Martha Nussbaum

‘Kielekielekiele!’ Onmiddellijk gevolgd door ‘één, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van.’ Vosje schatert het uit, terwijl boven hem handen rondjes draaien. Het zijn oude handen, maar dat vindt hij prima. Hij heeft een niet te verklaren voorkeur voor vrolijke, oude dames en ernstige, jonge blondines. Op zijn smaak in mannen valt nog geen peil te trekken, maar sommigen hebben duidelijk een streepje voor.

Met wederkerigheid heeft het niks te maken. Vosjes liefde op het eerste zicht heeft de ander niet nodig, en is absoluut. Wat je zegt maakt niet uit. Misschien is het de geur, denk ik, of de klank van de stem. Wanneer ik met hem alleen ben, durf ik het. Filosofie afwisselen met de grootste onzinverhalen, waarin potten huizen voor groenten worden, en het afwaswater een bron van nieuw leven. Een beetje zoals in Bijgekleurd dus. Want dat weet u als lezer onderhand wel, dat u niets zomaar mag geloven van wat hier staat.

The forces making for both deception and unmasking are various and powerful: the unsurpassed danger, the urgent need for protection and self-sufficiency, the opposite and equal need for joy and communication and connection. Any of these can serve either truth or falsity, as the occasion demands. The difficulty then becomes: how in the midst of this confusion (and delight and pain) do we know what view of ourselves, what parts of ourselves, to trust? Which stories about the condition of the heart are the reliable ones and which the self-deceiving fictions? We find ourselves asking where, in this plurality of discordant voices  is the criterion of truth? 

Martha Nussbaum, Love’s Knowledge: Essays on Philosophy and Literature

Ik lig er een beetje met mezelf over in de knoop. Alternative facts zijn een scheldwoord geworden, en al wie de waarheid een beetje geweld aandoet is een graaier, die met zwaaiende vingers terecht wordt gewezen, cq terecht gesteld. En plots bevind ik me in het onaangename gezelschap van Trump, Wilders, en de al even boze populisten van links.

Stielbedervers.

De waarheid naar je hand zetten doe je alleen als je ten volle beseft dat ze niet bestaat. Er is geen sluitend criterion of truth. Zelfs het citaat van Martha Nussbaum heb ik een beetje naar mijn hand gezet. Simpelweg door de eerste zin weg te laten. De zin die betekenis geeft aan de rest.

We deceive ourselves about love — about who; and how; and when; and whether. We also discover and correct our self-deceptions.

De waarheid is niet iets wat je hebt. Niet iets wat je vindt. Het is iets wat je zoekt.

De partner van de oude handen die Vosje zo behagen is doodziek. Hij is in leven gebleven om Vosje nog te kunnen zien, hebben wij onszelf wijs gemaakt, om hem toch één keer vast te houden. Maar nu is het leven welletjes geweest. Hij stikt langzaam.

Ik weet niets van de liefde die deze twee mensen een leven heeft samengehouden. Niet wanneer ze overwoekerd werd door gewoonte, niet wanneer ze vergleed in koppigheid, zo nodig voor de rol van verzorger tot het eind. Niet of ze mekaar nu al hebben losgelaten, of hoe ze dat straks gaan doen.

Naar hem lacht Vosje bijna nooit, maar dat maakt niet uit. De draaiende handen en de pannenkoekenvlaaien van de vrouw maken alles goed. Ze kennen mekaar, Vosje, deze oude vrouw en deze oude man. Ze heeft een rammelaar voor hem gekocht, en stopt die in zijn handen.

Het doet me twijfelen. Misschien bestaat het toch, de waarheid. Helemaal in het begin, en misschien ook op het einde, zo net voor het afscheid.

From here to eternity

Zo af en toe hebben ze een bevlieging, papa vooral, en dan kijken ze elkaar aan, zuchten een keer, en staan moeizaam op uit hun zetel. Dat ik net aan het spelen ben met Amos, of rustig mijn nieuwe leven in de crèche contempleer, dat maakt ze allemaal niet uit.

Ze rapen me op alsof ik de krant van gisteren ben (of die van eergisteren, het gaat toch steeds over die Trump), in deze fase van mijn leven heb ik geen keus. ‘We gaan op pad!’ Daar moet ik dan blij mee zijn, maar ik haat die maxi-cosi. De naam alleen al, vaag Italiaans alsof dat het mooier maakt, maar het ding weegt een ton en voor ze me in de auto hebben vastgegespt ben ik al zeeziek. Alles voor mijn veiligheid.

En dan rijden ze allebei zo wild.

Ze weten niet echt waar ze naartoe willen. Het gaat richting stad, maar onderweg twijfelen ze nog tussen de laatste solden en een tentoonstelling in La maison particulière. Goddank laten ze de winkels zo. Het meisje dat ons in het privé-museum ontvangt is beleefd en welopgevoed – ik beloon haar mooi en flink met een stralende glimlach. Werkt altijd, we hebben meteen connectie.

Veel valt er niet te zien. Een Italiaan is jaren in de weer geweest om foto’s van blote volwassenen te nemen en ze achteraf te assembleren tot grote tableau’s. De opwaaiende veer van mensenlijven vind ik mooi, de rest is vooral huisvlijt. Al zou het kunnen dat de betekenis me ontgaat, ik heb nog veel te leren.

Het gaat over de voortdurende transformatie, leest papa voor. Van conceptie tot het eeuwige leven. Dat is een interessante gedachte. Was ik er al voor ik hier was? Zal ik er nog zijn wanneer ik er niet meer ben? Heb ik hen gekozen? Ontstaat er niets maar blijft alles, zij het anders? Is het allemaal transitie? Of was het transformatie? Papa struikelt over zijn woorden, mama wandelt verder en zet zich aan een allercharmantst bureautje. Ze schrijft niets in het gastenboek.

Voorlopig hou ik het erop dat bloot gewoon leuk is om naar te kijken, en dat het moeilijk is voor oude mensen om met het naderende einde om te gaan. Een ijdel gevecht tegen het onvermijdelijk verval.

‘Verdomde acteurs!’ was één van de opmerkingen van de oude regisseur in Graz geweest, veelvuldig geciteerd in de theaterkantine, ‘eerst zuipen ze tot ze eindelijk een karakterkop hebben, en dan kunnen ze geen tekst meer onthouden.’

Martin Michael Driessen, Rivieren

Dat ligt nog allemaal voor me. Was ik een ander zoogdier, dan zat ik nog in de buik van mama, hulpeloos als ik ben. Nu hang ik in de touwen, tegen de buik van papa. Ze kijken naar buiten. Achteraan in de tuin van het buurhuis staat een mini-huisje, in een soortement Oostenrijkse stijl. Ja, dat zien we. In de verte dreigt een wolkenkrabber, op bescheiden Brussels formaat. Een verzekeringsmaatschappij heeft er een lichtreclame op gezet.

‘Wat is het mooist’, vraagt mama zich luidop af. Ik slaak een kreetje, want op die vraag ken ik het antwoord. De beide, wil ik zeggen, de beide in één blik gevangen, vanuit een hypergestileerd negentiende eeuws herenhuis. Het leven is niet óf, het is én. En het is alles tegelijk. Tijd is de echte fictie.

Terug thuis blijk ik 39° koorts te hebben. Ik moest me maar niet zo opwinden. Licht ontvlambaar zal ik altijd wel blijven.

 

Juli Zeh

Misschien, dacht Arne, werden gevoelens gewoon niet zo oud als mensen. Vanaf een bepaalde leeftijd leefden echtgenoten samen als huisgenoten in een woongemeenschap, als ze niet allang gescheiden waren. Kinderen en ouders hielden op elkaar aardig te vinden, gingen evengoed bij elkaar op bezoek en waren blij als de ander weer ophoepelde. Vrienden verloren elkaar uit het oog, buren veranderden in vijanden. Minnaars werden een last, je schaamde je voor oude schoolvrienden en zelfs een huisdier begon op een gegeven moment te irriteren.

Juli Zeh, Ons soort mensen.

Ik zag het. Mijn vader, de Vosjespapa, durfde dit fragment niet luidop voorlezen, ook al was er behalve ik, Vosje, niemand in de kamer. Maar zijn lippen prevelden de woorden toch, terwijl hij anders altijd in volstrekte roerloosheid leest. Tot zijn ogen dichtvallen van vermoeidheid.

En dan leest hij dit. En hij begrijpt. Dat ik er niet ben om mezelf, maar omdat hij zijn ouderdom ontvlucht. Omdat hij wil blijven voelen, of opnieuw. Je kan discussiëren over wat echt is: het idee achter het plan, of de realisatie. Ik maak alvast van die drie het meeste geluid, terwijl het idee in hun hoofden vervaagt. Ik zal er een leven achter jagen en dan nog. Begrijpen of het van hem of van haar kwam, verwacht ik niet ooit te doen.

Vier maanden zijn we nu samen. Al die tijd heeft hij hier, op deze pagina’s (dat gebazel rond digital natives moet maar eens ophouden, we zijn native nostalgics – kijk maar eens hoe jullie alles van het verleden voor ons terughalen en ophemelen, onwetendheid en bijhorende dictators incluis), op deze webpagina’s dus, zitten opscheppen over hoe hij als oudere papa zijn verse zoontje zo graag ziet, hoe hij hem het beste van alles zal meegeven.

Hij legde zijn boek neer, pakte zijn telefoon (dat doet hij altijd), en pas dan durfde hij me aankijken. Ik stopte met het trainen van mijn duim en de pincetgreep, en keek terug. Tweede jeugd voor hem, tweede plaats voor mij. Pijnlijk.

Daarom richt ik nu maar zelf het woord tot u. Ik ben géén schattige baby. U doet me tekort als dat alles is wat u in me ziet. Ik bereid me voor. Lachen en brabbelen horen daarbij, en ik wring me welwillend in duizend bochten om me aan te passen aan wat hij over me schrijft. Ik doe niet moeilijk, en je moet per slot van rekening ergens vandaan komen.

Maar straks bepaal ik zelf wel wie ik zal zijn. Nu zijn mijn middelen nog beperkt, maar deze week, nu ze me toch de wijde wereld hebben ingestuurd, maakte ik een start. Ik joeg mijn temperatuur de hoogte in. Tot 40°, hogerop raken zij in paniek en dan worden ze onvoorspelbaar. Zelf heb ik er dan vooral veel dorst van, en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Voor maximaal effect deed ik er nog een darmgriepje bovenop.

Ze gooiden hun agenda’s overhoop, leerden omgaan met een koortsthermometer (het ziet er niet uit, maar los van de diarree is in de poep echt wel het makkelijkste voor alle betrokkenen), knoeiden met de maatbeker voor mijn koortsremmer en namen me mee in hun bed.

Ik maakte me een beetje zorgen over hen, zo intens waren ze met me bezig. Ze moeten dit nog jaren volhouden, het is nog niet het moment om hen volledig uit te putten. Ik beloonde hen met een nieuw geluidje, en meer gelach dan ze ooit van mij hadden gezien. Ik moest iets anders vinden. Minder acuut, maar zeker efficiënt om mijn plaats op te eisen.

Ik doe mijn best, maar me onafhankelijk van hen bewegen kan ik nog niet. Daar kijk ik nochtans naar uit. In stilte verdwijnen. Boeken uit de kast trekken. Fotokaders in gruzelementen op de grond. Het komt, ik voel het. Nog een beetje meer kracht en ik kan er aan beginnen.

In afwachting lijkt de pen van mijn vader me een beter idee. Hij springt er toch achteloos mee om. U hoort nog van me.

Uw toegenegen Vos.

Januari

Vosje en Amos, of is het Levi?
Vosje en Amos, of is het Levi?

Het is Vosjes laatste vrije week. De laatste dagen waarop hij niks moet, waarin hij uitsluitend zijn eigen ritme volgt, onbewust en onschuldig. Straks is het januari, en hij, vier maand oud, zal zich vanaf dan aan regeltjes en reglementen moeten houden. Dat zal niet zonder slag of stoot gaan.

Eén van de knelpunten is zijn naam. We noemen hem niet altijd en overal Vosje. Er circuleren minstens vijfkoosnaampjes, al naargelang het moment van de dag en zijn en ons humeur. Varkentje is tegenwoordig populair. Het maakt niet uit, hij is toch het centrum van de wereld, en heeft geen nood om welke naam dan ook te herkennen. Dat wordt lastig, straks in de grote wereld.

Over zijn hoofd heen discussiëren we ook nog over de naam van zijn nieuwste favoriete knuffel. Levi of Amos. Dat zijn de twee grootste kanshebbers. Amos is favoriet, maar zelf slaat Vosje vooral zijn armen om het aapje heen, zeker als de muziekdoos in het beestje tingelt.

Het is tussen vreemden dat een naam zijn echte betekenis krijgt. Het leven, en al de grote onderhandelingen die erbij horen, begint pas echt als je je naam herkent. Je wordt aanspreekbaar. Als ik me aanpas aan wat jij wil, wat krijg ik daarvoor in ruil? Mag ik er dan bij horen? Vosje zal dat spel goed spelen, houden we ons voor. Hij zal niet meteen alles en zichzelf opgeven om te krijgen wat hij het liefste wil. Hij zal niet zijn eigen grootste vijand worden.

The Romans named January after Janus, god of doorways, deity of time and transitions. He has two faces because he looks backwards and forwards.

I don’t make New Year resolutions – instead I have a psychic clear-out. What would I prefer not to repeat?

It’s not just History with a capital H that repeats itself; it’s our personal history too. It’s hard to shift negative patterns and negative thoughts. It’s hard to do things differently, to stop destructive and self-destructive behaviours, to stop colluding with our own worst enemy: ourselves.

Jeanette Winterson, Christmas Days

Het is gelukkig ijdele hoop. Ook Vosje zal met zichzelf worstelen. Een leven zonder krassen is geen leven. Wrijving zorgt voor energie, en die drijft je voort om doelen te stellen, boos te zijn op jezelf omdat je ze niet haalt, en opnieuw te proberen, steeds opnieuw. Goede voornemens en berusting. Frustratie en nieuwe plannen. Zonder onrust gebeurt er niets.

Straks, met het nieuwe jaar, sturen we hem de wereld en het grote leven in. In dat kleine, de eerste vier maanden, hebben wij alvast ons best gedaan om hem, zonder tegenprestatie, zonder onderhandelingen, te geven wat hij het meeste nodig heeft. Hij weet dat.

Gewoon, omdat hij er is.

 

 

Een zacht knetterend haardvuur

Het is nog geen zes uur ’s ochtends, en ik sta met Vosje in mijn armen naar buiten te staren. De jongen kijkt gefascineerd naar alles wat oplicht. Het stadsverkeer komt stilaan op gang, de verkeersslang voor het stoplicht is nog kort en iedereen gebruikt zijn richtingaanwijzer zoals het hoort. Een dag vol beloften.

We zouden moeten slapen nu, maar het is al de vierde keer dat hij wakker is. Naar mijn gevoel moest de avond nog beginnen bij de eerste kreet. Zo’n scherpe, waarvan je als ouder meteen heel alert wordt. Dan wat gejammer. Hij lag in zijn bed te woelen – goede oefening om zich eindelijk te leren omdraaien, dacht ik, maar dat had ik beter niet luidop gedaan. Hij heeft pijn! Ik til hem op, hij laat een luide boer, ontspant en ik leg hem terug.

De tweede keer krijgt hij een pijnstiller in zijn kont, de derde is gewoon honger en nu staan we hier. Als naar een zacht knetterend haardvuur. Zo kijken Vosje en ik naar het verkeer buiten. De eerste voetgangers vertonen zich al, in een appartement aan de overkant gaat het licht aan.

Gaan zitten mag ik niet van Vosje. Hij wil rechtop. En hij wil kijken. Ik ben hier eigenlijk te oud voor, jongen, zeg ik, maar hij staart me ongelovig aan. Zal ik je wat voorlezen, vraag ik, maar ik mag me geen stap van het raam verwijderen. Niet erg, fluister ik, de nacht is een speciale plek. Het gedrukte woord vervaagt dan, de letters lossen op, alles mag dan waar zijn, ook dat wat het niet is.

In mijn bed ligt je moeder, zeg ik. Ze is natuurlijk een beetje ongerust, en morgen zullen we ons haasten en je naar een dokter rijden die zal kijken en luisteren en jij zal dan waarschijnlijk alweer lachen, maar je weet maar nooit. Ik fluister het met mijn diepste stem, ik zing het de jongen toe. Maar daarnet, zeg ik, toen ze lachte wanneer ze je de pijnstiller toediende en ik daarnaar keek, en ik vroeg waarom.

Vosjes ogen vallen langzaam toe, hij wil het niet, het is een moeilijke les dat je niet steeds meester bent van jezelf. Laat je maar gaan, zing ik, het is ok om te verdwijnen in de nacht, straks is er weer een ochtend met hard nieuws en twaalf doden en verdwaasde mensen, maar nu, nu zijn we nog hier voor het raam en je moeder in haar bed en daarnet, zeg ik, was ze in een droom op een feest in een tuin, en ze straalde en lachte en zag er prachtig uit, en ik wil terug naar die droom, zei ze.

Hij heeft pijn, zeg ik wanneer we allemaal terug in dat bed liggen, de jongen in haar armen, en ik tegen haar aan, en hoe was het nog met je droom? Shht, zegt ze, hij is nog bezig. Wat een lange droom. Ben je ook aan het flirten? Met iedereen, maar ondersteun mijn lichaam nu maar. Hij zal toch niks ergs hebben? Ik frons een wenkbrauw, maar dat ziet ze niet, en voelen doet ze het ook niet in het donker van het bed.

Twee uur later foeteren fietsers op onvoorzichtige auto’s, die op hun beurt toeteren op de bestelwagen die dingen bestelt en daarom stilstaat waar het niet mag maar hij wel moet, en klingelen er trams en dat haardvuur lijkt op een bosbrand, inclusief een overvliegende helicopter. Vosje weent er stilletjes bij, en slaapt terug in op weg naar de dokter, die een lichte oorontsteking vaststelt.

Wat was dat deze nacht, zeg ik nog, en zij zegt niets bijzonders het was wel vreemd en jij was er ook, en stop je meteen even bij de apotheker? Ben je jaloers, vraagt ze, maar ik weet niet wat ze bedoelt. There is a race of men in the trees. Ze draaien Donald Fagen op de radio. Goh, wat was ik toen nog jong. Tonight you’re still on my mind. An independent station, WJAZ.
With jazz and conversation.

Ik fluit mezelf door de rest van de dag, zo hou ik me wakker.

 

Thomas Mann

Ik ga toch nog maar eens kijken.

Vosje is achtergebleven op een schapenvel in de Snoezelraum, zacht beschenen door voortdurend wisselend licht. Een jonge kerel in hotelkostuum wrijft hem zacht over de buik. De Raum zelf, speciaal ontworpen om baby’s en ander jong grut een ongekend gevoel van welbehagen te schenken, heeft een hoog jaren ’70 sci-fi gehalte. Geen rechte hoek te bespeuren, en boven de schuimrubberen ovalen kussens rijzen glaskralen als een koker omhoog. Beam me up.

Ik hoef me geen zorgen te maken. Vosje laat het zich welgevallen, dat gewrijf en die aandacht, althans genoeg om niet in wenen uit te barsten. Ik overweeg nog om een suggestie te doen voor de soundtrack (Billy Cobham’s debuut album ‘Spectrum’ uit 1973 past perfect), maar laat het zo. Mijn kennis van het Duits is nu eenmaal ontoereikend, en ook in een Duits’ Familotel zijn er grenzen aan de excentriciteit die je als klant mag vertonen. Wij zijn vooral dankbaar voor de paar uren crèche.

Het business model van zo’n hotel is heerlijk eenduidig. Alles om kinderen tevreden te houden, en een beetje voor ouders met ontsnappingsdrang. Het is een hard weerzien met de realiteit. Wat vinden kleine kinderen allemaal echt leuk? Pony’s. Meisjes verkleed als Mister Happy. Lelijke springkastelen. Spelen met eten. Eindeloos tafeltennissen met papa. Dansjes. Andere kinderen.

Het staat me straks allemaal weer te wachten. Er is bijna geen kind dat weerstaat aan die onmetelijke druk om erbij te horen, te willen wat alle anderen willen. Maar het lukt ze niet allemaal. In elke troep zijn er wel een paar die uit de boot vallen.

Het zijn uitzonderingen die zich op het vakkundig bespelen van de fagot gooien, circusartiest worden of aan een immer uitdeinende kevercollectie beginnen. Niet uit frustratie. Maar gewoon omdat ze dat willen, en dus kunnen. Of andersom.

Ach, natuurlijk willen we niet dat Vosje zich straks in de marge van het bestaan gaat ophouden, welke ouder wil dat wel? Niemand toch, elk kind dat zijn draden met het centrum (wij! de ouders!) langzaam uitrekt tot er enkel stofdraden overblijven zorgt voor ondraaglijke spanningen. Het is soms onvermijdelijk en toch willen we het niet, het zal ons hart breken en dan zijn ook wij er niet meer gerust in. We vertrouwens onszelf niet. Tienduizend scherven, zo’n gebroken hart, en elk van hen een mes aangescherpt door de pijn, roepend om wraak op de onrechtvaardige wereld.

Of een ademend, kwetsbaar en zacht hart, opengebroken om al het andere en wat anders is te omvatten. Zouden we dat kunnen?

We zijn stil in de sauna, elk met een beeld van Vosje in ons hoofd. Achteraf drinken we water met appel/citroen/kaneel smaak (alhoewel, die kaneelstokjes lijken enkel als versiering te dienen). We kijken elkaar aan, dankbaar voor de gewijde stilte en deze vrijplaats voor vermoeide ouders, waar het idee ‘kind’ helemaal in de achtergrond is opgegaan.

Ik neem mijn boek.Tristan, een vroege novelle van Thomas Mann. Het speelt in een kuuroord (hoe treffend dat ik enkel een topzware badjas draag), er is sprake van een behoorlijk onproductieve en excentrieke schrijver (aha), een onuitspreekbare en onbereikbare liefde (nou ja), en zowaar ook een kind. Ik verbaas me erover hoe strak die Duitsers hun toeval steeds weer organiseren.

Hij liep op de tenen van zijn grote voeten naar de stoel waarin de echtgenote van meneer Klöterjahn teer en glimlachend achteroverleunde, bleef op een afstand van twee passen staan, strekte zijn ene been naar achteren en boog zijn bovenlichaam naar voren; hij sprak op zijn enigszins geremde, slurpende manier, zachtjes, nadrukkelijk en ieder moment bereid zich spoorslags terug te trekken en te verdwijnen, zo gauw zich op haar gezicht een spoor van vermoeidheid en verveling zou aftekenen.

Thomas Mann, Tristan

In een oogwenk groeit Vosje, en wordt hij die karikatuur van een schrijver, die ooit één saai boekje heeft geproduceerd, en nu iedereen brieven schrijft en alleen van zichzelf antwoord krijgt. Grote voeten heeft hij al, de aandachtige blik ook – al houdt die zich nu nog koddig schuil in de periscopische manier waarop  hij zijn hoofd beweegt.

Ik schrik wakker wanneer het boek op de grond glijdt. Nee, Vosje mag alles worden, maar laat hem er dan alsjeblief goed zijn in. Zij kijkt op van ‘Het Diner’, van Herman Koch. ‘Ik krijg honger van dit boek,’ zegt ze. Zullen we? Vosje wacht.’

.

 

Trouw!

Eindelijk zijn we van Vosje verlost. Twaalf weken al heeft dat jonge leven onze dagen en nachten beheerst, nu is het tijd om alles achter ons te laten en nieuwe horizonten te verkennen. Afscheid nemen duurt een half uur, en dan kunnen we eindelijk instappen. Zwaaien kan hij nog niet, dat maakt oma wel weer ruimschoots goed.

Eens op de snelweg draaien we onze kont comfortabel in de zetels, ik zet mijn voet zwaar op het gaspedaal, en draai de muziek op maximaal volume. We zuchten en lachen luid, en maken een afspraak: we gaan het niet over Vosje hebben. Nee, voor even is hij taboe.

Al snel wordt het stil in de auto. Het is een lange rit naar de westkust, en af toe waait een storm ons haast van de baan. Wat zou er van Vosje worden als we niet zouden terugkeren? Hier in de aquaplanning tegen een vrachtwagen slippen of met een klapband richting berm slingeren, onderweg gevat door een rechts voorbijstekende sportwagen?

Het lukt me maar niet, zeg ik, terwijl ik mijn snelheid matig. Dat boek van mij krijgt maar geen vaste vorm, ik zie het hangen in de lucht en krijg het niet gevat. Als jij denkt dat de werkelijkheid soms weerbarstig is, probeer dan meer eens fictie. Er zijn zoveel touwtjes om aan te trekken, en nooit kan je vertouwen op de gewone gang van zaken om alles weer in orde te brengen.

Ga je het dan opgeven? vraagt ze.

Gepikeerd spring ik op (wat af te raden is als je aan het stuur van een rijdende auto zit). Natuurlijk niet! Ik ben koppig! En volhardend!

Naast mij klinkt gelach, en ik besluit niet te willen weten of het hoongelach of schaterlachen is, of nog iets anders tussenin, met een beetje wanhoop bij.

Je kan altijd opnieuw beginnen, zegt ze, een ander verhaal vertellen.

Dat kan. Ik weet het. We zijn onderweg naar een trouwfeest waar de eretafel zal worden bevolkt door volwassen kinderen uit eerdere huwelijken en verbanden.

Vosje zal toch wel ok zijn? Ja toch?

Ik besluit deze overtreding op de regels door de vingers te zien. Een kind moet zowat het enige zijn wat je niet zomaar kan uitvegen en vervangen door een nieuw begin. Geen wonder dat je daarvan af en toe in paniek raakt.

De grijze herfstlucht is nauwelijks te onderscheiden van de zee, op de dijk is alles gesloten en staan de appartementen te koop. Alleen een hond en zijn baasje trekken een streep door het zand. Straks, zeg ik, wanneer het zomer is, dan gaan we toch met Vosje kastelen bouwen? Ja?

Dat gaan we doen, het is beloofd, de jongen weet het nog niet, maar bij deze hebben we voor het eerst een echt Opvoedkundig Principe vastgelegd: hoe vluchtig ook, we gaan hem leren dat dromen minstens evenveel waard zijn als de werkelijkheid. Fictie boven het echte leven.

Het feest ’s avonds is geweldig. Op de grens met Frankrijk leven de Deense en de Belgische helft van het publiek zich helemaal uit. Wij ook. We dansen en springen en zweten. En zo komt het, dat ik, ergens ver na middernacht, besef dat ik mijn hoofdpersonages meer passie moet geven, alle remmen los, ze moeten diep gaan en hard vallen. Niet twijfelen, maar doen. Van pure oplichting brul ik deze onsterfelijke verzen mee:

En ben je soms niet goed gezind
denk aan de glimlach van een kind.
Ja dat maakt je weer blij ja dat maakt je weer vrolijk.
Het leven gaat zo snel voorbij,
dat geldt voor jou maar ook voor mij…

Oh laat de zon in je hart
Ze schijnt toch voor iedereen
Geniet van het leven
Want het duurt toch maar even.

Jacques Verburgt & Raymond Felix, Laat de zon in je hart, gebracht door de onsterfelijke Willy Sommers

Het resultaat van een avondje dansen
Het resultaat van een avondje dansen