From here to eternity

Zo af en toe hebben ze een bevlieging, papa vooral, en dan kijken ze elkaar aan, zuchten een keer, en staan moeizaam op uit hun zetel. Dat ik net aan het spelen ben met Amos, of rustig mijn nieuwe leven in de crèche contempleer, dat maakt ze allemaal niet uit.

Ze rapen me op alsof ik de krant van gisteren ben (of die van eergisteren, het gaat toch steeds over die Trump), in deze fase van mijn leven heb ik geen keus. ‘We gaan op pad!’ Daar moet ik dan blij mee zijn, maar ik haat die maxi-cosi. De naam alleen al, vaag Italiaans alsof dat het mooier maakt, maar het ding weegt een ton en voor ze me in de auto hebben vastgegespt ben ik al zeeziek. Alles voor mijn veiligheid.

En dan rijden ze allebei zo wild.

Ze weten niet echt waar ze naartoe willen. Het gaat richting stad, maar onderweg twijfelen ze nog tussen de laatste solden en een tentoonstelling in La maison particulière. Goddank laten ze de winkels zo. Het meisje dat ons in het privé-museum ontvangt is beleefd en welopgevoed – ik beloon haar mooi en flink met een stralende glimlach. Werkt altijd, we hebben meteen connectie.

Veel valt er niet te zien. Een Italiaan is jaren in de weer geweest om foto’s van blote volwassenen te nemen en ze achteraf te assembleren tot grote tableau’s. De opwaaiende veer van mensenlijven vind ik mooi, de rest is vooral huisvlijt. Al zou het kunnen dat de betekenis me ontgaat, ik heb nog veel te leren.

Het gaat over de voortdurende transformatie, leest papa voor. Van conceptie tot het eeuwige leven. Dat is een interessante gedachte. Was ik er al voor ik hier was? Zal ik er nog zijn wanneer ik er niet meer ben? Heb ik hen gekozen? Ontstaat er niets maar blijft alles, zij het anders? Is het allemaal transitie? Of was het transformatie? Papa struikelt over zijn woorden, mama wandelt verder en zet zich aan een allercharmantst bureautje. Ze schrijft niets in het gastenboek.

Voorlopig hou ik het erop dat bloot gewoon leuk is om naar te kijken, en dat het moeilijk is voor oude mensen om met het naderende einde om te gaan. Een ijdel gevecht tegen het onvermijdelijk verval.

‘Verdomde acteurs!’ was één van de opmerkingen van de oude regisseur in Graz geweest, veelvuldig geciteerd in de theaterkantine, ‘eerst zuipen ze tot ze eindelijk een karakterkop hebben, en dan kunnen ze geen tekst meer onthouden.’

Martin Michael Driessen, Rivieren

Dat ligt nog allemaal voor me. Was ik een ander zoogdier, dan zat ik nog in de buik van mama, hulpeloos als ik ben. Nu hang ik in de touwen, tegen de buik van papa. Ze kijken naar buiten. Achteraan in de tuin van het buurhuis staat een mini-huisje, in een soortement Oostenrijkse stijl. Ja, dat zien we. In de verte dreigt een wolkenkrabber, op bescheiden Brussels formaat. Een verzekeringsmaatschappij heeft er een lichtreclame op gezet.

‘Wat is het mooist’, vraagt mama zich luidop af. Ik slaak een kreetje, want op die vraag ken ik het antwoord. De beide, wil ik zeggen, de beide in één blik gevangen, vanuit een hypergestileerd negentiende eeuws herenhuis. Het leven is niet óf, het is én. En het is alles tegelijk. Tijd is de echte fictie.

Terug thuis blijk ik 39° koorts te hebben. Ik moest me maar niet zo opwinden. Licht ontvlambaar zal ik altijd wel blijven.

 

Juli Zeh

Misschien, dacht Arne, werden gevoelens gewoon niet zo oud als mensen. Vanaf een bepaalde leeftijd leefden echtgenoten samen als huisgenoten in een woongemeenschap, als ze niet allang gescheiden waren. Kinderen en ouders hielden op elkaar aardig te vinden, gingen evengoed bij elkaar op bezoek en waren blij als de ander weer ophoepelde. Vrienden verloren elkaar uit het oog, buren veranderden in vijanden. Minnaars werden een last, je schaamde je voor oude schoolvrienden en zelfs een huisdier begon op een gegeven moment te irriteren.

Juli Zeh, Ons soort mensen.

Ik zag het. Mijn vader, de Vosjespapa, durfde dit fragment niet luidop voorlezen, ook al was er behalve ik, Vosje, niemand in de kamer. Maar zijn lippen prevelden de woorden toch, terwijl hij anders altijd in volstrekte roerloosheid leest. Tot zijn ogen dichtvallen van vermoeidheid.

En dan leest hij dit. En hij begrijpt. Dat ik er niet ben om mezelf, maar omdat hij zijn ouderdom ontvlucht. Omdat hij wil blijven voelen, of opnieuw. Je kan discussiëren over wat echt is: het idee achter het plan, of de realisatie. Ik maak alvast van die drie het meeste geluid, terwijl het idee in hun hoofden vervaagt. Ik zal er een leven achter jagen en dan nog. Begrijpen of het van hem of van haar kwam, verwacht ik niet ooit te doen.

Vier maanden zijn we nu samen. Al die tijd heeft hij hier, op deze pagina’s (dat gebazel rond digital natives moet maar eens ophouden, we zijn native nostalgics – kijk maar eens hoe jullie alles van het verleden voor ons terughalen en ophemelen, onwetendheid en bijhorende dictators incluis), op deze webpagina’s dus, zitten opscheppen over hoe hij als oudere papa zijn verse zoontje zo graag ziet, hoe hij hem het beste van alles zal meegeven.

Hij legde zijn boek neer, pakte zijn telefoon (dat doet hij altijd), en pas dan durfde hij me aankijken. Ik stopte met het trainen van mijn duim en de pincetgreep, en keek terug. Tweede jeugd voor hem, tweede plaats voor mij. Pijnlijk.

Daarom richt ik nu maar zelf het woord tot u. Ik ben géén schattige baby. U doet me tekort als dat alles is wat u in me ziet. Ik bereid me voor. Lachen en brabbelen horen daarbij, en ik wring me welwillend in duizend bochten om me aan te passen aan wat hij over me schrijft. Ik doe niet moeilijk, en je moet per slot van rekening ergens vandaan komen.

Maar straks bepaal ik zelf wel wie ik zal zijn. Nu zijn mijn middelen nog beperkt, maar deze week, nu ze me toch de wijde wereld hebben ingestuurd, maakte ik een start. Ik joeg mijn temperatuur de hoogte in. Tot 40°, hogerop raken zij in paniek en dan worden ze onvoorspelbaar. Zelf heb ik er dan vooral veel dorst van, en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Voor maximaal effect deed ik er nog een darmgriepje bovenop.

Ze gooiden hun agenda’s overhoop, leerden omgaan met een koortsthermometer (het ziet er niet uit, maar los van de diarree is in de poep echt wel het makkelijkste voor alle betrokkenen), knoeiden met de maatbeker voor mijn koortsremmer en namen me mee in hun bed.

Ik maakte me een beetje zorgen over hen, zo intens waren ze met me bezig. Ze moeten dit nog jaren volhouden, het is nog niet het moment om hen volledig uit te putten. Ik beloonde hen met een nieuw geluidje, en meer gelach dan ze ooit van mij hadden gezien. Ik moest iets anders vinden. Minder acuut, maar zeker efficiënt om mijn plaats op te eisen.

Ik doe mijn best, maar me onafhankelijk van hen bewegen kan ik nog niet. Daar kijk ik nochtans naar uit. In stilte verdwijnen. Boeken uit de kast trekken. Fotokaders in gruzelementen op de grond. Het komt, ik voel het. Nog een beetje meer kracht en ik kan er aan beginnen.

In afwachting lijkt de pen van mijn vader me een beter idee. Hij springt er toch achteloos mee om. U hoort nog van me.

Uw toegenegen Vos.