Gebrek nr 6: de kunst om niet op tijd naar bed te gaan

Het gebeurt niet elke avond.

Of misschien wel, maar de meeste avonden ontsnapt het precieze moment je, want het is er telkens maar één, welbepaald, dat weet je dan weer wel, daar ben je heel zeker van.

Misschien heb je er een trigger voor nodig. Een liedje bijvoorbeeld, dat al jaren ongemerkt in je favourites sluimert, en nu in al zijn naaktheid weer ontroert, als was het de eerste keer dat je het hoorde, maar ook weer niet, want dan had het de diepgang van dat echt ingeslepene nog niet, het is een vreemde mengeling van nieuw en toegeëigend.

Het is niet dat de tijd stilstaat op dat ene moment – ze lijkt eerder uitgewist, weggepoetst, met in je ooghoek nog de nazinderende ting glinstering van Mr. Proper, je hebt zijn knipoog net gemist.

In elk geval is het al laat, je bent alleen in de huiskamer maar niet in huis, er moet iemand zijn die zich veilig waant door jouw aanwezigheid, dat net jij het bent, daar in die huiskamer, alleen, in alle rust terwijl je god weet wat doet, en het is onmogelijk om op net dit moment te gaan slapen, ook al weet je dat je dat beter wel zou doen, want tegelijk met dit ene moment, hangend in het niets, glijdt de tijd als ijs onder water – we spreken over minuten, een kwartier maximum, ik weet dat het woord tijd langer suggereert, maar dat is omdat die wegglijdende tijd rechtstreeks leidt naar een slapeloze nacht, al valt dat uiteindelijk altijd wel mee, wordt het enkel een zware en vermoeiende droom waardoor je ’s morgens naar slapeloosheid verlangt, terwijl die veilige anderen, verkwikt en monter, opstaan van de ontbijttafel om ook voor jou koffie te maken en je toe te lachen.

Maar zover is het nog lang niet, nu kijk je op wanneer dat liedje gedaan is, en alle voorwerpen grijnzen dankbaar naar je, ze hebben hun alledaagsheid even afgeschud, het is het licht dat het hem doet, misschien ben jij het wel die licht geeft, en je sluit je ogen even om zoveel onzin maar het licht blijft.

Een nieuw liedje vangt aan, naast je ligt een boek, en er was een zin die meer betekende dan ooit, elk voorwerp heeft zijn onbetwistbare reden om in jouw blikveld te staan, een particuliere geschiedenis die haar woord aan je opdringt, al die voorwerpen tegelijk en nu pas zie je hoeveel dat er wel niet zijn. Een enorme dadendrang verlamt je – er is niets wat je niet kan, dit moment wordt niet geremd door doordeweeksheid of vermoeidheid, je moet dit opschrijven, nu, een gitaar nemen en meespelen, de dingen verplaatsen zodat eindelijk alles in een plooi valt, en je op kan stijgen, recht het bed in, dansend en met je vingers ongemerkt trommelend op de slapende rug die daar ligt.

Je houdt je adem even in, er is alweer een nieuw liedje, nu al, en dan is er enkel nog de koude, en een volle blaas, de droogkast die piept vanuit de kelder, en je komt toch maar recht, knipt de lichten uit.

 

Gebrek nr 5: de kunst van de idolatrie

Terwijl ik dit schrijf, maakt een man in een pak en een streepjesdas de winnaars van de Nobelprijs Literatuur bekend.

Dat was een heel gedoe op facebook deze ochtend, een beetje vrolijk en ironisch want we maken als taalgebied toch geen kans, en we houden een zekere afstand – en dat kan ik weten want ik zit te zwoegen en te ploeteren op een stukje tekst waarvan ik niet zie hoe het ooit gaat passen in die tweede roman, en het is waardeloos bovendien, het gaat nergens over en het is lelijk, lelijk!

Wanneer ik zo zwoeg, kan ik aan de verleiding van internet in het algemeen en facebook in het bijzonder niet weerstaan. Uiteraard zoek ik ook mezelf op – sinds Morgenster in de boekwinkels ligt / heeft gelegen ben ik ook een beetje een publieke naam. Zondag trad ik nog op, in Bergen-op-Zoom, voor een gezelschap aspirant schrijvers. Het deed mijn ego deugd, ik vertelde er dat discipline allernoodzakelijkst is als je een roman wil schrijven. Ha. Zie me hier nu zitten, ten lange leste gevlucht naar Bijgekleurd, mijn veilige haven.

De kansen dat ik ooit word geroemd for an influential work that with linguistic ingenuity has explored the periphery and the specificity of human experience zijn onbestaande. De lof die mij wordt toegezwaaid, ook ergens op facebook, is dat iemand na het lezen van het boek naar het huis Morgenster is gaan kijken, op een druilerige zaterdag in oktober, en daar iemand anders aantrof, een onbekende. Een goed boek, vonden ze allebei, en dronken nog een koffie samen.

Ik weet niet of deze ontmoeting tussen twee mensen die ik niet ken, influential is, of ik daarvoor bewonderd zou moeten worden, op een schild worden gehesen. Het is een kwestie van schaal, allicht. Bij dichte drommen, en de politie die de straat moet afzetten, ja dan. Als het vaker gebeurt, toch. Of als er een mooie vriendschap uit groeit, misschien zelfs een liefde, dan ja.

Ondertussen, alweer op facebook, worden de winnaars van vandaag bewonderd en verguisd. Het gaat nauwelijks over literatuur, maar over links vs rechts, en dat politiek nu eenmaal deel uitmaakt van de specificity of human experience, een samenleving moet worden georganiseerd, en ik weet het, ik wéét het – dat mag je echt niet enkel aan politici overlaten. Daar zijn stemmen in de breedte en de diepte voor nodig – ook Morgenster is een politiek boek.

Maar mij lukt het niet, dat eindeloos bewieroken respectievelijk afkraken van helden, dat doorgedram en geanalyseer over goed of fout, beter of écht slaapverwekkend. Wat doet dat met die mensen? Eén aspect van je leven, je karakter dat tot boven je hoofd uitgroeit, alles wat verder in de periphery van jouw human experience is negerend.

Wees maar eens Trump, of Greta Thunberg. Of Romelu Lukaku. Of Bart De Wever, Zwangere Guy, het maakt niet uit. In alle gevallen: een held voor velen.

Hoe kun je dat iemand aandoen, hoe doe je dat jezelf aan?

Weet je wat, misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven. Over heldinnen en helden, larger than life. En dan twee mensen die mekaar ontmoeten, achteloos.

Zo. Ik kan weer verder.

(Ik weet het, eigenlijk had Bob Dylan hier moeten figureren, maar zeg nu zelf – dit is toch een geweldig aanstekelijke jonge Bruce. Kijk, die bewonderde ik dus echt, in mijn apenjaren.)

Hella S. Haasse

Een romantisch ogende roulotte, goed weggeborgen tussen de pijnbomen op een camping aan zee in de Landes. Niet te warm, niet te ver, vriendelijkheid en beschaving en diffuus zonlicht alom. Als er dan toch niet door kleine, oververhitte cultuurparels in het diepe zuiden kon worden gebanjerd, leek dat ons deze zomer een goed alternatief.

Vosje maakt onmiddellijk nest in het onderste van de stapelbedden, een prima plek om te doen alsof hij slaapt. Wij pakken uit, hullen ons in toepasselijke vakantiekledij en knikken elkaar toe. Zacht licht, aangename temperatuur, vriendelijke buren, zilt in de lucht.

Internet is er gelukkig niet, maar van het laatste contact met de bewoonde wereld weten we dat ons een canicule hors catégorie te wachten staat. Niet verwonderlijk, de hondsdagen zijn net begonnen, het zal dus wel meevallen.

De hitte aan het zwembad is ’s ochtends al ondraaglijk, en onze roulotte mist de schaduw van pijnbomen – die staan wat verderop, richting duinen en zee. Daar maar naar toe dan, het zal er vast frisser zijn. En bovendien: zandkastelen bouwen! Pootje baden! Emmertjes water halen! Vosje is enthousiast, op voorwaarde dat zijn kipwagen mee mag.

Het uitzicht bovenaan de duinen is geweldig. Althans, dat heb ik achteraf geleerd. Die eerste keer jeukt mijn lijf van al het zweet, en het schemert voor mijn ogen, volgens de formule ‘graden celsius boven dertig’ maal ‘afstand- hoogtemeters tellen dubbel’ maal ‘kilo’s bagage die een mens zoal voor een peuter meesleurt naar een strand’. Hard plastic trouwens, die kipwagen. Krassen op mijn kuiten, dat ook nog.

Maar beneden zou het frisser zijn. Dat was me onderweg beloofd. Een aangename zeebries, koel zand, ruimte.

Niets van dat alles. Smeltende en lekkende buiken, borsten en billen zover je kan zien, aangebrande armen en benen waarover je struikelt – de slachtoffers strekken die zo ver mogelijk uit in de ijdele hoop zo meer hitte te verdampen – de geur van zonnebrandolie en zweet die kokhalzend laag over het kokende zand hangt, en water dat zich in de verte heeft teruggetrokken, vol schaamte over de onmacht om wat dan ook af te koelen.

Uiteindelijk vinden we een plek. Vosje begint dapper aan zijn eerste zandkasteel, en ik trek dat ene boekje dat ik voor het strandbezoek heb gereserveerd uit de tas, als is het mijn laatste troef. Het begint zo.

Rome. De temperatuur zweeft hier overdag tussen 32 en 37 graden Celsius. Deze warmte is zo overweldigend dat ze de hele mens opeist. Alle aandacht, alle energie gaat zich richten op dit ene doel: waar vind ik schaduw, koelte, water. Zelfs voor Italië schijnen de temperaturen van de maand juli ongewoon hoog te zijn. Zo is het in Afrika, zeggen de mensen hier.

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek, Italiaanse impressies

Ik stop. Blader terug. Ik heb het goed gezien. In 1952 waren temperaturen tussen 32 en 37 nog een unicum, iets om een boekje mee te beginnen. Wat een tijden!

Vosje, die de 40 graden of meer van vandaag ook slecht verdraagt, schopt op dat moment de resten van een afbrokkelend kasteel recht in mijn gezicht. Ik vloek, ik kerm, ik ontbind. Een genadeloze stijging van de zeespiegel, dat is het enige wat me nog kan redden, denk ik nog, voor het licht helemaal uitgaat.

Het strand, bij avondzon en de deugddoende koelte die achteraf kwam

Gebrek nr. 4: De kunst van de middelmatigheid

Alles van waarde is weerloos, en niets is voor altijd.

Zo overleed tijdens de vakantie David Berman. U hoeft hem niet te kennen, dat deed ik ook nauwelijks. Van mijn leeftijd, maar hij zat wel in dezelfde klas als Stephen Malkmus (Pavement, dat kent u dan misschien weer wel), en zelf dichter, cartoonist, zanger en songwriter van Silver Jews.

Zo’n band die enkel door wat muziekjournalisten en een paar toevallige fans wordt gesmaakt, wegens. Ja, waarom eigenlijk? Er zitten goeie hooks in de songs, de teksten zijn geweldig (en vaak hilarisch – luister maar eens naar How can I love you (if you won’t lie down), de muzikanten prima.

En toch.

Niemand is echt geïnteresseerd. Er is geen markt voor. Zeker, het is makkelijk de muziek weg te zetten als doorsnee Americana, de teksten als obscuur en te ver gezocht, de Silver Jews een vriendendienst van Stephen Malkmus. Berman maakte het je ook niet gemakkelijk. Drugsgebruik, onwillig, ongeinteresseerd en onbetrouwbaar wanneer het op promotie aankwam. I always said we would stop before we got bad, schreef hij toen hij in 2009 stopte met de Silver Jews. If I continue to record I might accidentally write the answer song to ‘Shiny Happy People.’

Kortom, naar de normen van de tijdsgeest vandaag de middelmaat zelve.

Geen eendimensionaal genie dat door de megafoons van de sociale media uitgeroepen kan worden tot dé stem van een generatie, geen verwevenheid met de grote problemen van de tijd, laat staan dat hij oplossingen zou aanbrengen. Geen marketable verhaal.

Niets van dat alles. Enkel een man die worstelde met zijn afkomst (zijn vader was een succesvol lobbyist van alles wat fout was in de vorige eeuw – tabak, rijden en drinken, slavenlonen, … ), zijn demonen (drugs en depressies) en zijn artistieke drive. Een twijfelaar. Een man van dertien talenten, die steeds bleef proberen. Omdat dat nu eenmaal moet, creëren.

Een meesterwerk zat er nooit echt in, maar dat maakte niet uit. Hij moet wel de overtuiging hebben gehad dat wat hij maakte de moeite waard was om gehoord te worden. Niet vanzelfsprekend. Velen zijn immers geroepen, en weinigen uitverkoren. Als commerciëel succes niet de maatstaf mag zijn, wat dan wel?

Wanneer ik weer eens een zin doorstreep in het manuscript van mijn tweede boek, zucht en recht sta, klaar om iets *nuttigs* te doen met de rest van de dag, de rest van mijn leven, is dat de vraag die ik niet onder ogen wil zien. Hoe uitverkoren denk ik wel dat ik ben?

Pretentie, niets dan pretentie …

Eerder dit jaar maakte Berman na lange tijd weer zijn opwachting, onder een nieuwe naam, Purple Mountains. De plaat klinkt net als de laatste van Silver Jews. Er bleek geen ontsnappen aan. En misschien kon hij het enkel weer met de ultieme deadline in het achterhoofd.

Deze zomer pleegde hij zelfmoord.

One more hero down.

Friends are warmer than gold when you’re old
And keeping them is harder than you might suppose
Lately, I tend to make strangers wherever I go
Some of them were once people I was happy to know

uit All my happiness is gone, de eerste single van Purple Mountains

Ps de wikipedia post over Richard Berman, de vader, is langer dan die over David Berman, de zoon. Zo gaat dat, in deze wereld.

 

 

 

Daisy Johnson

Klas, bel, speelplaats, refter, opvang, meester, bankje. Juffrouw.

Ik moet er zelf terug aan wennen, aan de woorden die bij school horen. De stap der stappen is immers gezet, Vosje gaat naar school.

Tijdens het eerste oudercontact – je bent daar buiten proportie nerveus voor, het is de eerste keer dat een ander, een derde, een expert, iemand die niet vanuit genetische voorbestemdheid Vosje geweldig en fantastisch vindt, een oordeel zal uitspreken over die jongen, je bent dan ook met twee (bloednerveus, zei ik dat al?), klaar om elke niet passende mening weg te rationaliseren, te catalogeren onder vooringenomenheid en selectieve blindheid – tijdens dat eerste oudercontact dus, staat Vosje rustig te strijken in een hoek van de klas.

Het woord strijkijzer heeft hij thuis nog niet uitgeprobeerd, dat is ook niet zo eenvoudig, nieuwe woorden hebben een werkelijkheid nodig om aan te kleven, en strijken is hier ten huize Vos nu eenmaal iets wat met dienstencheques weggefilterd wordt. Doorgaans proeft hij zijn nieuwe woorden voorzichtig, van de ene hoek van de mond naar de andere, over de tong, tussen de tanden. Ze sissen en klinken, stuiteren dan weer naar buiten.

Zo wordt werkelijkheid dus gemaakt, in den beginne was het woord, en Vosje die dagelijks sjort om de losse band tussen waarneming en taal aan te spannen. In Fen, de bundel verhalen waarmee Daisy Johnson debuteerde, is dat vastsjorren nooit echt gelukt. Haar jongvolwassen personages groeien op in claustrofobische huizen, die vooral dienen om te schuilen tegen het grote geweld dat buiten heerst: water, bos, veen. Kleine woorden die nooit aan kracht inboeten. Die wonen in korte zinnen. Maar het wil niet lukken, er is geen ontkomen aan, het echte gevaar woont binnen. Het schuilt in taboes en nog onbenoembare ontluikende sexualiteit, die niet met woorden te temmen is.

Net als bij Vosje is alles bezield in Johnson’s animistische wereld, het onderscheid tussen leven en dood flinterdun. Wanneer een voorheen zwijgzame echtgenoot louter door de kracht van liefde weer tot leven komt, gebeurt dit:

She felt the rise of him against her leg, held him in her fist and moved her hand. A little later, feeling the comfortable known of his hips against hers, she tought that his time away had lost them nothing, had given them only a perspective of loss. A knowledge of absence. Except, when he arched back his head, mouth open, and let out a one-syllabled word, there was a sharp pain in the roof of her mouth.

The impact of Harrow’s language on Sarah seemed much worse than on her – a single syllable eliciting vomiting, sentences starting nosebleeds.

Daisy Johnson, Language (uit Fen)

Van deze donkere, vochtige wereld is niets te merken tijdens de small talk na afloop van het onvolprezen Kort verhalenfestival. In het verhaal dat ze daar voorlas – spoiler alert – sturen opgegeten mannen vanuit hun verteerde toestand woorden naar de mond van hun vrouwelijke beulen, als schuimspetters op een rotskust. Ik had een beetje schrik voor haar, maar het is een vriendelijke, jonge vrouw.

Alles gaat over taal, zegt ze. Elk woord is telkens opnieuw een ontdekkingstocht, ook wanneer je volwassen bent. Het doet deugd nog eens een schrijver te ontdekken voor wie woorden zo belangrijk zijn, iemand die de zinnen die ze maakt ernstig neemt.

Wanneer alles gestreken is, wil Vosje dat we boodschappen komen doen in zijn winkel. Wat een fijne klas, zeggen we tegen de juffrouw, die zit te glimmen van trots. Over Vosje heeft ze weinig te vertellen, en al helemaal niets wat we niet weten. Niks derde, niks expert.

Vosje is hier veilig, de band tussen waarneming en taal wordt hier soepel gehouden.

Naar huis gaan we met twee virtuele paprika’s. Hebben we wat te eten.

 

Een echt boek

Een echt boekDat is al genoeg. Eén waarvan de puzzelstukken kloppen, waarin iets gebeurt, waarin de personages zich ontwikkelen en de stijl je dwingt om verder te lezen. Gewoon. Een echt boek.

Ja, dat zei ik dan, bij de derde Duvel, of de tweede latte. Moya en de anderen van ons schrijversclubje lachten een beetje met die lome ambitie. Je moet toch iets toevoegen aan de literaire canon, iets brengen wat nog nooit is gebracht! Echte boeken zijn er al genoeg! En bovendien, was die niet dood, de roman?

Het was een magische avond, maandag 17 februari, in zaal 7 in de Cogels-Osylei. Harold leidde in, Johan interviewde, Moya las voor en vertelde. Over wat dat is, schrijven. Zes keer dat eerste hoofdstuk. Zes keer luisteren naar detailkritiek. Jezelf dwingen om je ambitie scherp te krijgen. Wat wil je nu precies zeggen? Wat is daarvoor de beste vorm?  Blijven twijfelen. Aan de kwaliteit van het idee, aan de kwaliteit van de uitvoering. Weten dat het niet deugt, eigenlijk, en toch doorgaan. Totdat het een beetje acceptabel wordt. En dan nog.

Het is net het als het leven, schrijven. Je kan geen acht suikerklontjes eten als er maar zes op je bord liggen. Het moet kloppen, iemand moet de tafel dekken en iemand moet gedachteloos met tang en suikerpot aan de slag.

Zonder het schrijversclubje, waar Moya (het zijn trouwens haar suikerklontjes, op de koffie van een begrafenis, waar met het eten van suiker iets moois en vreemds begint – die onuitgegeven surrealistische roman dus) deel van uitmaakt, samen met Hilde en Jelle (en in het begin ook Lenny Peeters, maar die was te snel klaar met Dochter), zou Morgenster er niet gekomen zijn.

Najaar 2015: tien nieuwe studenten melden zich aan voor de proza-afdeling van de schrijversacademie in Antwerpen. Ik ben de jongste van de groep, Dirk de op één na oudste. We mogen zelf kiezen met wie we in een ‘clubje’ zitten, wiens werk en groeiend schrijverschap we vanaf de eerste rij zullen volgen, voorzichtig bekritiseren, grenzeloos toejuichen. In wie we zullen geloven op de momenten dat het een beginnend schrijver zwaar valt in zichzelf te geloven.

Dat hebben ze gedaan. En kijk, nu ben ik trots op dit boek, op deze materialisatie van droom en denkwerk. Wat er ook gebeurt, zelfs als al het overige in het water valt, dit neemt niemand me nog af.

 

cursieve tekst: Moya De Feyter

Dit is overigens de laatste keer dat mijn schrijversego en Morgenstertrots Bijgekleurd overnemen. U vindt ze voortaan hier, neem eens een kijkje. Vosje gaat straks voor het eerst naar school, dat is pas belangrijk.

http://www.morgensterhetboek.wordpress.com

Doen!

Ik was slechts één keer eerder in Malle. Op bezoek bij May Claerhout, in het begin van de eeuw een bekend en goed benetwerkt beeldhouwer. Sic transit gloria mundi en zo, want ze overleed in 2016 en ook de link naar haar website is ondertussen uitgedoofd.

Op een maandagochtend in december reed ik er opnieuw door de hoofdstraat. Eigenlijk had ik geen tijd, de laatste deadline voor Morgenster, begrijpt u. Maar ik wilde toch. De oudste zus van mijn vader werd begraven. Tante nonneke. Ik kende haar nauwelijks, weet bijna niets van haar leven. Een jeugd in dienst van een eindeloze stroom broertjes en zusjes, en in 1945, toen de lucht wat opklaarde, naar het klooster. Daar werd ze schooljuf.

De overblijvende nonnen, mager en ongeschonden, vulden de ene helft van de kapel van het nonnenbejaardentehuis, de familie de andere. De sfeer was vreugdevol, de kant van de nonnen ademde dankbaarheid uit, en blijde verwachting. De broers en zussen, al bij al nog talrijk, hadden zich neergelegd bij het late en langzame sterven van hun generatie – tante nonneke werd 93. Ook zij herinnerden zich weinig van hun oudste zus, het grootste deel van haar leven was ze door haar kloosterorde vakkundig afgezonderd.

Het bezoek aan May Claerhout destijds diende als bronmateriaal voor een toespraak. Plechtige inhuldiging van een beeld bij een federaal overheidsgebouw. Geen idee of gebouw, beeld en ambtenaren er nog zijn, maar ergens in Morgenster – het huis, niet het boek – slingert nog een beeldje van Claerhout rond. Een vrolijk meisje, zittend op haar poep, in beschilderd terracotta. Cadeau gekregen op het einde van het gesprek.

Tante nonneke, zo blijkt uit de lezingen van pastoor en abdis, was uiteraard een bescheiden vrouw geweest, in dienst van de gemeenschap en van de kinderen – die ze hielp waar en wanneer ze kon, ook toen ze al lang met pensioen was. Een vrouw met een roeping, en de overtuiging en de groothartigheid om die roeping ook compromisloos te volgen.

Met de eerste proefdruk van Morgenster op mijn schrijftafel viel het me die dag makkelijk om mijn cynisme te onderdrukken. Het kon echt, het hoefde niet groots te zijn, er bestonden mensen die met een opdracht in het leven stonden, en die opdracht simpelweg uitleefden.

May Claerhout had me net hetzelfde verteld. Doen!  zei ze, toen ik haar schoorvoetend over mijn literaire ambities vertelde. ‘Je zal nooit gelukkig zijn als je die drang blijft onderdrukken.’

Terug thuis, en nog voor ik de drukproef ter hand neem, zoek ik het op. Vocation. En waarom het zo lang geduurd heeft voor Morgenster er is.

No one is just an artist and nothing else, and in so far as one approximates that condition, he is so much the less developed human being; he is a kind of monstrosity. He must, at some period of his life, be a member of a family; he must have friends and companions; he must either support himself or be supported by others, and thus he has a business career. He is a member of some organized political unit, and so on. We naturally name his vocation from that one of the callings which distinguishes him, rather than from those which he has in common with all others. But we should not allow ourselves to be so subject to words as to ignore and virtually deny his other callings…

John Dewey in 1916, met dank aan het rijke archief van Brain Pickings.

De nonnen hadden geen gelijk. Een ééndimensioneel leven is maar wat het is. May Claerhout wel. Vele jaren na haar advies landt Morgenster deze week in de boekwinkels, en ik maak – voor ik het leven weer verder zet alsof er niets is veranderd, want een boek, ach, dat is toch maar een boek zoals al die andere boeken – een vreugdedansje. 

Doet u mee?

Na de zomer

Jaren heb ik met enige huiver de zomer tegemoet gekeken. De zomer, dat is immers het seizoen waarin je je colbert aan de haak moet hangen, en waar blijf je dan als man met al je spullen? Portefeuille in de achterzak van je broek. Sleutels vastgehaakt aan je riem. Alles dumpen in de handtas van je vrouwelijke gezel. Of toch – bibber en beef – de mannenhandtas.

Pest en cholera.

Het probleem drong zich de afgelopen zomer erg op. Ook in de nazomer lag ik nog onbeweeglijk in de schaduw van een boom, zo schaars gekleed als de omstandigheden het maar toelieten. Zweten deed ik toch, en nadenken uiteraard. Over het juiste einde voor Morgenster – dat, zo weet u ondertussen, is mijn debuutroman die in februari in de winkels zal liggen – u komt toch ook naar de boekvoorstelling op 18 februari in Antwerpen? – maar vooral over de oorsprong van al die stellige en belemmerende overtuigingen die me zo kwellen.

Zoals. Uitpuilende mannenbroekzakken zijn even erg als witte mannensokken. Of. Ik heb niet het zitvlees om een roman te schrijven.

Moest ik dat nu echt denken?

Die mannenbroeken. Op het moment van overpeinzen droeg ik er geen, wat de gedachtengang erover sterk bemoeilijkte. Maar die vestimentaire keuze hielp dan weer wel om dat zitvlees wat nader te beschouwen.

Een roman zonder explosief einde, is dat al een roman? Een roman die wel geschreven is maar niet gedrukt, is dat een roman? Vanaf hoeveel woorden is een roman écht?

Ik kwam er niet uit, schudde de zweetdruppels van mijn hoofd, en kleedde me weer aan. Portefeuille, sleutels, een handdoekje, ik sleepte ze in afwachting van een echte oplossing mee in een tote bag van Passa Porta bookshop – noblesse oblige.

Mijn telefoon verdween in de linkerzak van mijn short.

Dat kon dus. En eigenlijk deed ik dat altijd al, ergens in de loop van de jaren was die telefoon verhuisd van de binnenzak van het colbert naar de linkerbroekzak. Er was geen besluit aan te pas gekomen, geen bewuste keuze.

Broekzakken hoeven niet leeg te zijn.

Dat einde van Morgenster herschreef ik net, op de drukproef al, een allerlaatste keer, en de onzekerheid over die roman blijft, ook in de zuiverende kou van december. Wat een pretentie om zelfs maar te overwegen zo’n grootse onderneming aan te vatten. De literaire kritiek zal meedogenloos zijn, en het boek doodzwijgen. Voor vrienden en kennissen wordt het onderwerp taboe, ze gaan me meewarig en sussend toespreken, het woord hobby zorgvuldig vermijdend, en onder elkaar fluisteren over de belachelijke seksscènes. Historici – het boek speelt in 1904 – zullen geheel terecht op alle foute slakken zout strooien.

Als ik er nog iets van wou maken, dan was het einde van deze eeuwig durende zomer het moment om het boek terug te trekken en helemaal opnieuw te beginnen.

In de rechterzak van mijn short vind ik een fopspeen, en een miniatuurversie van een Dacia Duster, de nieuwe auto die Vosje tijdens de zomervakantie van een Frans kindje heeft gekregen. Het is zijn zak, die rechter.

Ik buig even door de knieën, en het valt niet te ontkennen. Die broekzak puilt uit. Ik sluit het kofferdeksel van de Duster, maar het verschil is miniem. Voor iedereen is het duidelijk: deze broekzak is niet leeg, hij puilt uit. Ik voel me naakter dan daarnet onder mijn boom, angstzweet breekt me uit.

Straks ligt dat boek dus in de winkel, mijn woekerend zitvlees, mijn eindeloos gepieker, mijn amechtige poging om op een elegante manier mijn demonen te bezweren.

Het is wachten op de pocketuitgave.

 

 

 

 

Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.