Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.

 

Advertenties

Georges Saunders

Waar het vandaan komt, weet ik niet, want mijn moeder was de netheid zelve, ze stond erop elke dag het huis aan de kant te hebben. Maar ik hou van rommel. Laat je mij doen, dan laat ik overal losse eindjes achter, in de vorm van stapels boeken (natuurlijk! het laatste echte statussymbool in deze gespotifyde wereld, zeker wanneer het meervoud u een labyrint van boeken suggereert, waarin een peinzende blogschrijver niet anders kan dan zichzelf en zijn lezers verliezen), ambtelijke post, veel te laat aangespoelde kerstkaarten, een lekkere fles kriek die ik maar niet drink, wat gladde keien met een vage betekenis, een hoop kussens, whiskyglazen en whiskyflessen, en foto’s van Vosje. Ik hou niet zo van het tentoonstellen van foto’s waarop mensen staan waarvan ik hou, maar voor Vosje maak ik graag een uitzondering. Hij mag zelfs in goed gezelschap zijn, met zijn grote broer, met zijn moeder, en zelfs – quelle horreur! – met mij. Niets is ijdeler dan foto’s van jezelf openlijk tentoonspreiden, en ijdelheid is des duivels, maar voor foto’s van Vosje en mij geldt dat niet, zo blijkt (net zo min trouwens als voor de foto’s van Spencer Tunick waarop ik ook ergens figureer, zij het onzichtbaar of toch spoorloos, terwijl ik er echt wel was destijds, in Brugge, en vele jaren later in Gaasbeek, telkens op een godsonmogelijk vroeg uur, maar dat telt dus niet echt).

In mijn wanorde heb ik de vrijheid telkens opnieuw een andere werkelijkheid te herkennen, zonder dat ik daarvoor het hele huis door elkaar moet halen, of anderszins uit mijn zetel hoef te komen, een zetel van waaruit ik staar naar de stapels boeken, en, uiteraard, naar de foto’s. Die vrijheid is me dierbaar, en ik was blij dat Vosje, al sinds hij kan lopen, dingen oppakken en weer laten vallen, me trouw volgde in het maken van wanorde.

Heerlijk, zo’n kind in huis.

Hij begon met het uit en weer inladen van keukenladen vol tupperware, nu alweer maanden geleden. Daarna, bijna stiekem, ging hij aan de slag met zijn kleerkast, om vervolgens, elke ochtend opnieuw, de boeken die papa ’s avonds achteloos in de zetel had laten slingeren, op de juiste stapel terug te leggen. Toen stond ik nog vol bewondering voor zijn vermogen om de juiste wanorde telkens opnieuw te creëren.

De juiste wanorde. Dat wordt, zo denk ik, ooit nog eens de titel van de verhalenbundel waarvan ik het eerste verhaal, de eerste zin, nog moet schrijven. In korte verhalen mag en kan alles, telkens weer een flits die de grote chaos van de wereld belicht, absurd en toch hyperrealistisch. Dat zou ik ook willen kunnen, denk ik, wanneer Vosje Georges Saunders’ Tenth of December terug op de stapel legt.

Have been sleepwalking through life, future reader. Can see that now. Scratch-Off win was like wake-up call. In rush to graduate college, win Pam, get job, make babies, move ahead in job, forgot former feeling of special destiny I used to have when tiny, sitting in cedar-smelling bedroom closet, looking up at blowing trees through high windows, feeling I would someday do something great.

Hereby resolve to live life in new and more powerful way, starting THIS MOMENT (!)

Georges Saunders, The Semplica Girl Diaries uit Tenth of December

Het kraslot waarvan sprake levert de man voldoende op om, net voor de verjaardag van zijn oudste dochter, hun braakliggende tuin in te richten en een schitterend verrassingsfeest voor haar te organiseren. Blikvanger zijn de semplica girls uit de titel, denk daarbij aan levende tuinkabouters uit verre landen.

Uiteraard gaat het op het einde van het verhaal helemaal mis met de man, de tuin, en zijn kinderen. Het gaat altijd mis in de verhalen van Georges Saunders, en met Vosje weet ik het ook niet meer zo. Hij herstelt niet alleen mijn zo dierbare wanorde, hij ruimt spontaan ook alles op, zeker de keukenla met tupperware (en het is, dat kan ik u verzekeren, een complexe 3D-puzzel om die la zo weer in te laden dat ze dicht kan – ja, Vosje is een slim kind). Hij zet lege glazen op het aanrecht (op het randje, want hij kan er nog niet goed bij), zet ieders linkerschoen weer netjes op zijn plek naast de rechter, en, ik durf het haast niet op te schrijven, maakt een nette rij van zijn autootjes. Geparkeerd van groot naar klein, gesorteerd op kleur, of op eender welke regelmaat die hij maar kan bedenken. Het is zelfs al gebeurd dat hij, na gedane arbeid en het lezen van zijn nieuwste boekje (over het herkennen van billen van dieren, een echte hit, ik wou dat ik het zelf had verzonnen, want ik hou best van billen, maar dat is weer een ander verhaal), terugkijkt naar de rij, spiedend, de paar stappen zet die nodig zijn, en corrigeert. Dan wil hij een koekje. De jongen houdt, het is niet anders, van orde.

Ik kan het daarbij niet laten, dat begrijpt u.

Elke ochtend, voor dag en dauw, neem ik hem nu bij mij op de schoot, en vertel, herhaal, repeteer, zeg hem dat de enige orde die een jongen nodig heeft in zijn leven, die van het juiste woord is. Voor alles, zo houd ik hem voor, is er een woord. Voor wat je ziet, wat je denkt, wat je doet, voor wat je voelt. Vergeet dat niet, en misschien dat jij dan, straks, die verhalenbundel De juiste wanorde zal schrijven, over een vader die worstelt met alles op een rij te zetten, en voortdurend denkt THIS MOMENT (!)

Maar Vosje, als je dat dan straks doet, schrijf je het dan met liefde, wil je?

PS Ik kon het niet laten, en kocht na het lezen van The Semplica Girls voor het eerst sinds jaren een kraslot. Alleen als ik niet zou winnen, zou mijn leven – min of meer – op de rails blijven. Nu vraag ik u, 20€ (twintig euro), is dat winnen, of verliezen?

Gebrek nr 3: De kunst van de handoplegging

De geur van vers gesneden pompoen snijdt door het aroma van mijn koffie. Het is nog vroeg, en ik zit in een etablissement dat zich een neocanteen noemt. Het ligt in een chique buurt, ouderwets beschaafd en jong van geest. Dat de laatste gebeden van Leonard Cohen op endless repeat staan, merk ik pas wanneer een vrouw van middelbare leeftijd binnenkomt.

Ze kijkt me even onderzoekend aan, maar ik zit hier niet voor een blind date. Ik werk. Ik beantwoord ijverig mails, vul mijn agenda met nieuwe afspraken, en bedenk nieuwe plannen om mijn nieuwe business als executive en life coach te boosten. Ook zij bestelt een koffie met groentenaroma – achterin worden nu wortelen in diverse kleuren versneden – en beschermd door haar winterjas gaat ze zo onopvallend mogelijk naar de deur zitten staren. Het is negen na iets. Ze geeft hem zes minuten, denk ik, en dan zal ze deze ochtend opbergen in het vakje teleurstellingen.

Mooie jonge mensen bestellen ondertussen een bord huisgemaakte granola, of vegen zachtjes de snor van warme chocolade van de lippen van hun geliefde. Ach. Het lukt me niet meer me te concentreren, en uit gewoonte kijk ik even naar de bezoekerscijfers van Bijgekleurd. Ze dalen. Ik probeer een dichtregel, en schrap hem weer. Niets lijkt nog te lukken. Misschien moet het volgende gebrek wel over de kunst van succesvol bloggen gaan, maar ik jaag die gedachte weg door even mijn ankerplaats voor positieve gevoelens aan te raken, net boven mijn linkerheup.

Dat moet ik misschien even voor u voordoen.

Roep een moment van gelukzaligheid bij u op. U kan dat best, sluit even de ogen, ga met uw aandacht naar binnen en roep dat moment op toen iemand de chocolade van uw lippen veegde, dat ene moment waarop uw leven perfect was en helemaal vervuld. Dwaal desnoods een beetje rond in uzelf, er is meer ruimte dan u denkt. Voelt u het? Doe dan een eenvoudige beweging op uw lichaam. Raak uw rechterpols aan, of uw hart, of draai eens met een ring, eender wat. Verbind het gevoel met de beweging. Oefen een paar keer. Klaar. Vanaf nu kan u de gelukzaligheid oproepen door de beweging te maken, ook en vooral wanneer het echte leven u weer eens tegenzit.

Het is nu zeventien na iets. De vrouw staat op, en vertrekt. Ze ziet er niet uit alsof ze alleen maar tegenslagen heeft gehad in haar leven, maar een meevaller lijkt ze nu wel te kunnen gebruiken. Dat zou ik kunnen zijn, denk ik. Daar zijn life coaches voor. Een vriendelijk knikje, oogcontact, een eenvoudige vraag, en dan oprechte bereidheid naar haar antwoord te luisteren.

Opnieuw tast ik naar mijn anker, want echt helpen deed het eerst niet, maar ik mis, en raak mijn blaas. Ik sta op, en terwijl ik plas, stel ik me voor hoe de vrouw daarbuiten op een gehaaste man botst. ‘Ben jij?’, ‘de metro stond stil’, ‘ik dacht dat je’, en ze dan terug binnengaan, en hun verlegen gelach de ruimte vult. Ik houd mijn handen lang onder de kraan, probeer de druppels in de straal elk apart te voelen.

Natuurlijk verloopt het zo niet. Wanneer ik terug binnenkom, maakt ook het chocoladekoppel aanstalten om te vertrekken. Ik zal alleen achterblijven, met een nieuwe koffie, wachtend op een volgend idee, een volgende kans. Terwijl hij afrekent, houdt het meisje haar hand op zijn billen. Het is een intiem gebaar, bezitterig noch seksueel. Ik kijk hoe ze met haar vingertoppen zachtjes putjes drukt in zijn jeans.

Handoplegging, denk ik. De simpelste manier om te zeggen dat alles goed komt, dat je intenties zuiver zijn, en dat je niet oordeelt. Ik herlees mijn tekst, en laat de vrouw van daarnet buiten struikelen over een loszittende tegel. Een man schiet haar ter hulp, legt zijn hand op haar arm. ‘Is alles ok?’

Ja, zo zou het wel kunnen gaan, de heling van de wereld. Met een simpele aanraking. In afwachting blaas ik mijn nieuwe koffie zachtjes koud. Pastinaak, nu.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Lenny Peeters

De pluche zag er zacht uit, als de kleinste veertjes die vogels soms verliezen, maar toen vader me de pantoffels aandeed en de konijnenoren mijn voeten raakten, gilde ik. Het was alsof vader in mijn nek kneep. Rillingen tot aan mijn vanachteren. Ik trok de pantoffels weer uit. Vader zei dat ik ze niet hoefde te dragen als ik niet wou, maar dat het wel jammer was, want dat hij ze goedkoop op de kop had kunnen tikken. Lees verder

Gebrek nr 2: De kunst van het ziek zijn

De voortekenen waren niet bijster goed.

De eerste dag van november struikelde ik bij het hardlopen. Over een opkrullend ijzer dat een keldergat in de Antwerpse Brederodestraat afdekt. Gekneusde rib, kapotte knie. Eigen fout natuurlijk, er was geen reden om zo dicht tegen de huizen te lopen. Het was een mooie herfstochtend en de plaatselijke burgeroorlog tussen Turken en Koerden was een avondevenement. Er was eigenlijk ook geen reden om door die straat te lopen, ik wou enkel weten of de bloemenwinkel open was. Ik had nog een graf te bezoeken, die dag.

Maar wij negeren de voortekenen, lachen de samenhang tussen de werelden weg, en wie zich richt op de energie van het universum vinden wij maar een rare kwiet. Bijgelovig. En toch. Ex diris hoorde wel niet tot het officiële takenpakket van de Romeinse augures, niezen en struikelen werden wel als belangwekkende signalen gezien.

Soit, de bloemenwinkel hield herfstvakantie. Mankend vervloekte ik de teloorgang van tradities, en lachte vervolgens mezelf uit. Zie me daar. Een oude mopperaar. Een zielepoot in een loopshirt van zijn ex-werkgever.

Ik sloeg me door die herdenkingsdag en de rest van de herfstvakantie, om dan, één voor één, al mijn naasten te zien uitvallen. Kent u dat? Het besef dat je karma tegenzit, dat elk ongemak een voorbode is voor de volgende ramp, dat er geen einde aan lijkt te komen? Op zo’n moment word je tot grote verantwoordelijkheden geroepen, je neemt alle taken over terwijl je de koorstige gram van iedereen trotseert.

’s Avonds, in de zetel, veroorloof je je dan een zucht. Het is labeur, en op het moment zelf krijg je er niets voor terug, maar het besef dat je nodig en nuttig bent maakt zo veel goed. Alleen, deze keer zuchtte ik niet. In plaats daarvan begon ik te klappertanden. En vervolgens te rillen. Dat werd even later beven. Oncontroleerbaar. Het is niet makkelijk om al bevend een Dafalgan forte uit een blister te drukken. Een glas water in te schenken. Terug naar de zetel te strompelen zonder over speelgoed te struikelen.

Twee uur later was de koortsaanval voorbij, en ging ik hoofdschuddend naar bed. Een goede nacht, en alles zou vergeten zijn. Daarvan was ik ook nog de volgende ochtend overtuigd. Mind over matter, door een mysterieuze koortsaanval zou ik me niet uit het lood laten slaan, en ik vertrok. Naar een cursus waarin me zou uitgelegd worden hoe ik magie zou kunnen bedrijven met belemmerende overtuigingen. Dat je gezond moet zijn om te presteren, bijvoorbeeld.

Halverwege de namiddag was ik weer thuis.

Tegen de avond bleef er van mijn branie niks meer over. Ik maakte een afspraak met de dokter en werd daarvan al bijzonder moe. Ok, één dag niets doen kon ik nog wel inpassen in mijn agenda. Boeken genoeg om te lezen, en er was wat administratie te doen.

Verder dan het beantwoorden van berichtjes als ‘Laat je verwennen! Netflix! Thee en gember!’ kwam ik niet die eerste dag. Ook niet de tweede. Op de derde werd iedereen stil, en daarna, twee bloedonderzoeken en een scan van de longen verder, liep ik verloren in de stad die ik blindelings ken. Had ik er de energie voor gehad, ik zou vloeken.

Ik kan dat niet, ziek zijn. Vertrouwen hebben dat het weer goed komt. Genieten van de time out. Mijn leed dragen met waardigheid. In plaats daarvan tel ik de verloren uren en dagen, die nooit meer in te halen zijn, panikeer ik over de oorzaak van al dat ongemak (die ene zeldzame ziekte, uitzonderlijk moet het wel zijn), en ben ik in ’t algemeen onuitstaanbaar voor mijn omgeving. Ziek zijn is een competentie die ik niet beheers.

Ergens in die dagen kon ik niet anders dan besluiten dat november mislukt was. Tot op de laatste dag. Toen sneeuwde het, stond de wereld een beetje stil, en werd weer mooi. Ach, dat universum en zijn samenhang.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Gebrek nr 1: De kunst van het alleen zijn

Dinsdagavond. Ik zit alleen aan mijn tafeltje en bestudeer de menukaart, een paar blaadjes vastgeklemd op een houten bordje. Schrijvers en filosofen hebben het me op het hart gedrukt: als je de kunst van het alleen zijn niet beheerst, dan ben je geen compleet mens, dan ben je niet af. Bedoelen ze dan dat ik ook een voorgerechtje moet nemen, om te bewijzen dat ik het kan, of volstaat een hoofdschotel?

Kortom, deze avond is een experiment.

Misschien overdrijf ik, maar in mijn binnenzak zit enkel een notitieboekje. De smartphone ligt thuis, en ik ben nerveuzer dan voor eender welke eerste date ooit. Hoe breek je het ijs met jezelf? Een gin tonic?

Ik bestel. Garnaalkroketten, en daarna rundstartaar op Italiaanse wijze. Een beetje comfortfood mag ik me wel veroorloven, vind ik. En spuitwater met een glas rode wijn. De ober neemt de menukaart weer mee, en daar zit ik dan. Niets in mijn handen, niets te doen. Iedereen is toch voortdurend alleen, denk ik. In de auto, onder de douche, aanschuivend bij de bakker. Hoe moeilijk kan het zijn. Loslaten, galmt door mijn hoofd, en ik vervloek mezelf – zo’n vreselijk woord op een eerste date.

Het is geen populair restaurant, toch niet op dinsdag. Wat verderop zit een tafel met vier luidruchtige vriendinnen de herwonnen vrijheid te vieren. Ze lijken opgelucht. Achter me een ouder koppel. En dat is het. Staren is ongepast, en een man alleen sowieso verdacht. In plaats van de vriendinnen bestudeer ik mijn onberispelijk verzorgde vingernagels. Daar vallen geen nieuwe voornemens over te maken. Ik merk dat mijn mond droog is. De ingeslikte woorden, allicht. En ik heb het warm, zweet breekt mij uit.

Daar zijn de garnaalkroketten. Met gefrituurde peterselie en een kunstig gesneden stukje citroen. De twee stuks zien er niet helemaal hetzelfde uit. Handgemaakt. Ik ontspan, mijn schouders zakken een beetje. Terwijl ik kauw zie ik hem. Er is nog een man. Helemaal alleen, net als ik. Hij was me niet opgevallen, zo weggecijferd ziet hij er uit.

Hij heeft een boek uit zijn tas gehaald. Die beweging heb ik gezien. Witte cover, foto van een zich concentrerende Chinese vrouw erop. Motor Control and Learning. Ondertitel: A behavioral emphasis. Ik heb geen idee waar het over zou kunnen gaan. Zelfrijdende auto’s? Artificiële intelligentie? Het boek is dik, groot en stevig, en de man koestert het alsof hij zich verheugt op zoveel wijsheid, allemaal nog op te doen, straks, wanneer de tijd er rijp voor is. Hij drinkt zijn koffie in één teug leeg, en vraagt de rekening.

Het kan dus, denk ik. Verdwijnen in jezelf zonder sporen na te laten, je energieveld als een warme deken rond je heen geslagen. Deze man is niet verward, zoals ik, heeft zichzelf niet aan zijn lot overgelaten. Het heeft misschien iets te maken met wachten. Dat moet je niet doen. Niet op de Italiaanse tartaar, niet op de komst van de ander, niet op je eigen inzichten. Ik denk ver-wachten en vraag me af of ik in gezelschap even flauw ben, maar dan zonder het te beseffen.

Als ik er nu echt zou zijn, met ruimte in mezelf voor het hier en nu, niet denkend, open en toegankelijk, dan zou ik de titel van dat boek al uit mijn hoofd kennen.

Ik sluit mijn ogen.

Van de cover zie ik alleen de witte vlek.

Verdomme. Ik neem mijn notitieboekje en kribbel de titel neer. Mijn avond is mislukt.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Naschrift

Motor control and learning blijkt het standaardwerk te zijn over hoe het brein de spieren leert aansturen.  En is zo de naadloze brug tussen deze nieuwe reeks in Bijgekleurd en Vosje, dat zalige godenkind. Want dat is wat hij voltijds doet. Leren hoe hij al die stukjes Vosje samen kan laten werken.

Hij stapt alvast als de beste, ondertussen. En vallen kan hij ook.

Maar dat is een verhaal voor de volgende Vosjespapa.

Edward St. Aubyn

Exact één jaar mag een staat van genade duren. Daarna slaat de werkelijkheid toe. Onverbiddelijk.

In Vosjes geval kwam ze in de vorm van een gevecht, de dag na zijn eerste verjaardag. Tegenstrever: een meisje, één maand ouder. Inzet: een speelgoedje. Resultaat: een gezwollen wang, en een blauwe plek onder de kin. De nederlaag was compleet.

U leest het goed. Vosje, dat prachtige, schitterende, in alle opzichten superieure wezen, heeft het moeten afleggen in zijn eerste echte gevecht. Volgens de medewerkster van de crèche heeft hij zichzelf niet eens verdedigd. Het ontbreekt hem, aldus die medewerkster, aan assertiviteit.

Nu al. Daar zijn we even stil van.

Stel dat het andersom zou zijn geweest, zeg ik tegen zijn verontruste moeder. Stel dat hij als een bulldozer te keer zou gaan, onschuldige meisjes zou molesteren en anderszins van een overmatige geldingsdrang blijk geven, zou dat niet veel erger zijn? De jongen wil gewoon niet dat de wereld pijn heeft! Hij is nog altijd perfect!

Ze schudt haar hoofd.

De wereld is niet veilig, zegt ze. Met woorden alleen red je het niet. Er zijn grenzen af te bakenen, posities in te nemen, je moet vermijden dat je een slachtoffer wordt. Ik wil niet dat Vosje straks gepest wordt, dat hij door de bullebakken van de speelplaats als boksbal wordt gebruikt. Of uitgelachen omdat een klasgenoot op het web heeft ontdekt dat hij zich als baby niet kon verweren. Schrijf er niet over! Hij moet rechtstaan, de borst vooruit en met priemende blik. En pootje lap als het echt nodig is.

Ik kan haar niet tegenspreken. ’s Avonds, wanneer de jongen in zijn dromen draken temt, word ik rusteloos, en schrap en onschrap deze tekst telkens opnieuw. Zelf heb ik nooit gevochten – ik maakte toch geen schijn van kans, maar ergens onderweg ben ik, poef!, toch veranderd in een wereldwijze klootzak. Wanneer het moment daar om vraagt, natuurlijk.

Wat draagt het meeste bij tot geluk? Streven naar een betere wereld? Of streven naar een betere plek in de wereld? Het lijkt alsof ik, ijsberend door de huiskamer en met een voortdurend leeg glas, de politiek opnieuw uitvind, de wereld met een zweepslag in twee deel. Ha!

Het gaat niet om de wereld, zegt de moeder van Vosje. De wereld is te groot. Het gaat om Vosje. Ik wil niet dat hij gekwetst wordt. Punt. Dat willen toch alle moeders? Waarom snappen vaders dat nooit? Mijn kind zal gelukkig zijn.

Ze windt zich op, wordt woedend en jaloers op het kleine meisje dat haar zoon zo heeft toegetakeld, en ik voel de afkeer voor mijn naïeve vredeswens. En ga zitten, zegt ze, je maakt me nerveus met al dat gedruis.

Goh, zucht ik, en staar dan zwijgend voor me uit, het lege glas in één hand, de andere op de vele centimeters dikke The Patrick Melrose Novels. 

Mind you, I don’t know why people get so fixated on happiness, which always eludes them, when there are so many other invigorating experiences available, like rage, jealousy, disgust, and so forth.

Edward St. Aubyn, Some Hope

De volgende ochtend is Vosje weer vrolijk als altijd, en hij bladert in één van zijn eerste boekjes. Ik kijk hem aan en vraag me af wat ik kan doen om hem zijn plaats te laten vinden in wereld, zonder wrok of haat.

Zou hij daar uit groeien? Vosjes moeder kijkt me fronsend aan.

Natuurlijk, zeg ik. Het gaat niet lang meer duren of hij leest echte boeken, in plaats van die kleine met één prent per pagina.. Het zou fijn zijn als hij dichter wordt.

Haar ogen bliksemen me neer.