Januari

Vosje en Amos, of is het Levi?
Vosje en Amos, of is het Levi?

Het is Vosjes laatste vrije week. De laatste dagen waarop hij niks moet, waarin hij uitsluitend zijn eigen ritme volgt, onbewust en onschuldig. Straks is het januari, en hij, vier maand oud, zal zich vanaf dan aan regeltjes en reglementen moeten houden. Dat zal niet zonder slag of stoot gaan.

Eén van de knelpunten is zijn naam. We noemen hem niet altijd en overal Vosje. Er circuleren minstens vijfkoosnaampjes, al naargelang het moment van de dag en zijn en ons humeur. Varkentje is tegenwoordig populair. Het maakt niet uit, hij is toch het centrum van de wereld, en heeft geen nood om welke naam dan ook te herkennen. Dat wordt lastig, straks in de grote wereld.

Over zijn hoofd heen discussiëren we ook nog over de naam van zijn nieuwste favoriete knuffel. Levi of Amos. Dat zijn de twee grootste kanshebbers. Amos is favoriet, maar zelf slaat Vosje vooral zijn armen om het aapje heen, zeker als de muziekdoos in het beestje tingelt.

Het is tussen vreemden dat een naam zijn echte betekenis krijgt. Het leven, en al de grote onderhandelingen die erbij horen, begint pas echt als je je naam herkent. Je wordt aanspreekbaar. Als ik me aanpas aan wat jij wil, wat krijg ik daarvoor in ruil? Mag ik er dan bij horen? Vosje zal dat spel goed spelen, houden we ons voor. Hij zal niet meteen alles en zichzelf opgeven om te krijgen wat hij het liefste wil. Hij zal niet zijn eigen grootste vijand worden.

The Romans named January after Janus, god of doorways, deity of time and transitions. He has two faces because he looks backwards and forwards.

I don’t make New Year resolutions – instead I have a psychic clear-out. What would I prefer not to repeat?

It’s not just History with a capital H that repeats itself; it’s our personal history too. It’s hard to shift negative patterns and negative thoughts. It’s hard to do things differently, to stop destructive and self-destructive behaviours, to stop colluding with our own worst enemy: ourselves.

Jeanette Winterson, Christmas Days

Het is gelukkig ijdele hoop. Ook Vosje zal met zichzelf worstelen. Een leven zonder krassen is geen leven. Wrijving zorgt voor energie, en die drijft je voort om doelen te stellen, boos te zijn op jezelf omdat je ze niet haalt, en opnieuw te proberen, steeds opnieuw. Goede voornemens en berusting. Frustratie en nieuwe plannen. Zonder onrust gebeurt er niets.

Straks, met het nieuwe jaar, sturen we hem de wereld en het grote leven in. In dat kleine, de eerste vier maanden, hebben wij alvast ons best gedaan om hem, zonder tegenprestatie, zonder onderhandelingen, te geven wat hij het meeste nodig heeft. Hij weet dat.

Gewoon, omdat hij er is.

 

 

Een zacht knetterend haardvuur

Het is nog geen zes uur ’s ochtends, en ik sta met Vosje in mijn armen naar buiten te staren. De jongen kijkt gefascineerd naar alles wat oplicht. Het stadsverkeer komt stilaan op gang, de verkeersslang voor het stoplicht is nog kort en iedereen gebruikt zijn richtingaanwijzer zoals het hoort. Een dag vol beloften.

We zouden moeten slapen nu, maar het is al de vierde keer dat hij wakker is. Naar mijn gevoel moest de avond nog beginnen bij de eerste kreet. Zo’n scherpe, waarvan je als ouder meteen heel alert wordt. Dan wat gejammer. Hij lag in zijn bed te woelen – goede oefening om zich eindelijk te leren omdraaien, dacht ik, maar dat had ik beter niet luidop gedaan. Hij heeft pijn! Ik til hem op, hij laat een luide boer, ontspant en ik leg hem terug.

De tweede keer krijgt hij een pijnstiller in zijn kont, de derde is gewoon honger en nu staan we hier. Als naar een zacht knetterend haardvuur. Zo kijken Vosje en ik naar het verkeer buiten. De eerste voetgangers vertonen zich al, in een appartement aan de overkant gaat het licht aan.

Gaan zitten mag ik niet van Vosje. Hij wil rechtop. En hij wil kijken. Ik ben hier eigenlijk te oud voor, jongen, zeg ik, maar hij staart me ongelovig aan. Zal ik je wat voorlezen, vraag ik, maar ik mag me geen stap van het raam verwijderen. Niet erg, fluister ik, de nacht is een speciale plek. Het gedrukte woord vervaagt dan, de letters lossen op, alles mag dan waar zijn, ook dat wat het niet is.

In mijn bed ligt je moeder, zeg ik. Ze is natuurlijk een beetje ongerust, en morgen zullen we ons haasten en je naar een dokter rijden die zal kijken en luisteren en jij zal dan waarschijnlijk alweer lachen, maar je weet maar nooit. Ik fluister het met mijn diepste stem, ik zing het de jongen toe. Maar daarnet, zeg ik, toen ze lachte wanneer ze je de pijnstiller toediende en ik daarnaar keek, en ik vroeg waarom.

Vosjes ogen vallen langzaam toe, hij wil het niet, het is een moeilijke les dat je niet steeds meester bent van jezelf. Laat je maar gaan, zing ik, het is ok om te verdwijnen in de nacht, straks is er weer een ochtend met hard nieuws en twaalf doden en verdwaasde mensen, maar nu, nu zijn we nog hier voor het raam en je moeder in haar bed en daarnet, zeg ik, was ze in een droom op een feest in een tuin, en ze straalde en lachte en zag er prachtig uit, en ik wil terug naar die droom, zei ze.

Hij heeft pijn, zeg ik wanneer we allemaal terug in dat bed liggen, de jongen in haar armen, en ik tegen haar aan, en hoe was het nog met je droom? Shht, zegt ze, hij is nog bezig. Wat een lange droom. Ben je ook aan het flirten? Met iedereen, maar ondersteun mijn lichaam nu maar. Hij zal toch niks ergs hebben? Ik frons een wenkbrauw, maar dat ziet ze niet, en voelen doet ze het ook niet in het donker van het bed.

Twee uur later foeteren fietsers op onvoorzichtige auto’s, die op hun beurt toeteren op de bestelwagen die dingen bestelt en daarom stilstaat waar het niet mag maar hij wel moet, en klingelen er trams en dat haardvuur lijkt op een bosbrand, inclusief een overvliegende helicopter. Vosje weent er stilletjes bij, en slaapt terug in op weg naar de dokter, die een lichte oorontsteking vaststelt.

Wat was dat deze nacht, zeg ik nog, en zij zegt niets bijzonders het was wel vreemd en jij was er ook, en stop je meteen even bij de apotheker? Ben je jaloers, vraagt ze, maar ik weet niet wat ze bedoelt. There is a race of men in the trees. Ze draaien Donald Fagen op de radio. Goh, wat was ik toen nog jong. Tonight you’re still on my mind. An independent station, WJAZ.
With jazz and conversation.

Ik fluit mezelf door de rest van de dag, zo hou ik me wakker.

 

Thomas Mann

Ik ga toch nog maar eens kijken.

Vosje is achtergebleven op een schapenvel in de Snoezelraum, zacht beschenen door voortdurend wisselend licht. Een jonge kerel in hotelkostuum wrijft hem zacht over de buik. De Raum zelf, speciaal ontworpen om baby’s en ander jong grut een ongekend gevoel van welbehagen te schenken, heeft een hoog jaren ’70 sci-fi gehalte. Geen rechte hoek te bespeuren, en boven de schuimrubberen ovalen kussens rijzen glaskralen als een koker omhoog. Beam me up.

Ik hoef me geen zorgen te maken. Vosje laat het zich welgevallen, dat gewrijf en die aandacht, althans genoeg om niet in wenen uit te barsten. Ik overweeg nog om een suggestie te doen voor de soundtrack (Billy Cobham’s debuut album ‘Spectrum’ uit 1973 past perfect), maar laat het zo. Mijn kennis van het Duits is nu eenmaal ontoereikend, en ook in een Duits’ Familotel zijn er grenzen aan de excentriciteit die je als klant mag vertonen. Wij zijn vooral dankbaar voor de paar uren crèche.

Het business model van zo’n hotel is heerlijk eenduidig. Alles om kinderen tevreden te houden, en een beetje voor ouders met ontsnappingsdrang. Het is een hard weerzien met de realiteit. Wat vinden kleine kinderen allemaal echt leuk? Pony’s. Meisjes verkleed als Mister Happy. Lelijke springkastelen. Spelen met eten. Eindeloos tafeltennissen met papa. Dansjes. Andere kinderen.

Het staat me straks allemaal weer te wachten. Er is bijna geen kind dat weerstaat aan die onmetelijke druk om erbij te horen, te willen wat alle anderen willen. Maar het lukt ze niet allemaal. In elke troep zijn er wel een paar die uit de boot vallen.

Het zijn uitzonderingen die zich op het vakkundig bespelen van de fagot gooien, circusartiest worden of aan een immer uitdeinende kevercollectie beginnen. Niet uit frustratie. Maar gewoon omdat ze dat willen, en dus kunnen. Of andersom.

Ach, natuurlijk willen we niet dat Vosje zich straks in de marge van het bestaan gaat ophouden, welke ouder wil dat wel? Niemand toch, elk kind dat zijn draden met het centrum (wij! de ouders!) langzaam uitrekt tot er enkel stofdraden overblijven zorgt voor ondraaglijke spanningen. Het is soms onvermijdelijk en toch willen we het niet, het zal ons hart breken en dan zijn ook wij er niet meer gerust in. We vertrouwens onszelf niet. Tienduizend scherven, zo’n gebroken hart, en elk van hen een mes aangescherpt door de pijn, roepend om wraak op de onrechtvaardige wereld.

Of een ademend, kwetsbaar en zacht hart, opengebroken om al het andere en wat anders is te omvatten. Zouden we dat kunnen?

We zijn stil in de sauna, elk met een beeld van Vosje in ons hoofd. Achteraf drinken we water met appel/citroen/kaneel smaak (alhoewel, die kaneelstokjes lijken enkel als versiering te dienen). We kijken elkaar aan, dankbaar voor de gewijde stilte en deze vrijplaats voor vermoeide ouders, waar het idee ‘kind’ helemaal in de achtergrond is opgegaan.

Ik neem mijn boek.Tristan, een vroege novelle van Thomas Mann. Het speelt in een kuuroord (hoe treffend dat ik enkel een topzware badjas draag), er is sprake van een behoorlijk onproductieve en excentrieke schrijver (aha), een onuitspreekbare en onbereikbare liefde (nou ja), en zowaar ook een kind. Ik verbaas me erover hoe strak die Duitsers hun toeval steeds weer organiseren.

Hij liep op de tenen van zijn grote voeten naar de stoel waarin de echtgenote van meneer Klöterjahn teer en glimlachend achteroverleunde, bleef op een afstand van twee passen staan, strekte zijn ene been naar achteren en boog zijn bovenlichaam naar voren; hij sprak op zijn enigszins geremde, slurpende manier, zachtjes, nadrukkelijk en ieder moment bereid zich spoorslags terug te trekken en te verdwijnen, zo gauw zich op haar gezicht een spoor van vermoeidheid en verveling zou aftekenen.

Thomas Mann, Tristan

In een oogwenk groeit Vosje, en wordt hij die karikatuur van een schrijver, die ooit één saai boekje heeft geproduceerd, en nu iedereen brieven schrijft en alleen van zichzelf antwoord krijgt. Grote voeten heeft hij al, de aandachtige blik ook – al houdt die zich nu nog koddig schuil in de periscopische manier waarop  hij zijn hoofd beweegt.

Ik schrik wakker wanneer het boek op de grond glijdt. Nee, Vosje mag alles worden, maar laat hem er dan alsjeblief goed zijn in. Zij kijkt op van ‘Het Diner’, van Herman Koch. ‘Ik krijg honger van dit boek,’ zegt ze. Zullen we? Vosje wacht.’

.

 

Trouw!

Eindelijk zijn we van Vosje verlost. Twaalf weken al heeft dat jonge leven onze dagen en nachten beheerst, nu is het tijd om alles achter ons te laten en nieuwe horizonten te verkennen. Afscheid nemen duurt een half uur, en dan kunnen we eindelijk instappen. Zwaaien kan hij nog niet, dat maakt oma wel weer ruimschoots goed.

Eens op de snelweg draaien we onze kont comfortabel in de zetels, ik zet mijn voet zwaar op het gaspedaal, en draai de muziek op maximaal volume. We zuchten en lachen luid, en maken een afspraak: we gaan het niet over Vosje hebben. Nee, voor even is hij taboe.

Al snel wordt het stil in de auto. Het is een lange rit naar de westkust, en af toe waait een storm ons haast van de baan. Wat zou er van Vosje worden als we niet zouden terugkeren? Hier in de aquaplanning tegen een vrachtwagen slippen of met een klapband richting berm slingeren, onderweg gevat door een rechts voorbijstekende sportwagen?

Het lukt me maar niet, zeg ik, terwijl ik mijn snelheid matig. Dat boek van mij krijgt maar geen vaste vorm, ik zie het hangen in de lucht en krijg het niet gevat. Als jij denkt dat de werkelijkheid soms weerbarstig is, probeer dan meer eens fictie. Er zijn zoveel touwtjes om aan te trekken, en nooit kan je vertouwen op de gewone gang van zaken om alles weer in orde te brengen.

Ga je het dan opgeven? vraagt ze.

Gepikeerd spring ik op (wat af te raden is als je aan het stuur van een rijdende auto zit). Natuurlijk niet! Ik ben koppig! En volhardend!

Naast mij klinkt gelach, en ik besluit niet te willen weten of het hoongelach of schaterlachen is, of nog iets anders tussenin, met een beetje wanhoop bij.

Je kan altijd opnieuw beginnen, zegt ze, een ander verhaal vertellen.

Dat kan. Ik weet het. We zijn onderweg naar een trouwfeest waar de eretafel zal worden bevolkt door volwassen kinderen uit eerdere huwelijken en verbanden.

Vosje zal toch wel ok zijn? Ja toch?

Ik besluit deze overtreding op de regels door de vingers te zien. Een kind moet zowat het enige zijn wat je niet zomaar kan uitvegen en vervangen door een nieuw begin. Geen wonder dat je daarvan af en toe in paniek raakt.

De grijze herfstlucht is nauwelijks te onderscheiden van de zee, op de dijk is alles gesloten en staan de appartementen te koop. Alleen een hond en zijn baasje trekken een streep door het zand. Straks, zeg ik, wanneer het zomer is, dan gaan we toch met Vosje kastelen bouwen? Ja?

Dat gaan we doen, het is beloofd, de jongen weet het nog niet, maar bij deze hebben we voor het eerst een echt Opvoedkundig Principe vastgelegd: hoe vluchtig ook, we gaan hem leren dat dromen minstens evenveel waard zijn als de werkelijkheid. Fictie boven het echte leven.

Het feest ’s avonds is geweldig. Op de grens met Frankrijk leven de Deense en de Belgische helft van het publiek zich helemaal uit. Wij ook. We dansen en springen en zweten. En zo komt het, dat ik, ergens ver na middernacht, besef dat ik mijn hoofdpersonages meer passie moet geven, alle remmen los, ze moeten diep gaan en hard vallen. Niet twijfelen, maar doen. Van pure oplichting brul ik deze onsterfelijke verzen mee:

En ben je soms niet goed gezind
denk aan de glimlach van een kind.
Ja dat maakt je weer blij ja dat maakt je weer vrolijk.
Het leven gaat zo snel voorbij,
dat geldt voor jou maar ook voor mij…

Oh laat de zon in je hart
Ze schijnt toch voor iedereen
Geniet van het leven
Want het duurt toch maar even.

Jacques Verburgt & Raymond Felix, Laat de zon in je hart, gebracht door de onsterfelijke Willy Sommers

Het resultaat van een avondje dansen
Het resultaat van een avondje dansen

Moya De Feyter

De Koreaanse danser is zomaar vertrokken. Verbouwereerd staart Suzy naar het perfect opgemaakte hemelbed in het paleis. De ramen staan wagenwijd open. Blijkbaar vond hij het belangrijk dat de kamer na zijn vertrek grondig werd verlucht. Misschien wou hij dat vertrek op die manier stelliger maken. Als er geen enkele snipper van hem achterbleef, zou niemand verkeerdelijk denken dat hij alleen maar een ommetje ging maken, en dus nog kon terugkeren.

Moya De Feyter, uit een boek in wording dat nog naar een titel zoekt (en naar een uitgever)

Een goed gesprek en een copieuze lunch. Zo zag mijn laatste dag als werknemer in een paleis eruit, precies een jaar geleden op vrijdag de dertiende. Als voortgezet afscheidsritueel dronk ik ’s avonds nog een fles wijn, tot mijn persoonlijke nieuwsfeit overstemd werd door schietende en zichzelf tot ontploffing brengende dwazen.

Ik had me helemaal gesmeten, mijn uiterste best gedaan om deel uit te maken van de paleisgemeenschap, mezelf verloochend bijna. Maar uiteindelijk, na acht jaar, maakte de de lagere hofhouding het me met nauwelijks verholen misprijzen duidelijk. Ik had er nooit echt bij gehoord. Te atypisch. Het was allemaal maar om te lachen geweest.

Altijd een buitenstaander.

Vosje weet dat. Zijn vader staat een beetje haaks op de werkelijkheid. Ik kan dansen, noch opruimen. Een spoor van vergeten voorwerpen laat ik na, er is geen beginnen aan om op mijn stappen terug te keren en alles weer op te pikken. Mezelf uitwissen is niet zo simpel. Ik ben verstrooid, denk ik dan (hé, een woordgrapje!), erger is het niet. Maar wanneer we samen op pad zijn houdt hij me de hele dag nauwlettend in de gaten. Hij durft de ogen niet te sluiten, ik moest hem zo zomaar eens ergens achter laten. Dat is niet ondenkbaar, er zijn gevallen genoeg bekend van veronachtzaamde baby’s in auto’s, al halen die wel alleen het nieuws in de zomer, wanneer ze van uitdroging omkomen, of wanneer er tegelijk ook een hongerige hond in de auto is achtergebleven. Het is winter, en een huisdier heb ik niet, enkel een onverwoestbare plant uit den Aldi.

Maar nu ben ik nuchter, en maak deel uit van de nieuwe economie. Als kleine zelfstandige verkoop ik het meest kwetsbare product dat ik kon bedenken: mezelf. Een beetje tegen mijn zin, want een ondernemer ben ik niet echt en op mijn leeftijd kan ik me bezwaarlijk nog een start-up noemen. Liefst was ik helemaal niet meer te koop, en hield ik me bezig met vergeefse maar vermakelijke pogingen om de wereld te verheffen, want aan ambitie heeft het me nooit ontbroken.

Ik gesp de jongen vast in de auto, start de motor en leg het hem uit. We zijn nu wel op weg, zeg ik, maar er is altijd een tussenstop, nooit ben je helemaal klaar. Je bent veilig bij mij, maar één vingerknip, en hop, we zijn weer weg, foetsie. Niet omdat ik daarvoor kies, zeg ik en zwaai met mijn vingertje in zijn richting, maar omdat we niet anders kunnen. De vrachtwagen achter ons, de slapende Renault naast ons, alles is altijd in beweging, niets staat ooit stil. En dus, Vosje, maar ik maak mijn zin niet af, hij is toch maar in slaap gevallen.

Dus, wou ik nog zeggen, is ook elk evenwicht tijdelijk. Dat heet groeien, en daar ben jij erg goed in. Maar, zou je dat, alsjeblief, willen leren doen met de elegantie van een Koreaanse danser, straks? Dat je oh’s en ah’s verzamelt op je weg, en schoonheid achterlaat? Zou je dat willen doen voor mij?

 

 

 

 

The Black Swan

Bijna zeventien jaar lang leefde ik in het ongewisse, maar nu weet ik het weer: het is een kunde, een vak, een kunst zelfs, om op de juiste manier water in een flesje te gieten, daar wit poeder bovenop te scheppen en bedachtzaam te kijken hoe die massa langzaam wegzakt. Niet te lang, want de speen moet vastgedraaid, en dan is er de snelle beweging tussen de handen, alsof je met stokjes vuur maakt, en water en poeder gaan op in iets helemaal nieuws, iets wonderlijk: de melk die Vosje laat groeien.

Ik heb het gemist. Al die tijd, terwijl ik de puber zag opgroeien, heb ik gedwaald. Mijn aandacht ging naar dat ene druppeltje water, met een pincet geïnjecteerd, dat de smaak van whisky opent. Naar de tonic en de komkommer in de gin, toen ik mezelf even kwijt was en hip probeerde te zijn.

Vosje is nog niet helemaal overtuigd van mijn vakmanschap. Ja, hij stopt met huilen wanneer ik hem de wording van zijn maaltijd laat zien, maar zodra die voor de noodzakelijke drieentwintig seconden in de microgolfoven verdwijnt, verliest hij alle vertrouwen. Wat garandeert hem dat wat er nu is, er ook straks zal zijn?

Ik kan bezweren wat ik wil, hem de wet van de persistentie uitleggen (het is te vermoeiend om er vanuit te gaan dat wanneer iets altijd op een bepaalde manier gaat, het de volgende keer anders zal zijn), hij blijft zijn wantrouwen uiten tot hij de speen in zijn mond heeft en de melk proeft.

Soms, de middernachtelijke voeding is daarvoor het meest geschikt, drink ik met hem mee. Hij de fles, ik het glas. Iets na de helft nemen we even pauze. Een boertje, en dan kunnen we weer verder. Misschien heeft hij wel gelijk, Vosje. Niets is immers voor altijd. Het duurt niet meer zo lang voor het stopt, deze nachtelijke flesmomenten samen. En weer niet opgelet.

Dan staan we in de keuken, groenten te snijden, en een vleesje, en lepel ik dat bij hem binnen. Zal hij dan al heimwee hebben naar zijn flesje? Worstelen met de verandering, met de tijd die meedogenloos voortschrijdt en het vertrouwen in de toekomst opzij schuift?

Misschien ben ik naïef in mijn geloof dat alles zal blijven duren, ook wanneer het verandert. Te zelfgenoegzaam om alert te zijn op wat ik verlies, te blind om te zien wat er allemaal op het spel staat. Hoe doseer je vertrouwen?

Hoe dan ook, na de fles en het glas moeten we terug naar bed. Ik doof de lichten, aai hem over de buik, zoek zijn hoofd voor een kus. Ik fluister het: wij zijn hier jongen, je ziet ons nu niet, maar doe je best en je ruikt ons nog, je hoort ons nog, en straks, wanneer je weer wakker bent, dan doen we dat truukje met de fles opnieuw. Maak je geen zorgen.

Ik beeld me in dat hij begrijpend knikt, zijn ogen sluit en zich in zijn slaap laat glijden. Weerloos, net als ik, net als wij. Want sommige dingen veranderen nooit.

 

If you survive until tomorrow, it could mean that either a) you are more likely to be immortal or b) that you are closer to death.

Nassim Nicholas Taleb, The Black Swan: the impact of the highly improbable

Vosje en de fles
Vosje en de fles

Olive Kitteridge

Natuurlijk wil je niet altijd Vosjespapa zijn. Toch niet de hele tijd. Het is te lastig vaak, te vermoeiend. Soms zou je zelfs willen dat Vosje er helemaal niet was, zelfs niet wanneer hij in je armen ligt en je aankijkt met zijn grote, onderzoekende ogen.

Vooral dan niet, eigenlijk.

Vosje mag geen pijn hebben. Dat is de afspraak die je met jezelf hebt gemaakt. Maar zijn gezicht verkrampt, hij perst er een kakje uit. Met moeite, en dat is jouw schuld. Je ziet het in zijn blik. Verkeerd water, verkeerde melk. Te koud. Te warm. Te weinig slaap. Acht weken ver, en je herkent het eerste verwijt. Later, in bed met een geliefde, zal Vosje proberen uit te leggen hoe het nest waarin hij is opgegroeid hem beschadigd heeft. Dat zijn vroegste herinneringen die van pijn zijn, dat hij gemis voelde dat niet werd opgemerkt, of erger nog, genegeerd.

Je weet het. Natuurlijk weet je het. Niemand komt ongeschonden uit zijn kindertijd. Er zijn altijd markeringen, breuken, littekens. Het is wat je tot mens maakt. De vragen die je je stelt. De angst te verliezen en te kwetsen verlamt je vermogen tot liefde, laat je hoogstens een surrogaat. Zelfbedrog. Het enige wapen tegen de paniek van de afwijzing, telkens weer.

Ik streel Vosjes hoofd. De vrijheid, de roekeloosheid waarmee ik leefde, de doodsverachting, ze zijn weg. Ingeruild voor de studie van zijn rood aanlopend gelaat. Vroeger haalde ik mijn schouders op en mompelde zachte heelmeesters maken stinkende wonden, om vervolgens mijn authentieke zelf achterna te gaan. Ten koste van alles, desnoods.

Maar dat was vroeger.

Stilstaan is gevaarlijk. Evenwicht hangt af van snelheid, je weet dat je het ooit zo aan Vosje zal uitleggen, de dag dat hij leert fietsen zonder zijwieltjes. Trappen en vooruit! Je kan het, het komt goed.

Nu lacht hij naar me. Het is gelukt, dat kakje. Ik zweef met hem naar het verzorgingskussen. Onderweg pik ik een suikerboon mee. Dat doe ik elke keer, nadat ik hem uit liefde, en in stilte, heb vervloekt.

Die bonen blijven nog eeuwig goed.

Olive, on the edge of the bed, leans her face into her hands. She can almost not remember the first decade of Christopher’s life, although some things she does remember and doesn’t want to. She tried teaching him to play the piano and he wouldn’t play the notes right. It was how scared he was of her that made her go all wacky. But she loved him! She would like to say this to Suzanne (met wie Christopher die dag troouwt). She would like to say, Listen, Dr. Sue, deep down there is a thing inside me, and sometimes it swells up like the head of a squid and shoots blackness through me. I haven’t wanted to be this way, but so help me, I have loved my son.

Elizabeth Strout, Olive Kitteridge