Gebrek nr 11: de kunst van het reizen

Daar stonden we. Op het verkeerde uur, de verkeerde plek, de vrouw die de sleutel had van de Romaanse kapel was nergens te bekennen, en stiekem waren we daar blij om. We hadden haar nooit iets kunnen vragen, de reisgids – meer dan duizend pagina’s over het zuiden van Toscane – was in het Frans, de dorpsbewoners spraken enkel Italiaans. 

We geloofden er nochtans echt in, in dat tandeloos ontdekkingsreizen naar een andere plek en een andere tijd, met een donkergroen Golfje waarvan de aanschaf ons diep in de schulden had gestort. Wat was ons verlangen om weg te zijn groot, wanneer we niet reisden keken we vooruit. Alles maar niet hier, niet nu.

Later probeerden we wat anders. We flaneerden door een zomers verlaten nu, proevend van vreemdgekleurde dorpen, of legden onze kleren af in een met haringen diep geworteld hier, klauwend in de aarde. Het was vakantie, het was compensatie, dat allemaal wel, maar reizen? Nee, dat wilde niet lukken.

Daarna dwaalde ik alleen door Parijs, Londen, Amsterdam of Rome – derde straat links, tweede rechts – en hoe vriendelijk ik ook knikte en oogcontact zocht, die blikopenende ervaring die me door echte reizigers werd beloofd, heb ik nooit gevonden.

Ja. Een heerlijk diner in Rome, bij het restaurant van een neef van de Italiaanse collega die ons ontving – ik herinner me de grappa uit de geheime kast, verfijnder dan een goede single malt whisky.

Tequila en zeevruchten in Newport, USA, starend naar een oudere vrouw die een kreeft onaangeroerd terugstuurde. Te groot. Niet te hanteren. Pannenkoeken met maple syrup in St-Hyacinthe, Quebec, en de onhandige flirt met die andere consultant in residence.

Vandaag dwaal ik door mijn gesloten stad – vierde rechts, eerste links, derde rechts, tweede links – en het daagt me. Het zijn de nadrukkelijk gesloten restaurants, de overvolle bankjes in de novemberzon, de gemaskerde bubbels, de zelfverklaard knappe meisjes die hun liefjes smeken om nog een foto, de laatste, op de trap van dat gesloten monument, de belofte van straks … de stad die stad blijft, ondanks alles. 

De met tape gebarsten ramen waar een vlag dient als gordijn, de deuren met een oneindige belreeks, de gevel van het grand café in aanbouw waar in afwachting alvast altijd dezelfde daklozen drinken, het achterlijke jongetje dat luid roept op het ongeschoren gras van de speeltuin, de commerces à remettre.

De Luxemburgse bankier die de duizend bladzijden over het zuiden van Toscane schreef – mijn exemplaar is ergens verloren gegaan, maar tweedehands vind je het nog wel, het is de beste reisgids die je ooit zal hebben – moet het in zijn Toscaanse dorpen hebben gevonden: het gevoel thuis te zijn.

Gereisd te hebben, en dan: aankomen.

Wanneer ik de sleutel in het slot van mijn voordeur draai, binnenga, mijn masker afleg, begin ik toch te twijfelen. Hoe zit dat nu, als ik niet kan reizen, als ik geen afstand kan nemen om verbinding te maken, als ik niet kan aankomen en kiezen voor nabijheid, hoe kan ik dan ooit thuis zijn?

A hole in your soul where the wind blows through

Brian Dillon

Vosje zit met één knie op tafel, de tenen van zijn andere been gestrekt tot net niet de stoel waarop hij verondersteld wordt te zitten. Hij buigt voorover, de frons in zijn voorhoofd onzichtbaar voor ons. Het is zijn zesde puzzel deze zondagochtend. Een moeilijke, want 5+ en dat is hij nog niet, toch? Acht wil hij er maken, zo kondigde hij tijdens het ontbijt vastbesloten aan. We hebben ze achterin de kasten moeten zoeken, dergelijke puzzelmanie is zelden.

Ja, zucht hij vol contentement, wanneer hij het laatste stukje op zijn plaats legt. Toen ik drie jaar was is broertje al eens een keer dood geweest, hé (*). Het is niet eens een vraag. Mag ik een snoepje?

Ja, zeggen we tegelijk, niet goed wetend op welke zin we nu precies een antwoord formuleren.

Ik buig me over Raketman, het broertje in kwestie, we spelen één van zijn favoriete spelletjes. Hij glimlacht, ik lach terug, hij lacht wat breder, ik lach luidop, hij volgt, zijn ogen schateren mee, ons gelach krult omhoog door de kamer, vult elk gaatje dat pijn die dag, die week, dit leven al heeft gemaakt en mogelijk nog zal maken. Tot hij de hik krijgt.

Vosje, een kersenlolly in de mond, draait de stukjes van zijn zevende puzzel om, hoofdpersoon is Takel, de sullige, grappigste en liefste oom uit de Cars familie. Hij lacht een beetje mee.

‘For me, it is this smile – deriding the having and the not having, the pleasure and the pain, the sublimity and suffering of the human situation – that is the essence of humour.’ [..] The laugh of laughs, the risus purus, the laugh laughing at the laugh: a lucid, melancholy, consoling laughter, which is all we have at the last.

Brian Dillon, Suppose a sentence, citeert Simon Critchley, On Humour in een essay over een zin van Samuel Beckett.

Nee, zeggen we wanneer de laatste schater zich aan de gordijnen heeft vastgehaakt, vastbesloten daar te blijven, broertje is niet dood geweest. Hij bewoog niet meer, en wij waren in paniek, en plots waren er dokters en ambulances en jij moest je verstoppen, en toen was mama weg, en broertje ook. Het is ondertussen meer dan vier maanden geleden, en we vragen ons af wat Vosje nog allemaal meedraagt uit die moeilijke weken, en hoe zeker hij zichzelf durft te voelen: dat wat goed is – Cars, kersenlolly’s, genoeg puzzels om de hele tafel te vullen, mama en papa en broertje, zondagochtenden en lachen en gek doen – hoe zeker hij mag zijn dat het altijd zo zal blijven, en hoeveel zekerheid wij hem daarover toewensen.

Ja, zegt Vosje, nu is hij terug levend. Oef.

En van dit moment van onoplettendheid, waarin alles zou kunnen gebeuren, waarin de wereld zou kunnen verdwijnen in een wormgat of zich onverhoeds opmaken voor een replay van de big bang, profiteert Raketman om zich voor de allereerste keer van zijn rug op zijn buik te draaien. We hebben het niet gezien, we hebben deze mijlpaal gemist, maar we horen het, de rechterarm wil nog niet mee, frustratie maakt veel lawaai, dat doet het altijd.

Oh! roepen we allemaal tegelijk, verbaasd en opgelucht, iemand raapt Raketman op, een ander pakt Vosje in de armen en samen dansen en zingen we wat de radio ons op dat moment aan verlossing biedt.

Achteraf, iemand ververst een pamper, een ander proeft de patatjes voor en Vosje kijkt stil voor zich uit, een puzzelstukje in de hand, wenst niemand van ons zich iets anders toe.

(*) Vosje verwijst naar de ziekenhuisopname van Raketman, in zijn allereerste levensweek. Dat verhaal vindt u hier.

Gebrek nr 10: de kunst van een groots leven

Het regent.

Het weerbericht als binnenkomer is ouderwets, ik weet het. Maar excuus, het regent echt hard op deze doordeweekse dag en het schrijven aan mijn roman stelt me voor grote problemen.

Zoals. Mijn mannelijk hoofdpersonage krijgt het in zijn hoofd om een tattoo te laten plaatsen. Op een pijnlijke plek bovendien, zo schijnt het, waar tussen vel en bot maar weinig vlees zit.

En dan vraag ik me af, terwijl ik door het raam naar die neergutsende regen sta te kijken, moet ik dan ook geen tattoo? Hoe kan ik me anders inleven? Een man met een tattoo is ten minste bereikbaar, wat ik van mijn andere personages – een vrouw, een wanstaltig dikke man, een Franse Hugenoot, een Zwitsers architect – niet kan zeggen.

En ik zucht en ik heb honger en er is geen eten in huis, en ik weet het, de woorden wanstaltig en dik zijn samen fatshaming en dat Frans en Zwitsers gedoe neigt naar cultural appropriation – blijkbaar ben ik zelfs daarin te laf om het wat verder te zoeken, en het regent echt veel te hard om buiten een broodje te halen. En dan zwijg ik nog over de vrouw, die het zelfs in deze summiere opsomming zonder adjectief moet stellen, mysogien als ik ben.

Een witte oude man die wanhopig probeert een witte oude mannen roman te schrijven.

Op jonge leeftijd heb ik het al eens verpest door een baan in de informatica te verkiezen boven mijn literaire ambities. Er was nochtans een manuscript met een koekoeksklok en een man in een trein – verder weet ik alleen nog dat het erg goed was, en sindsdien spoorloos.

Maar later, veel later, verbrandde ik al mijn bruggen, nam een grote hap stadslucht, en zette me in de startblokken voor een alsnog groots leven. Hemingway. Carson McCullers. Leonard Ilya Pfeiffer desnoods. Seks! Drugs! Rock ‘n’ Roll! Een hoestbui. En ik hoor niet zo goed, dus dat startschot heb ik gemist.

Ik bleef maar kijken, naar de gevels en de winkeletalages, Perfecta Werkkledij staat er, nog nooit heb ik er iemand zien binnengaan. Volgens Google heet de winkel voluit Dewever-Perfecta, en ik lach om die naam en de associaties met een Vlaams politicus en nomen est omen, en in plaats van over die tattoo na te denken weet ik nu zeker dat deze etalage met zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden koksuniformen en verplegersschorten een plaats moeten krijgen in mijn boek.

Sweet Bird van Herbie Hancock staat op, een en al nuance en subtiele verwijzigingen naar Joni Mitchell. Mijn brein doet zijn best om het ritme te laten rijmen met het zachte tikken van de regen tegen het raam, het is niet eens een fatsoenlijke storm.

Waar ik ook ben, van elk nadeel zie ik het voordeel en in sombere momenten van elk voordeel het nadeel. Ik heb geen talent voor mythes, denk ik dan. Ik houd van het kleine. Van dat ene gesprek. Van een baby in mijn armen. Van een zachte, gefluisterde aanraking.

En ook: ik houd niet van pijn.

Ik haal toch maar een broodje, bij La Sardine du Marseillais, veruit de beste broodjeszaak van Brussel, en de meisjes daar hebben allemaal tattoo’s. Ik kijk straks wel even op Pinterest. Er is ongetwijfeld een gek die precies de tattoo heeft die mijn hoofdpersonage zo graag wil.

Bart Moeyaert

Zo snel dus.

Bijna niets was er nodig om van Vosjes vrije monopolistisch ik een gebonden complotterend wij te maken.

Al waren we een beetje naïef, in het begin. Vosje, zeiden we, hier is Raketman, je broer. Let een beetje op hem, hij is nog klein en kwetsbaar. En o ja, hij blijft zo’n jaar of twintig.

En tegen Raketman zeiden we, hier is Vosje, een beetje een gekke jongen, maar wel lief. Luister maar naar hem, zo gauw je ons niet meer gelooft. Waarop Vosje een gek dansje inzette en zijn tong plagend uitstak naar Raketman, die vriendelijk terug lachte, alsof hij het allemaal begreep.

Maar zodra we onze rug keerden, tevreden over onze opvoedkundige aanpak, versomberde Vosje en weende Raketman, zonder dat we een verband tussen de twee fenomenen konden vaststellen. Dat wenen, tot daar aan toe, dat hoorde bij ons verwachtingspatroon, krampjes, reflux, groeisprongetjes, een baby heeft het druk.

Het somberen daarentegen, dat werd besmettelijk. Vosje hield er – af en toe, middenin de afdaling van een glijbaan bijvoorbeeld, of vlak voor het einde van een verhaal, mee op een lieve jongen te zijn. Dan zei hij gemene dingen, klakte onuitstaanbaar met zijn tong en gooide dingen kapot.

Hij was niet boos, beantwoordde hij onze frons, hield zielsveel van Raketman, duim omhoog, ik ga hem een knuffel geven, we hoefden niet aan te dringen. Hij schoof er zijn eten onaangeroerd voor opzij, waarop wij wel de stem verhieven. Boem! Paukeslag! Daar ligt alles plat!

We straften en zalfden, legden uit en legden op, niets drong door. Voortaan golden tussen hen de wetmatigheden van een gemeenschap, zeiden we, ze waren een wij, dat zagen wij zo duidelijk tussen de haren door die we ons uit het hoofd trokken, een echte wij, anders dan wij twee als ouders, een sterkere wij, dat gaven we ‘s nachts schoorvoetend toe, een nest wij, waarom was Vosje niet uitzinnig van vreugde?

Twee was net niet genoeg voor veel, misschien was het een zwakke wij, zelf heb ik meer broers, en we zuchtten bij de taak die ons mogelijks nog restte, want hoe meer hoe gelukkiger, dat had ik bij Bart Moeyaert gelezen.

Als het bijna te laat was, als ik bijna gestikt was, als ik het bijna in mijn broek deed van angst, kwamen mijn broers me redden van de duisternis. Ze stormden schreeuwend de kamer binnen, sprongen bovenop me, duwden en trokken aan elkaar en aan mij, tot ik als een baby uit een buik bij het hoofdeind tevoorschijn kwam en naar adem hapte.

Hij leeft nog’, zei er dan altijd wel een broer, die daarmee verklaarde waarom ik van oor tot oor lachte.

Bart Moeyaert, Broere

Bij twee werkte dat allicht anders, hadden de oude Grieken met hun dualis nog gelijk, twee was zeker niet veel, nee, en hadden die Grieken ook niet een vreemde vorm ergens tussen passief en actief in, de medialis was dat, die gemaakt leek om de haat liefde verhouding tussen Vosje en zijn broer te beschrijven?

Tussen ons getob door viel het wenen van Raketman haast ongemerkt stil, en maakte plaats voor vrolijk baby gekir zodra de stem van Vosje door het huis schalde. Scabreuze liedjes, wat wil je na een weekje circuskamp, vol poep en pis, maar Vosje had weer plezier en vroeg om een extra portie spinazie.

Dat hij nu wel boos was, zei hij met de mond vol. We leunden achterover, klaar voor de volgende ronde. Op papa, preciseerde hij met de hand aan de wang tegen Raketman, jij staat hier buiten. Op jou ben ik niet boos.

We keken elkaar allemaal even aan, stopten de tijd, en denken nog steeds dat die knipoog naar niemand in het bijzonder en het universum in het algemeen, hem weer in gang zette.

John Locke

Het is middenin de nacht, en ik buig me over Raketman.

We twijfelen allebei of dit wel het moment is om wakker te zijn, maar als ouder neem ik mijn verantwoordelijkheid, sper mijn ogen wijd open en ga aan het werk. Ik mis nog wat routine, zijn piemeltje slingert even onbewaakt rond. Shit. Al is het maar een waterig plasje, zo kan hij niet terug naar bed.

Meer licht, een stuk chocola. De nieuwe pyjama heeft meer drukknoppen dan ik ‘s nachts in één keer correct kan verbinden. En het helpt niet dat zijn ledematen ondertussen alle kanten uitzwiepen.

We zijn klaar en ik ga nog even zitten, Raketman op mijn arm. Hij ademt trefzeker, maar helemaal vertrouwen doe ik het nog niet. Ik zet WBGO op, huis van klassieke jazz en dat heerlijke New Yorkse accent, de nacht is de tijd om ver te reizen. Ik wieg de jongen, hij zucht zachtjes.

Met één hand zoek ik naar een forum met klachten over baby-drukknop-pyjama’s, ik heb troost nodig bij mijn onhandigheid, die misschien ook gewoon vermoeidheid is. Ik dwaal af, en wat ik vind treft me onaangenaam, de bevrijding van de ledematen uit het bakerdoek was een ideologische kwestie.

Ik had het kunnen weten. Alles is politiek.

Een ingebakerd geval miste de vrijheid om zich te ontwikkelen. Dixit John Locke, de oervader van het liberalisme. De bakeraars waren dan weer van mening dat losse ledematen zonder strenge geleiding nooit zouden samenwerken.

WBGO draait Joni Mitchell, en dat is meer dan ik nu kan verdragen, ik vecht tegen tranen die ik liever niet verklaar. Slavernij dus versus losbandigheid. Terwijl het enige wat ik wil weten – waar is dat forum? – is hoe je zo’n jongen probleemloos in leven houdt, en hoe je daar zeker van kan zijn, ook wanneer je slaapt.

Misschien moeten we Raketman ook maar weer eens bakeren. Vroedvrouwen prijzen dat heden ten dage aan als remedie tegen rusteloosheid, het biedt geborgenheid en zekerheid, en dat is net wat ik heel goed kan gebruiken.

Morgen wordt hij een maand. We plannen een groot feest, zijn mama, Vosje en ik. Dat we al zover zijn. Dat we al de regels die we kenden hebben gevolgd, en er zelf nog flink wat bij hebben verzonnen, want dan komt alles goed. Raketman, het leven, de wereld, en we hoeven niet eens te weten wat goed dan mag betekenen.

Het wordt een slaapfeestje, denk ik. Dit waken hou ik geen leven vol, ik weet het. Overdag val ik om van vermoeidheid, in mijn dromen gaat alles mis, stuitert Raketman van de trappen en spoelen nieuwe golven Corona het laatste houvast weg.

Maar nu, even, deze nacht, is alles goed. Morgen, alweer wat gegroeid en gerijpt, zal Raketman tegen me lachen, blij dat hij me ziet.

Insgelijks, zal ik fluisteren. Met tranen in mijn ogen.

Raketman

tekening door Ema Tudose, http://www.ematudose.org

Maandag, 25 mei

Alles hier is nieuw.

Het bed waarin mijn partner slaapt, de zetel waarin ik heb gedut, de stoel waarop ik nu zit, de baby die in mijn armen slaapt.

Raketman, zo zal ik hem hier noemen. Een jongen die ver zal reizen, we hebben grote en naïeve verwachtingen voor hem, zoals alle ouders.

Hij slaapt. Dat doet hij erg veel, maar dat is ok, voorlopig gaan we nergens heen, en het geeft me de kans om hem goed te bekijken. Het is een mooie jongen. Ik weet nog niet dat ik minder dan een week later, in een andere stoel, op een andere plek in hetzelfde gebouwencomplex, opnieuw naar hem zal kijken.

Nu geniet ik. Alles is rustig. De bevalling was een heerlijke gebeurtenis (pijnlijk en met bloed en verrassende wendingen, zoals dat gaat, maar toch ook heerlijk, zegt mijn partner), nog een dag en we mogen naar huis en ik kijk rond me, de wereld aan onze voeten. De twee helften van de gordijnen in de kamer zijn niet even lang. Een klein foutje, ik lach er even mee, misschien heeft een ziekenhuis daar redenen voor, of was de stof op, we liggen aan het eind van de gang.

Ik hou van kleine fouten, van een beetje morsig leven, van kraken en kreunen. De jongen in mijn armen is een beetje geblutst tijdens de geboorte, hij heeft een waterbuiltje omdat hij even, vlak voor het ultieme moment, aarzelde om ter wereld te komen. Ik druk er een kusje op.

Ik sluit mijn ogen, concentreer me op mijn ademhaling en hoe die van Raketman daarop reageert, hoe we samen zijn, in volle beweging en volmaakte rust.

Zaterdag, 30 mei

Vijf dagen later wandel ik met een zak vol spullen naar de ingang van het ziekenhuis. Het zijn nog steeds Corona tijden, en ik geef ze af aan een bewakingsagent, die het kinderziekenhuis belt, en dan moeten we hopen dat alles ter plekke komt.

Raketman is hier terug, samen met zijn mama. Ergens in zijn slaap hield hij er even mee op. We weten niet met wat precies, hij reageerde minuten nergens op en wij panikeerden en daarna waren er dokters en een ambulance en nu zijn we hier. Ik mag er nog niet bij, de jongen moet eerst worden getest op Covid-19.

Het is een zomerse zaterdagavond, ik heb vertrouwen in de bewakingsagent en wandel buitenom naar het kinderziekenhuis. Ze hebben een kamer op het gelijkvloers, mijn ambitie is beperkt maar vastberaden: ik zal zwaaien voor het raam, kijken hoe de draadjes van de sensoren vrolijk tussen zijn benen bengelen.

De weg is hobbelig, aan elk groot ziekenhuis wordt permanent verbouwd, alsof het zelf een patiënt is waarop steeds nieuwe behandelingen worden getest. Ik slalom tussen twee werfzones door naar de achterzijde van het ziekenhuis. Een grasveld, een kapotte picknicktafel.

Ze zien er gelukkig uit, achter dat raam, Raketman en zijn mama. Dat is omdat ik ze niet hoor, weet ik, en de zon tranen doet verdampen. Op de weg terug naar de parking passeer ik een eenzame auto, ramen open. Op de achterbank koesteren twee mensen een geheime liefde. Het komt goed, fluister ik tegen mezelf. Alles komt goed.

Zondag, 31 mei, ochtend

Vosje fietst.

Zonder zijwieltjes, hij heeft van de lockdown geprofiteerd om een aantal grenzen te verleggen. Groentjes eten, bijvoorbeeld. En fietsen zonder zijwieltjes dus. We zijn op weg naar een speeltuintje met een deathride, daar heeft hij nog nooit op gedurfd, maar straks wel.

Het is zomer en alles is rustig en perfect, en ik hou een beetje van krakend leven, ik weet het, maar Raketman met zijn mama in het ziekenhuis, nee, zo bedoelde ik het niet.

De nacht bracht geen nieuws, straks ben ik bij hen, ik kijk hoe Vosje van me wegfietst en op de hoek van de straat zijn remmen dichttrekt, voeten op de grond.

Zondag 31 mei, namiddag

Het kamertje in het kinderziekenhuis moet op deze zomerse Pinksterdag één van de stilste plekken zijn in België. Er zijn geen zieke kinderen meer, het tandheelkundig instituut verderop is gesloten, het grasveld met de kapotte picknickbank is leeg.

Al wat ik hoor is de ademhaling van mijn partner die even probeert te dutten, en af en toe een beepje van de monitor, die last heeft van een systeemfout.

Raketman leunt tegen mijn opgetrokken bovenbenen, hij heeft net gegeten. Ik kijk naar hem, in het besef dat dit het kan zijn, in het allerslechtste geval houdt hij er straks nog eens een keer mee op. Definitief.

Hij trekt zijn rechterwenkbrauw hoog op in een tevergeefse poging alvast dat oog open te krijgen. Ik streel hem over de buik, net onder het stompje van de navelstreng en tussen de draadjes door. Hij boert een onderdrukt hikje op. Even opent hij zijn ogen. Blauw, voorlopig, zo’n baby is niet af wanneer hij geboren wordt.

We onderhandelen in stilte, maar hij wil niets toezeggen, ik smeek hem niet weg te gaan, beloof hem tegen beter weten in een fijn leven in de best mogelijke van alle werelden, beperk me dan tot wat ik wel kan beloven: ik zal je graag zien, jongen.

Hij valt weer in slaap.

Dinsdag, 2 juni

Kinderen wenen, mama’s voeren lange gesprekken in de gang, het kinderziekenhuis trekt zich weer op gang. Vandaag nog de technische testen, en dan zit de periode van observatie er op.

Raketman zit weer boven zijn geboortegewicht. Het heeft hem deugd gedaan, deze dagen. Eten, slapen, dicht bij zijn mama zijn. Er lijkt niets mis met hem, hij glimlacht me zelfs even toe.

Straks gaan we naar huis.

Dat zeggen we tegen mekaar. En alles komt goed, dat zeggen we ook.

Het is ons in de loop van het weekend al duidelijk gemaakt. We gaan nooit weten wat er precies gebeurd is, zaterdag. Wat de ernst ervan was, de kans op herhaling, wat we kunnen doen om het te voorkomen.

Het leven is morsig, zeggen ze ons ’s avonds, wanneer ook de technische testen geen aanwijzingen opleveren. Het kraakt en het kreunt, en dat is voor baby’s nog meer zo. Ze zijn niet af. Hij is nu bijna dubbel zo oud als toen hij hier binnenkwam, het is niet meer dezelfde jongen.

Wij ook niet, denk ik. We zijn bezorgder, dat zeker, en terug in de auto, onderweg naar huis, zeggen we: laat ons dankbaar zijn, dankbaarder dan we ooit zijn geweest, en trots.

Op Raketman, op onszelf, op Vosje die voor het eerst in zijn leven even plaats moest ruimen.

Maar dankbaar, toch vooral dat.

Joh 1,1

Het is maandagvoormiddag, de zon schijnt en we spelen knuffeltjestijd in de tuin: elk op onze plek doen we alsof we slapen, wekkeren ‘ting ting’ en dan komt hij aangelopen. Springt op mijn rug, hangt als een aapje rond mijn nek, kwistig met knuffels en zoentjes.

Het is één van Vosje’s favoriete spelletjes.

Bij voorkeur met mama, maar die thuiswerkt boven, de laatste keer voor ze zich helemaal zal wijden aan de komst van Vosje’s broertje.

Op de momenten dat we slapen overloop ik in mijn hoofd een eindeloze takenlijst. Er is werk, en nestdrang, en een huishouden, en een boek, vrienden die wachten op een antwoord, een website die maar niet af raakt – In den beginne was het woord, mezelf in één bijbelcitaat gevat.

Ting ting en ik dwing mezelf om helemaal klaar te zijn voor het moment dat hij op mijn rug landt. Mijn lichaam klaar voor de schok, mijn lippen getuit voor een zoentje, mijn geest leeg, mijn hart bij hem. Dat is nodig. Hij voelt het feilloos aan wanneer ik er eigenlijk niet ben, ontsnap naar plekken waar hij nog niet bijkan. Ik moet nog groeien, zegt hij dan.

Maar ik ben het natuurlijk die moet groeien.

Terwijl we weer slapen, kijk ik toch naar de binnenkomende berichten – het is haast tijd voor de dagelijkse cijfers – en verbaas me over een nieuwsbrief van restaurant Les Moraimières. Ben ik daar ooit geweest? Twee Michelin sterren, aan de oevers van het Lac du Bourget in de Jura.

Ting ting. Vosje was er toen al, denk ik, we waren te gast bij vrienden, of nee, van Vosje was toen nog geen sprake, het was allemaal pril en we deden ons best, in één van de beste restaurants van de streek.

Terwijl hij weer naar zijn slaapplek huppelt, glinstert het zolderraam. Mama heeft het warm, daarboven. En een beetje benauwd, een kind baren is een hele onderneming. Ze bereidt zich voor, ze ademt en mediteert, ze oefent spieren en vooral, ze praat erover, met actieve werkwoorden en positieve naamwoorden. Ik luister graag, en spreek ondertussen een aardig woordje moeder en kind vriendelijk jargon mee. Sensaties in plaats van pijn, golven in plaats van weeën, die hele traditie van mannelijk gynaecologengedrag en terminologie mag de deur uit.

In den beginne was het woord.

Joh, 1.1

Les Moraimières biedt jarret de veau braisé aan, en daar heb ik wel zin in, meer zin nog heb ik om Vosje en mama en het nog ongeboren kind in de auto te laden en 580 km te rijden om het af te halen. Gewoon omdat het kan. Er zit een groententaartje bij de schenkel.

Het was er heerlijk toeven destijds, meen ik me te herinneren, een perfecte avond, met de wereld aan onze voeten. Veel schuimpjes, dat wel.

Ting ting, maar Vosje slentert naar binnen, het is goed geweest met de knuffeltjestijd. Hij wil op pad. Wandelen.

We moeten groeien, hij en ik, en dus leid ik hem vandaag op een ander pad. Gewoontes slijten zo snel in. We hebben alle tijd, want rijden gaan we uiteraard niet doen, hij wil op alle min of meer bereikbare tuinmuurtjes stappen en ik laat hem. Hij dartelt.

Achter een hoge heg speelt een oude man jeu de boules. Alleen.

Vosje doet alsof hij niet alleen van een muurtje af durft. Ik weet wat hij wil, pak hem vast, geef hem een knuffel en zet hem weer op de grond. Locked down.

 

 

 

Judith Schalansky

Ik had er, eerlijk gezegd, meer van verwacht.

Voor het eerst in weken rijd ik over een snelweg, met plek en ruimte om het gaspedaal even diep in te drukken.

Het doet me niets.

Ja, ik word even in de zetel gedrukt, de motor brult verontrustend – allemaal netjes zoals het hoort.

Verlies van smaak en geur is vaak het eerste – en enige symptoom. Zou dat ook het verlies van andere sensaties inhouden? Een hand in je hand. Een bleke maan, nog voor de schemering. De stem van Tracey Thorn.

Vosje zit achterin, Vosjes mama naast me. Hij eet een cakeje, zij een energiereep, reizen kost energie, dat waren we vergeten, dat elke verplaatsing een inspanning van lichaam en geest vragen, hoe comfortabel je ook niets zit te doen.

Ik zoek de afslag die deze gezinsuitstap moet legitimeren.

Voor de nog ongeboren baby doen we alles, en we zijn op weg naar de ontwerpster van het geboortekaartje. De wereld mag dan virtueel zijn, een drukproef wil je ronddraaien in je handen, elk adres moet handgeschreven op de envelop, de postzegel met zorg gekleefd.

Na gedane zaken staan we nog even stil. Vosjes’s mama heeft vanuit het open raampje dank je wel’s naar de ontwerpster gezwaaid. Het eerste berkenstuifmeel waait naar binnen. Ik nies. Vosje wil niet naar huis. Hij wil verder, op vakantie, een blauw huisje aan de zee, zand en golven en ijsjes, een verlaten eiland, en als dat niet kan wil hij naar Brussel.

Nooit geweten dat ik het zo eens kon zijn met een driejarige.

Ik rijd binnendoor terug, de korrelige landwegen afgezoomd met eenzame fietsers en lopers, en een hondje af en toe. Het slordige asfalt lijkt al te smelten bij het horen van het eerste zomerse weerbericht van het jaar.

Alles komt goed.

No one is allowed to settle here, so the personnel at the research station changes constantly. Some of the men stay for only a few months, but most for a year and a half. There is no boat. Where would they take it?

His (the district chief of the 48th mission) office is the only room without pin-ups on the wall. There is a register of births, marriages and deaths on his desk. Empty columns show that no one has married or had a child here yet.

Judith Schalansky, Pocket atlas of remote islands, Amsterdam Island

 

 

Kirsty Logan

Vosje ligt languit in bad, gezicht naar beneden. Hij pruttelt belletjes. Voor een sterretje is het bad te klein, en ook drijven op een plank lukt hier niet. De zwemles behoort normaal tot mijn takenpakket, dus is het logisch dat ik de badsurveillance er nu even bijneem.

Veel valt weg, maar minder lijkt het niet te worden.

Het is lente, en de wereld mag nog zoveel moeite doen om knarsetandend tot stilstand te komen, hier in huis groeit veel. Een boek in mijn hoofd en op papier, een baby in de buik van Vosje’s mama.

Dat boek hoef ik hem niet uit te leggen. Tijdens zijn spel verzint hij de waanzinnigste plots, straks goed voor een lange reeks succesromans die hij alvast ondertekent met de sissende X van Netflix.  

De baby is wat lastiger. Wanneer die na het vallen van de avond een bult duwt in mama’s buik spreekt hij hem vermanend toe. Je moet slapen wanneer het donker is, en dat stoute baby’s door de politie mee mogen worden genomen. Lieve baby’s niet, vertrouwt hij ons daarna nog toe, wanneer alles weer kalm is. En hij geeft mama’s buik een kusje. Zo schattig.

Hij heeft geen idee van wat hem te wachten staat.

Soon Jamie will scream himself unconscious and the soup will get eaten and Jamie will wake up screaming and Sabrina will hold him all night, every way she can think, trying everything even though she’s tried it all a hundred times. She shouldn’t give him a spoon of whisky, she really shouldn’t. But he won’t take her milk, he won’t take her comfort. What else does she have to give him?

Kirsty Logan, Things we say in the dark, Good Good Good, Nice Nice Nice

Ach, dat is maar literatuur, wat ik lees wanneer Vosje slaapt, in het echt is alles peis en vree, en schijnt de zon in wat ondertussen de kleinst mogelijke wereld is geworden.

Door het venster van de media naar buiten kijken durf ik nog nauwelijks. Te veel grote woorden en kleine gebaren – het einde van dit, het begin van dat, de hartjes en foto’s uit de oude doos, de vergelijkingen, de voorspellingen. Ik kan niet meer op tegen dat bombardement, mijn krimpende wereld is nog niet aan vervellen toe.

Ik was Vosjes haar, dat nu echt wel lang begint te worden, trek hem een verse pyjama aan. De pijpjes zijn te kort, en voor een echte lentedag heeft hij straks eigenlijk ook geen passende kleren meer. Tja.  

Beneden is mama bezig met het sorteren van een grote doos babykleertjes, Vosjes garderobe van alweer een paar jaar geleden. Winkelen in eigen huis, kleiner wordt de wereld niet. Alleen pampers, die moet ik nog een keer zien te scoren.

Wanneer iedereen slaapt, controleer ik voor alle veiligheid nog even de voorraad whisky. Niemand zal kunnen zeggen dat ik niet voorbereid ben.  

 

 

 

Gebrek nr 9: de kunst van het afronden

Alleen wie over een heel scherp gehoor beschikt, kan het horen, zo stel ik me voor. De twee messen van de schaar die tegen elkaar schuren, het strekken van de handpalm om de ogen van de schaar zo ver mogelijk uit elkaar te trekken, en dan zoef, het nazinderende staal en het knappen van de draad. En vlak daarna, met dat beetje vertraging dat verwondering verraadt, de zucht van ontlading in de draad – die zich toch al tijden ongemakkelijk en wat gespannen voelde – die nu geen draad meer is, maar twee draden, met nieuwe, vrolijk opspringende en krullende uiteinden.

Dat is bijzonder. Tot net voor dit moment onderscheidden die uiteinden zich in niets van de rest van de draad, waren ze zich onbewust van hun lot een nieuw begin, een einde te worden. De hand aan de schaar had net zo goed een ander punt kunnen kiezen, achteloos.

Stel je nu voor dat de schaar geen draad, maar een lap doorklieft. Je hoort de rollen stof in het magazijn van de kleermaker zuchten terwijl ze wachten op dit moment van bevrijding. Al die knappende draden, vast in een weefsel, een patroon. Samen hebben ze nog een functie, ze worden straks tafelkleed, gordijn, een slipje. Je zet je schrap.

Maar ook dat hoor ik allemaal niet, ik ben een beetje doof, ik moet een zich aankondigend einde merken aan andere tekenen. Dat het tijd is om te gaan, het feest afgelopen, een feest dat bij nader toezien al een deel van zijn glans heeft verloren, ik ben te moe, te dronken, te arrogant. Iemand moet me op de schouders tikken, een aftelkalender op een bord schrijven, mijn jas al uit de vestiaire halen, de goodie bag klaar voor mij om af te halen.

Precies een jaar geleden hielden we Morgenster, mijn debuutroman, boven de doopvont.

Uiteraard heb ik het toen ook niet gehoord, vol als ik was van mezelf en de dag, maar ook die avond werden er duchtig draden doorgeknipt, en stofjes verscheurd, ook al weet ik nog steeds niet goed welke. Het boek kreeg goede en slechte lezersreacties, bracht mensen samen, kijkend naar het huis waarop het gebouwd is. Net zo goed waren er teleurgestelden, zij die een ander patroon hadden verhoopt.

Maar het boek leeft, volgende maand praat ik er weer eens over, op de hoek van de straat waarin het zich afspeelt. Vreemd genoeg voel ik geen enkele behoefte meer om ook maar één zin aan te passen, toch niet nu, het is afgerond, want er staat een datum in. Wanneer ik tachtig ben en het allemaal zoveel beter kan, ja, dan herschrijf ik het misschien.

Het boek leeft, omdat alles wat doorgeknipt is verder leeft, zich vertakt en vermeerdert, verandert, rot en bloeit. Ik geloof er niet in, in dat zetten van een punt, die onbehoorlijke promotie van een willekeurig moment tot begin en einde. Je laat niets achter je, het gaat door, je neemt het mee, de draad rond je vinger, de tijd blijkt altijd weer een naald te zijn, een verbinder. En blik je terug, dan zie je een eindeloze reep stof, oneindig als de zee, met golven die komen en gaan, altijd hetzelfde water, gevoed door dezelfde rivieren, dezelfde regen, dezelfde storm.

Knippen is niets voor mij.