Een echt boek

Een echt boekDat is al genoeg. Eén waarvan de puzzelstukken kloppen, waarin iets gebeurt, waarin de personages zich ontwikkelen en de stijl je dwingt om verder te lezen. Gewoon. Een echt boek.

Ja, dat zei ik dan, bij de derde Duvel, of de tweede latte. Moya en de anderen van ons schrijversclubje lachten een beetje met die lome ambitie. Je moet toch iets toevoegen aan de literaire canon, iets brengen wat nog nooit is gebracht! Echte boeken zijn er al genoeg! En bovendien, was die niet dood, de roman?

Het was een magische avond, maandag 17 februari, in zaal 7 in de Cogels-Osylei. Harold leidde in, Johan interviewde, Moya las voor en vertelde. Over wat dat is, schrijven. Zes keer dat eerste hoofdstuk. Zes keer luisteren naar detailkritiek. Jezelf dwingen om je ambitie scherp te krijgen. Wat wil je nu precies zeggen? Wat is daarvoor de beste vorm?  Blijven twijfelen. Aan de kwaliteit van het idee, aan de kwaliteit van de uitvoering. Weten dat het niet deugt, eigenlijk, en toch doorgaan. Totdat het een beetje acceptabel wordt. En dan nog.

Het is net het als het leven, schrijven. Je kan geen acht suikerklontjes eten als er maar zes op je bord liggen. Het moet kloppen, iemand moet de tafel dekken en iemand moet gedachteloos met tang en suikerpot aan de slag.

Zonder het schrijversclubje, waar Moya (het zijn trouwens haar suikerklontjes, op de koffie van een begrafenis, waar met het eten van suiker iets moois en vreemds begint – die onuitgegeven surrealistische roman dus) deel van uitmaakt, samen met Hilde en Jelle (en in het begin ook Lenny Peeters, maar die was te snel klaar met Dochter), zou Morgenster er niet gekomen zijn.

Najaar 2015: tien nieuwe studenten melden zich aan voor de proza-afdeling van de schrijversacademie in Antwerpen. Ik ben de jongste van de groep, Dirk de op één na oudste. We mogen zelf kiezen met wie we in een ‘clubje’ zitten, wiens werk en groeiend schrijverschap we vanaf de eerste rij zullen volgen, voorzichtig bekritiseren, grenzeloos toejuichen. In wie we zullen geloven op de momenten dat het een beginnend schrijver zwaar valt in zichzelf te geloven.

Dat hebben ze gedaan. En kijk, nu ben ik trots op dit boek, op deze materialisatie van droom en denkwerk. Wat er ook gebeurt, zelfs als al het overige in het water valt, dit neemt niemand me nog af.

 

cursieve tekst: Moya De Feyter

Dit is overigens de laatste keer dat mijn schrijversego en Morgenstertrots Bijgekleurd overnemen. U vindt ze voortaan hier, neem eens een kijkje. Vosje gaat straks voor het eerst naar school, dat is pas belangrijk.

http://www.morgensterhetboek.wordpress.com

Advertenties

Doen!

Ik was slechts één keer eerder in Malle. Op bezoek bij May Claerhout, in het begin van de eeuw een bekend en goed benetwerkt beeldhouwer. Sic transit gloria mundi en zo, want ze overleed in 2016 en ook de link naar haar website is ondertussen uitgedoofd.

Op een maandagochtend in december reed ik er opnieuw door de hoofdstraat. Eigenlijk had ik geen tijd, de laatste deadline voor Morgenster, begrijpt u. Maar ik wilde toch. De oudste zus van mijn vader werd begraven. Tante nonneke. Ik kende haar nauwelijks, weet bijna niets van haar leven. Een jeugd in dienst van een eindeloze stroom broertjes en zusjes, en in 1945, toen de lucht wat opklaarde, naar het klooster. Daar werd ze schooljuf.

De overblijvende nonnen, mager en ongeschonden, vulden de ene helft van de kapel van het nonnenbejaardentehuis, de familie de andere. De sfeer was vreugdevol, de kant van de nonnen ademde dankbaarheid uit, en blijde verwachting. De broers en zussen, al bij al nog talrijk, hadden zich neergelegd bij het late en langzame sterven van hun generatie – tante nonneke werd 93. Ook zij herinnerden zich weinig van hun oudste zus, het grootste deel van haar leven was ze door haar kloosterorde vakkundig afgezonderd.

Het bezoek aan May Claerhout destijds diende als bronmateriaal voor een toespraak. Plechtige inhuldiging van een beeld bij een federaal overheidsgebouw. Geen idee of gebouw, beeld en ambtenaren er nog zijn, maar ergens in Morgenster – het huis, niet het boek – slingert nog een beeldje van Claerhout rond. Een vrolijk meisje, zittend op haar poep, in beschilderd terracotta. Cadeau gekregen op het einde van het gesprek.

Tante nonneke, zo blijkt uit de lezingen van pastoor en abdis, was uiteraard een bescheiden vrouw geweest, in dienst van de gemeenschap en van de kinderen – die ze hielp waar en wanneer ze kon, ook toen ze al lang met pensioen was. Een vrouw met een roeping, en de overtuiging en de groothartigheid om die roeping ook compromisloos te volgen.

Met de eerste proefdruk van Morgenster op mijn schrijftafel viel het me die dag makkelijk om mijn cynisme te onderdrukken. Het kon echt, het hoefde niet groots te zijn, er bestonden mensen die met een opdracht in het leven stonden, en die opdracht simpelweg uitleefden.

May Claerhout had me net hetzelfde verteld. Doen!  zei ze, toen ik haar schoorvoetend over mijn literaire ambities vertelde. ‘Je zal nooit gelukkig zijn als je die drang blijft onderdrukken.’

Terug thuis, en nog voor ik de drukproef ter hand neem, zoek ik het op. Vocation. En waarom het zo lang geduurd heeft voor Morgenster er is.

No one is just an artist and nothing else, and in so far as one approximates that condition, he is so much the less developed human being; he is a kind of monstrosity. He must, at some period of his life, be a member of a family; he must have friends and companions; he must either support himself or be supported by others, and thus he has a business career. He is a member of some organized political unit, and so on. We naturally name his vocation from that one of the callings which distinguishes him, rather than from those which he has in common with all others. But we should not allow ourselves to be so subject to words as to ignore and virtually deny his other callings…

John Dewey in 1916, met dank aan het rijke archief van Brain Pickings.

De nonnen hadden geen gelijk. Een ééndimensioneel leven is maar wat het is. May Claerhout wel. Vele jaren na haar advies landt Morgenster deze week in de boekwinkels, en ik maak – voor ik het leven weer verder zet alsof er niets is veranderd, want een boek, ach, dat is toch maar een boek zoals al die andere boeken – een vreugdedansje. 

Doet u mee?

Na de zomer

Jaren heb ik met enige huiver de zomer tegemoet gekeken. De zomer, dat is immers het seizoen waarin je je colbert aan de haak moet hangen, en waar blijf je dan als man met al je spullen? Portefeuille in de achterzak van je broek. Sleutels vastgehaakt aan je riem. Alles dumpen in de handtas van je vrouwelijke gezel. Of toch – bibber en beef – de mannenhandtas.

Pest en cholera.

Het probleem drong zich de afgelopen zomer erg op. Ook in de nazomer lag ik nog onbeweeglijk in de schaduw van een boom, zo schaars gekleed als de omstandigheden het maar toelieten. Zweten deed ik toch, en nadenken uiteraard. Over het juiste einde voor Morgenster – dat, zo weet u ondertussen, is mijn debuutroman die in februari in de winkels zal liggen – u komt toch ook naar de boekvoorstelling op 18 februari in Antwerpen? – maar vooral over de oorsprong van al die stellige en belemmerende overtuigingen die me zo kwellen.

Zoals. Uitpuilende mannenbroekzakken zijn even erg als witte mannensokken. Of. Ik heb niet het zitvlees om een roman te schrijven.

Moest ik dat nu echt denken?

Die mannenbroeken. Op het moment van overpeinzen droeg ik er geen, wat de gedachtengang erover sterk bemoeilijkte. Maar die vestimentaire keuze hielp dan weer wel om dat zitvlees wat nader te beschouwen.

Een roman zonder explosief einde, is dat al een roman? Een roman die wel geschreven is maar niet gedrukt, is dat een roman? Vanaf hoeveel woorden is een roman écht?

Ik kwam er niet uit, schudde de zweetdruppels van mijn hoofd, en kleedde me weer aan. Portefeuille, sleutels, een handdoekje, ik sleepte ze in afwachting van een echte oplossing mee in een tote bag van Passa Porta bookshop – noblesse oblige.

Mijn telefoon verdween in de linkerzak van mijn short.

Dat kon dus. En eigenlijk deed ik dat altijd al, ergens in de loop van de jaren was die telefoon verhuisd van de binnenzak van het colbert naar de linkerbroekzak. Er was geen besluit aan te pas gekomen, geen bewuste keuze.

Broekzakken hoeven niet leeg te zijn.

Dat einde van Morgenster herschreef ik net, op de drukproef al, een allerlaatste keer, en de onzekerheid over die roman blijft, ook in de zuiverende kou van december. Wat een pretentie om zelfs maar te overwegen zo’n grootse onderneming aan te vatten. De literaire kritiek zal meedogenloos zijn, en het boek doodzwijgen. Voor vrienden en kennissen wordt het onderwerp taboe, ze gaan me meewarig en sussend toespreken, het woord hobby zorgvuldig vermijdend, en onder elkaar fluisteren over de belachelijke seksscènes. Historici – het boek speelt in 1904 – zullen geheel terecht op alle foute slakken zout strooien.

Als ik er nog iets van wou maken, dan was het einde van deze eeuwig durende zomer het moment om het boek terug te trekken en helemaal opnieuw te beginnen.

In de rechterzak van mijn short vind ik een fopspeen, en een miniatuurversie van een Dacia Duster, de nieuwe auto die Vosje tijdens de zomervakantie van een Frans kindje heeft gekregen. Het is zijn zak, die rechter.

Ik buig even door de knieën, en het valt niet te ontkennen. Die broekzak puilt uit. Ik sluit het kofferdeksel van de Duster, maar het verschil is miniem. Voor iedereen is het duidelijk: deze broekzak is niet leeg, hij puilt uit. Ik voel me naakter dan daarnet onder mijn boom, angstzweet breekt me uit.

Straks ligt dat boek dus in de winkel, mijn woekerend zitvlees, mijn eindeloos gepieker, mijn amechtige poging om op een elegante manier mijn demonen te bezweren.

Het is wachten op de pocketuitgave.