmen dichttrekt, voeten op de grond.

Zondag 31 mei, namiddag

Het kamertje in het kinderziekenhuis moet op deze zomerse Pinksterdag één van de stilste plekken zijn in België. Er zijn geen zieke kinderen meer, het tandheelkundig instituut verderop is gesloten, het grasveld met de kapotte picknickbank is leeg.

Al wat ik hoor is de ademhaling van mijn partner die even probeert te dutten, en af en toe een beepje van de monitor, die last heeft van een systeemfout.

Raketman leunt tegen mijn opgetrokken bovenbenen, hij heeft net gegeten. Ik kijk naar hem, in het besef dat dit het kan zijn, in het allerslechtste geval houdt hij er straks nog eens een keer mee op. Definitief.

Hij trekt zijn rechterwenkbrauw hoog op in een tevergeefse poging alvast dat oog open te krijgen. Ik streel hem over de buik, net onder het stompje van de navelstreng en tussen de draadjes door. Hij boert een onderdrukt hikje op. Even opent hij zijn ogen. Blauw, voorlopig, zo’n baby is niet af wanneer hij geboren wordt.

We onderhandelen in stilte, maar hij wil niets toezeggen, ik smeek hem niet weg te gaan, beloof hem tegen beter weten in een fijn leven in de best mogelijke van alle werelden, beperk me dan tot wat ik wel kan beloven: ik zal je graag zien, jongen.

Hij valt weer in slaap.

Dinsdag, 2 juni

Kinderen wenen, mama’s voeren lange gesprekken in de gang, het kinderziekenhuis trekt zich weer op gang. Vandaag nog de technische testen, en dan zit de periode van observatie er op.

Raketman zit weer boven zijn geboortegewicht. Het heeft hem deugd gedaan, deze dagen. Eten, slapen, dicht bij zijn mama zijn. Er lijkt niets mis met hem, hij glimlacht me zelfs even toe.

Straks gaan we naar huis.

Dat zeggen we tegen mekaar. En alles komt goed, dat zeggen we ook.

Het is ons in de loop van het weekend al duidelijk gemaakt. We gaan nooit weten wat er precies gebeurd is, zaterdag. Wat de ernst ervan was, de kans op herhaling, wat we kunnen doen om het te voorkomen.

Het leven is morsig, zeggen ze ons ’s avonds, wanneer ook de technische testen geen aanwijzingen opleveren. Het kraakt en het kreunt, en dat is voor baby’s nog meer zo. Ze zijn niet af. Hij is nu bijna dubbel zo oud als toen hij hier binnenkwam, het is niet meer dezelfde jongen.

Wij ook niet, denk ik. We zijn bezorgder, dat zeker, en terug in de auto, onderweg naar huis, zeggen we: laat ons dankbaar zijn, dankbaarder dan we ooit zijn geweest, en trots.

Op Raketman, op onszelf, op Vosje die voor het eerst in zijn leven even plaats moest ruimen.

Maar dankbaar, toch vooral dat.

Joh 1,1

Het is maandagvoormiddag, de zon schijnt en we spelen knuffeltjestijd in de tuin: elk op onze plek doen we alsof we slapen, wekkeren ‘ting ting’ en dan komt hij aangelopen. Springt op mijn rug, hangt als een aapje rond mijn nek, kwistig met knuffels en zoentjes.

Het is één van Vosje’s favoriete spelletjes.

Bij voorkeur met mama, maar die thuiswerkt boven, de laatste keer voor ze zich helemaal zal wijden aan de komst van Vosje’s broertje.

Op de momenten dat we slapen overloop ik in mijn hoofd een eindeloze takenlijst. Er is werk, en nestdrang, en een huishouden, en een boek, vrienden die wachten op een antwoord, een website die maar niet af raakt – In den beginne was het woord, mezelf in één bijbelcitaat gevat.

Ting ting en ik dwing mezelf om helemaal klaar te zijn voor het moment dat hij op mijn rug landt. Mijn lichaam klaar voor de schok, mijn lippen getuit voor een zoentje, mijn geest leeg, mijn hart bij hem. Dat is nodig. Hij voelt het feilloos aan wanneer ik er eigenlijk niet ben, ontsnap naar plekken waar hij nog niet bijkan. Ik moet nog groeien, zegt hij dan.

Maar ik ben het natuurlijk die moet groeien.

Terwijl we weer slapen, kijk ik toch naar de binnenkomende berichten – het is haast tijd voor de dagelijkse cijfers – en verbaas me over een nieuwsbrief van restaurant Les Moraimières. Ben ik daar ooit geweest? Twee Michelin sterren, aan de oevers van het Lac du Bourget in de Jura.

Ting ting. Vosje was er toen al, denk ik, we waren te gast bij vrienden, of nee, van Vosje was toen nog geen sprake, het was allemaal pril en we deden ons best, in één van de beste restaurants van de streek.

Terwijl hij weer naar zijn slaapplek huppelt, glinstert het zolderraam. Mama heeft het warm, daarboven. En een beetje benauwd, een kind baren is een hele onderneming. Ze bereidt zich voor, ze ademt en mediteert, ze oefent spieren en vooral, ze praat erover, met actieve werkwoorden en positieve naamwoorden. Ik luister graag, en spreek ondertussen een aardig woordje moeder en kind vriendelijk jargon mee. Sensaties in plaats van pijn, golven in plaats van weeën, die hele traditie van mannelijk gynaecologengedrag en terminologie mag de deur uit.

In den beginne was het woord.

Joh, 1.1

Les Moraimières biedt jarret de veau braisé aan, en daar heb ik wel zin in, meer zin nog heb ik om Vosje en mama en het nog ongeboren kind in de auto te laden en 580 km te rijden om het af te halen. Gewoon omdat het kan. Er zit een groententaartje bij de schenkel.

Het was er heerlijk toeven destijds, meen ik me te herinneren, een perfecte avond, met de wereld aan onze voeten. Veel schuimpjes, dat wel.

Ting ting, maar Vosje slentert naar binnen, het is goed geweest met de knuffeltjestijd. Hij wil op pad. Wandelen.

We moeten groeien, hij en ik, en dus leid ik hem vandaag op een ander pad. Gewoontes slijten zo snel in. We hebben alle tijd, want rijden gaan we uiteraard niet doen, hij wil op alle min of meer bereikbare tuinmuurtjes stappen en ik laat hem. Hij dartelt.

Achter een hoge heg speelt een oude man jeu de boules. Alleen.

Vosje doet alsof hij niet alleen van een muurtje af durft. Ik weet wat hij wil, pak hem vast, geef hem een knuffel en zet hem weer op de grond. Locked down.

 

 

 

Judith Schalansky

Ik had er, eerlijk gezegd, meer van verwacht.

Voor het eerst in weken rijd ik over een snelweg, met plek en ruimte om het gaspedaal even diep in te drukken.

Het doet me niets.

Ja, ik word even in de zetel gedrukt, de motor brult verontrustend – allemaal netjes zoals het hoort.

Verlies van smaak en geur is vaak het eerste – en enige symptoom. Zou dat ook het verlies van andere sensaties inhouden? Een hand in je hand. Een bleke maan, nog voor de schemering. De stem van Tracey Thorn.

Vosje zit achterin, Vosjes mama naast me. Hij eet een cakeje, zij een energiereep, reizen kost energie, dat waren we vergeten, dat elke verplaatsing een inspanning van lichaam en geest vragen, hoe comfortabel je ook niets zit te doen.

Ik zoek de afslag die deze gezinsuitstap moet legitimeren.

Voor de nog ongeboren baby doen we alles, en we zijn op weg naar de ontwerpster van het geboortekaartje. De wereld mag dan virtueel zijn, een drukproef wil je ronddraaien in je handen, elk adres moet handgeschreven op de envelop, de postzegel met zorg gekleefd.

Na gedane zaken staan we nog even stil. Vosjes’s mama heeft vanuit het open raampje dank je wel’s naar de ontwerpster gezwaaid. Het eerste berkenstuifmeel waait naar binnen. Ik nies. Vosje wil niet naar huis. Hij wil verder, op vakantie, een blauw huisje aan de zee, zand en golven en ijsjes, een verlaten eiland, en als dat niet kan wil hij naar Brussel.

Nooit geweten dat ik het zo eens kon zijn met een driejarige.

Ik rijd binnendoor terug, de korrelige landwegen afgezoomd met eenzame fietsers en lopers, en een hondje af en toe. Het slordige asfalt lijkt al te smelten bij het horen van het eerste zomerse weerbericht van het jaar.

Alles komt goed.

No one is allowed to settle here, so the personnel at the research station changes constantly. Some of the men stay for only a few months, but most for a year and a half. There is no boat. Where would they take it?

His (the district chief of the 48th mission) office is the only room without pin-ups on the wall. There is a register of births, marriages and deaths on his desk. Empty columns show that no one has married or had a child here yet.

Judith Schalansky, Pocket atlas of remote islands, Amsterdam Island

 

 

Kirsty Logan

Vosje ligt languit in bad, gezicht naar beneden. Hij pruttelt belletjes. Voor een sterretje is het bad te klein, en ook drijven op een plank lukt hier niet. De zwemles behoort normaal tot mijn takenpakket, dus is het logisch dat ik de badsurveillance er nu even bijneem.

Veel valt weg, maar minder lijkt het niet te worden.

Het is lente, en de wereld mag nog zoveel moeite doen om knarsetandend tot stilstand te komen, hier in huis groeit veel. Een boek in mijn hoofd en op papier, een baby in de buik van Vosje’s mama.

Dat boek hoef ik hem niet uit te leggen. Tijdens zijn spel verzint hij de waanzinnigste plots, straks goed voor een lange reeks succesromans die hij alvast ondertekent met de sissende X van Netflix.  

De baby is wat lastiger. Wanneer die na het vallen van de avond een bult duwt in mama’s buik spreekt hij hem vermanend toe. Je moet slapen wanneer het donker is, en dat stoute baby’s door de politie mee mogen worden genomen. Lieve baby’s niet, vertrouwt hij ons daarna nog toe, wanneer alles weer kalm is. En hij geeft mama’s buik een kusje. Zo schattig.

Hij heeft geen idee van wat hem te wachten staat.

Soon Jamie will scream himself unconscious and the soup will get eaten and Jamie will wake up screaming and Sabrina will hold him all night, every way she can think, trying everything even though she’s tried it all a hundred times. She shouldn’t give him a spoon of whisky, she really shouldn’t. But he won’t take her milk, he won’t take her comfort. What else does she have to give him?

Kirsty Logan, Things we say in the dark, Good Good Good, Nice Nice Nice

Ach, dat is maar literatuur, wat ik lees wanneer Vosje slaapt, in het echt is alles peis en vree, en schijnt de zon in wat ondertussen de kleinst mogelijke wereld is geworden.

Door het venster van de media naar buiten kijken durf ik nog nauwelijks. Te veel grote woorden en kleine gebaren – het einde van dit, het begin van dat, de hartjes en foto’s uit de oude doos, de vergelijkingen, de voorspellingen. Ik kan niet meer op tegen dat bombardement, mijn krimpende wereld is nog niet aan vervellen toe.

Ik was Vosjes haar, dat nu echt wel lang begint te worden, trek hem een verse pyjama aan. De pijpjes zijn te kort, en voor een echte lentedag heeft hij straks eigenlijk ook geen passende kleren meer. Tja.  

Beneden is mama bezig met het sorteren van een grote doos babykleertjes, Vosjes garderobe van alweer een paar jaar geleden. Winkelen in eigen huis, kleiner wordt de wereld niet. Alleen pampers, die moet ik nog een keer zien te scoren.

Wanneer iedereen slaapt, controleer ik voor alle veiligheid nog even de voorraad whisky. Niemand zal kunnen zeggen dat ik niet voorbereid ben.  

 

 

 

Gebrek nr 9: de kunst van het afronden

Alleen wie over een heel scherp gehoor beschikt, kan het horen, zo stel ik me voor. De twee messen van de schaar die tegen elkaar schuren, het strekken van de handpalm om de ogen van de schaar zo ver mogelijk uit elkaar te trekken, en dan zoef, het nazinderende staal en het knappen van de draad. En vlak daarna, met dat beetje vertraging dat verwondering verraadt, de zucht van ontlading in de draad – die zich toch al tijden ongemakkelijk en wat gespannen voelde – die nu geen draad meer is, maar twee draden, met nieuwe, vrolijk opspringende en krullende uiteinden.

Dat is bijzonder. Tot net voor dit moment onderscheidden die uiteinden zich in niets van de rest van de draad, waren ze zich onbewust van hun lot een nieuw begin, een einde te worden. De hand aan de schaar had net zo goed een ander punt kunnen kiezen, achteloos.

Stel je nu voor dat de schaar geen draad, maar een lap doorklieft. Je hoort de rollen stof in het magazijn van de kleermaker zuchten terwijl ze wachten op dit moment van bevrijding. Al die knappende draden, vast in een weefsel, een patroon. Samen hebben ze nog een functie, ze worden straks tafelkleed, gordijn, een slipje. Je zet je schrap.

Maar ook dat hoor ik allemaal niet, ik ben een beetje doof, ik moet een zich aankondigend einde merken aan andere tekenen. Dat het tijd is om te gaan, het feest afgelopen, een feest dat bij nader toezien al een deel van zijn glans heeft verloren, ik ben te moe, te dronken, te arrogant. Iemand moet me op de schouders tikken, een aftelkalender op een bord schrijven, mijn jas al uit de vestiaire halen, de goodie bag klaar voor mij om af te halen.

Precies een jaar geleden hielden we Morgenster, mijn debuutroman, boven de doopvont.

Uiteraard heb ik het toen ook niet gehoord, vol als ik was van mezelf en de dag, maar ook die avond werden er duchtig draden doorgeknipt, en stofjes verscheurd, ook al weet ik nog steeds niet goed welke. Het boek kreeg goede en slechte lezersreacties, bracht mensen samen, kijkend naar het huis waarop het gebouwd is. Net zo goed waren er teleurgestelden, zij die een ander patroon hadden verhoopt.

Maar het boek leeft, volgende maand praat ik er weer eens over, op de hoek van de straat waarin het zich afspeelt. Vreemd genoeg voel ik geen enkele behoefte meer om ook maar één zin aan te passen, toch niet nu, het is afgerond, want er staat een datum in. Wanneer ik tachtig ben en het allemaal zoveel beter kan, ja, dan herschrijf ik het misschien.

Het boek leeft, omdat alles wat doorgeknipt is verder leeft, zich vertakt en vermeerdert, verandert, rot en bloeit. Ik geloof er niet in, in dat zetten van een punt, die onbehoorlijke promotie van een willekeurig moment tot begin en einde. Je laat niets achter je, het gaat door, je neemt het mee, de draad rond je vinger, de tijd blijkt altijd weer een naald te zijn, een verbinder. En blik je terug, dan zie je een eindeloze reep stof, oneindig als de zee, met golven die komen en gaan, altijd hetzelfde water, gevoed door dezelfde rivieren, dezelfde regen, dezelfde storm.

Knippen is niets voor mij.

Gebrek nr 8: de kunst van het ontwijken van hovaardigheid

Het was een treurig zicht.

Ik zat in het centrum van de stad voor het raam van een aftands fast food restaurant te kauwen op een frietje dat heimwee had naar zijn natuurlijke staat – diepgevroren. Uit een grote coca cola beker zoog ik een slok kraantjeswater met belletjes naar binnen, om een en ander door te spoelen.

De mensen buiten – ik keek naar hen, zij niet naar mij – zagen er gelukkig uit, op deze eerste koopjesdag. Het miezerde wat, maar dat leek hen niet te deren. Er waren moeders en dochters, adolescenten met een verzorgd baardje, gezinnen met een ouderwetse papieren kaart van Brussel in de hand, en niemand had echt haast.

Kwaliteit. Zonder meer, maar ook zonder toegevingen. Dat was mijn nieuwjaarsresolutie voor dit jaar. Kwaliteit, zoals in leven in de diepte, ten volle, traag, genieten, intens, voelen, alle poriën open. Niets had het te maken met duur leven, met welgesteldheid – nee, dat woord klinkt vandaag nog meer dan in mijn arme studententijd als verwerpelijk bourgeois.

De kwaliteit in het fast food restaurant was onmiskenbaar top. Elke friet, elke hamburger, elke beker water was tot in het kleinste detail een voorspelbaar eindproduct van een gestroomlijnd proces, de ingrediënten volstrekt gestandariseerd, enkel de mensen op het einde van de ketting, met moeite bijeengehouden door hun teamleiders, maakten een verschil. Hun glimlach. De sluwheid waarmee ze in sneltempo jouw bestelling bij elkaar harkten.

Het was mijn opdracht van de dag. In elk doodgewoon detail de kwaliteit ervaren. De papieren zak met een nieuwe broek en een vers hemd stond naast me. Daar werd ik al niet bepaald vrolijk van, ook niet mistevreden, begrijpt u het niet verkeerd, de kleren staan me. Maar deze middag, kauwend op mijn friet, gezeten op een kruk waarvan de voetsteun ontbrak, was ik zonder enig verweer een niet te onderscheiden onderdeel van de massa.

Ik dacht aan de kaaswinkel waar ik straks nog naartoe zou gaan, daar hebben ze Moliterno al Tartufo op voorraad, van de Sardijnse kaasmaker Central. Een pecorino (schapenkaas dus), die na twee maanden rijping verse zwarte truffel geïnjecteerd krijgt, en dan nog een aantal maanden mag rusten. Echt een heerlijke kaas – u kan hem zelfs op Amazon bestellen, als u in Amerika zou wonen, wat u niet doet uiteraard, ik vermeld het enkel als teken dat ze er ook in Sardinië in slagen om consistente kwaliteit te produceren, met rieten mandjes en handwerk en al.

Proeven van die kaas zou me redden, ik was er zeker van, de smaak zou me verheffen boven de massa, die willoze kudde schapen die dagelijks misleid werd tot een leven vol voorspelbaarheid en gehoorzaamheid, gemanipuleerd door een stroom van valse informatie en de hogere machten van het kapitalisme – kortom, slachtoffers van het systeem.

Het moet een treurig zicht zijn geweest, een hovaardige man voor het raam van een aftands fast food restaurant, alweer mislukt in zijn poging om in de diepte te gaan, om schoonheid te vinden in het alledaagse, terwijl die toch voorhanden was, in de smileys en hartjes die de conversatie sierden op de telefoon van de jongen naast hem, in de gedachten van het meisje dat hem bediend had en achter haar toog in stilte danspassen oefende. Zie je het? Niets om hovaardig over te zijn.

Behalve dan, toch telkens weer, Moliterno di Tartuffo.

Mama tovert

Het zijn twee boekjes. Mijn papa is een reus, en Mijn mama kan toveren. Aangespoelde boekjes, die passen in een kinderhand en een beetje stiekem onze bibliotheek zijn binnen geslopen. Maar ze zijn er, lichtjes rolbevestigend en al, en ze behoren sinds jaren – wat vreemd om dat te kunnen zeggen over een kleuter van een flinke drie jaar – tot Vosjes favorieten.

Allicht niet de verdienste van de volgende Dichter des Vaderlands, Carl Norac, die de teksten schreef. Ook niet van Ingrid Godon, verantwoordelijk voor de mooie tekeningen.

Het zijn er twee. Dat is wat telt.

Vosje houdt van evenwicht. Niet pietje precies onwrikbaar evenwicht, maar balanceren, spiegelen, imiteren, omkeren. Een boekje voor mama, een boekje voor papa. soms wil hij ze zelfs tegelijk horen. Dan zit hij te glunderen, zucht een beetje van contentement, met de wereld zoals die moet zijn rond hem.

Wanneer ik papa mag lezen, stop ik altijd even bij

Mijn papa is een reus, en als de wolken moe zijn, komen ze uitrusten op zijn schouders.

(Het zijn zomerse wolken, papa zit in een t-shirt op een tuinstoel, het hoofd een beetje gebogen, de wolken als een natte deken in zijn nek)

Carl Norac & Ingrid Godon, Mijn papa is een reus.

Zo mooi, zeg ik dan tegen Vosje, zie je die wolken? En ik denk aan mijn hoofd bovenop die schouders, ook in de wolken, een klein stukje gedraaid, ik kijk naar boven in plaats van naar beneden, zoals de reuzenpapa in het boek, ik kijk naar woorden en andere werelden, waar ik niets meer hoef te begrijpen van mijn dagelijkse leven.

Vosje draait de bladzijde om, daar nies ik in een herfststorm alle krabbetjes die zich schuil hielden in het strandzand weer de zee in. Ik ben terug.

Hij loopt al weer weg, zijn mama houdt een mandarijntje in de lucht. Ja, roept hij, en gaat op zijn stoel zitten.

Is jouw baby’tje wakker, mama? Ik hoor het hem vragen, terwijl ik nog even verder blader. Het mijne wel. Mama legt even een hand op haar buik, steekt haar neus in de lucht. Zo ver is ze al. Niemand anders kan het voelen, het is nog even van haar alleen. Het lijkt een beetje op tovenarij. Nee, zegt ze, terwijl ze Vosje een partje mandarijn voert, mijn baby’tje slaapt.

Straks zijn ze met twee.

 

Gebrek nr 7: de kunst van het kiezen van de juiste vijand

Ik had me vergist.

In de loop der jaren is het uitgegroeid tot een signatuurgerecht ten huize Bijgekleurd, een dat we zonder blikken of blozen aan de meest verfijnde van onze gasten durven voor te zetten. Kalfspiccata met ratte-aardappelen en rucola, versie Jeroen Meus, maar dan met pasta in plaats van die patatjes en sla.

Er komt veel vocht aan te pas. Gesmolten boter, het azijn van kappertjes (ik zeg altijd karpertjes, maar schrijven doe ik het juist, zelfs op boodschappenlijstjes), een uitgeperste citroen, en een flinke scheut witte wijn.

Eerlijk? Niets deugt aan dit gerecht. Het kalfsvlees is een bijproduct van de melkveehouderij – melkkoeien hebben nu eenmaal elk jaar een vers kalfje nodig. Na een paar dagen wordt dat van de moeder weggenomen, om met andere overtolligen opgesloten te worden in donkere stallen – ze zien het daglicht nooit. Eenzijdige voeding bezorgt ze bloedarmoede én de juiste vleeskleur voor onze piccata. Acht maanden duurt dat ellendige leven.

Maar on passe.

Voor kappertjes en citroenen is het in onze contreien nog niet warm genoeg, die worden dus van ver aangevoerd, witte wijn hebben we wel, maar nog te duur om in een pan vol zuur en vet te laten verdampen.

Ik had er zin in, er waren geen gasten, gewoon wij tweeën, en de fles had ik bij thuiskomst, zonder kijken en het hoofd nog vol besognes, snel meegegraaid uit de kelder. Een glas drinken uit de fles die in het eten gaat, doe ik niet meer, ik ben tegenwoordig gedisciplineerd. Ze stond daar, donker glas met een witte capsule, wist ik veel dat ze twijfelde aan haar gender.

Eigenlijk werd ik misleid.

Excuses.

Het was de schuld van de côte du Rhone wijnbouwers. De schuld van de wegenwerken die mijn reistijd verdubbelden om geluidsoverlast voor verkavelingsbewoners te halveren. De schuld van mijn opdrachtgever die meetings liet uitlopen, enkel om vast te stellen dat niets nog vooruitgaat. De schuld van mijn partner, en haar blind vertrouwen (hoe naïef kan je zijn?) in mijn onfeilbaarheid. De schuld van de politiek, die niets doet aan de klimaatopwarming, en toelaat dat ik Italiaanse gerechten klaarmaak op een Belgisch winterse dag, die toelaat dat Vlamingen in verkavelingen gaan wonen, makkelijk en praktisch, dicht bij de oprit van de snelweg. De schuld van het grote publiek, dat eigenlijk ook wel weet dat het zo niet goedkomt met onze maatschappij, maar liever denkt dat hoe meer migranten uit het zuiden, hoe warmer het hier wordt, dus daar moeten ze wat aan doen. Steek een kaarsje aan voor de warmste week (op die naam zit straks ook een houdbaarheidsdatum). Te lam en te tam om eindelijk eens iets echt te veranderen. Revolutie! Een groene! Een zwarte! Weg met de wetenschap! Weg met de vrouwen! Weg met de fascisten in een schaapsvel! Weg met de elite! Weg met alles! Weg met mij!

Ja.

Weg met mij. Dat zou nog eens een oplossing zijn. Ik check even snel mijn bankrekeningen, maar helaas, er is niets veranderd. Zo makkelijk stap ik er niet uit, uit dit systeem.

En zo kon het dus gebeuren. Het kalfsvlees warm in een lauwe oven, boter, sissende kappertjes, citroensap dat van mijn vingers druipt, en dan. Dus.

De fles had een witte capsule, echt, en was donker, ter mijner verontschuldiging. Misschien vergiste ik me, maar eigenlijk werd ik misleid, edelachtbare. Kalfspiccata in rode wijn, het was een interessant experiment.

 

Jens Meijen

De ruitenwissers hebben geen moeite om zich aan te passen aan het te hard uitvallend gemiezer, nauwelijks onaangenaam omdat het nu eenmaal november is, en dan mag dat. Ik zit binnen, in aangenaam vormeloze gedachten verzonken schuif ik aan, de auto warm en comfortabel. Het verkeer eist niets van me, de radio met zijn onheilsberichten over brandstichting en besparingen – nee, gelijktijdigheid en oorzakelijkheid zijn niet te verwarren, het een heeft echt niks met het anders te maken, ik zeg u, we leven in een cultuurstrijd, echt gast, strijd, ik meen het, ik neem verdomme de woorden over van die klote pipo’s van de andere kant – ik zet de radio uit, dat kan in deze auto, ik berijd me verder van de stad langs benzinestations en doe het zelf zaken, dat eindeloze gebied dat geen naam heeft, geen charme, de kelder onder de landschappen, maar ik zweef hoog in mijn auto, voorzichtig pincet ik de gedachte vast dat het leven me toelacht. Vosje nog deze ochtend, eerst een draak een spook een hond een poes een varken een brandweerman een boomdokter een kinderdokter en dan een bijter in boterhammen maar dat verzint hij niet zelf – ik kan nu nog niet weten dat hij ’s avonds, na een slaap van een uur of twee, hoestend wakker zal worden, wat we horen om dan te ontdekken dat met de hoest ook de inhoud van zijn maag uitgespreid is over zijn kussen zijn knuffels zijn lakens tegen de wanden van zijn bed hij rilt en trilt en is verloren –

Maar dat weet ik nu nog niet, en het is ook helemaal zo erg niet, het hoort bij de leeftijd, ik vertraag op een plek waar de weg op alle andere dagen ademhaalt en zucht, blij dat hij zich mag ontrollen in een veelvoud van richtingen, de weidsheid in, de stilte heb ik ingeruild voor mijn eeuwige shuffle die me droefheid en schoonheid brengt, en nadenken doe ik nog steeds niet, ik begin er al een beetje op te hopen dat ik ook op het werk rakelings langs de werkelijkheid mag scheren, connectie is niet nodig, maar ik vertraag waar ik anders versnel en even verder zie ik waarom, een gebroken fiets een gekneusde moto en politie en een ambulance en een medisch urgentie team en

Ik denk toch. Het leven hoort te bestaan uit geleidelijkheid, denk ik, een zacht schuiven van werkelijkheden, met oorzakelijkheid die te overzien is en gelijktijdigheid die je zelf hebt gewild, ook al trekt en duwt het soms, maar hé, dat is dus het leven.

Is een leven geen
sliert broeken
die je één voor één
laat uitrafelen

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf

las ik twee dagen geleden, een bevestiging dat alles altijd maar hetzelfde is, broek na broek, ook al lijkt het anders – terwijl het dus ook echt zo gebeurt, de knop om, in de ondraaglijke kou van een oorverdovende miezer, en dan stilte, al draait de motor nog, en mensen die redden wat er nog te redden valt, tegen beter weten in.

De geschiedenis van de mens
is het mondjesmaat doorgeven
van verdriet

als emmers water
die klotsen bij elke stap, en

hoe ouder je wordt
hoe meer mensen je verliest
hoe meer je het hoort
een golvend schip ben je, jij
mens op troebel water

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf