Georges Saunders

Waar het vandaan komt, weet ik niet, want mijn moeder was de netheid zelve, ze stond erop elke dag het huis aan de kant te hebben. Maar ik hou van rommel. Laat je mij doen, dan laat ik overal losse eindjes achter, in de vorm van stapels boeken (natuurlijk! het laatste echte statussymbool in deze gespotifyde wereld, zeker wanneer het meervoud u een labyrint van boeken suggereert, waarin een peinzende blogschrijver niet anders kan dan zichzelf en zijn lezers verliezen), ambtelijke post, veel te laat aangespoelde kerstkaarten, een lekkere fles kriek die ik maar niet drink, wat gladde keien met een vage betekenis, een hoop kussens, whiskyglazen en whiskyflessen, en foto’s van Vosje. Ik hou niet zo van het tentoonstellen van foto’s waarop mensen staan waarvan ik hou, maar voor Vosje maak ik graag een uitzondering. Hij mag zelfs in goed gezelschap zijn, met zijn grote broer, met zijn moeder, en zelfs – quelle horreur! – met mij. Niets is ijdeler dan foto’s van jezelf openlijk tentoonspreiden, en ijdelheid is des duivels, maar voor foto’s van Vosje en mij geldt dat niet, zo blijkt (net zo min trouwens als voor de foto’s van Spencer Tunick waarop ik ook ergens figureer, zij het onzichtbaar of toch spoorloos, terwijl ik er echt wel was destijds, in Brugge, en vele jaren later in Gaasbeek, telkens op een godsonmogelijk vroeg uur, maar dat telt dus niet echt).

In mijn wanorde heb ik de vrijheid telkens opnieuw een andere werkelijkheid te herkennen, zonder dat ik daarvoor het hele huis door elkaar moet halen, of anderszins uit mijn zetel hoef te komen, een zetel van waaruit ik staar naar de stapels boeken, en, uiteraard, naar de foto’s. Die vrijheid is me dierbaar, en ik was blij dat Vosje, al sinds hij kan lopen, dingen oppakken en weer laten vallen, me trouw volgde in het maken van wanorde.

Heerlijk, zo’n kind in huis.

Hij begon met het uit en weer inladen van keukenladen vol tupperware, nu alweer maanden geleden. Daarna, bijna stiekem, ging hij aan de slag met zijn kleerkast, om vervolgens, elke ochtend opnieuw, de boeken die papa ’s avonds achteloos in de zetel had laten slingeren, op de juiste stapel terug te leggen. Toen stond ik nog vol bewondering voor zijn vermogen om de juiste wanorde telkens opnieuw te creëren.

De juiste wanorde. Dat wordt, zo denk ik, ooit nog eens de titel van de verhalenbundel waarvan ik het eerste verhaal, de eerste zin, nog moet schrijven. In korte verhalen mag en kan alles, telkens weer een flits die de grote chaos van de wereld belicht, absurd en toch hyperrealistisch. Dat zou ik ook willen kunnen, denk ik, wanneer Vosje Georges Saunders’ Tenth of December terug op de stapel legt.

Have been sleepwalking through life, future reader. Can see that now. Scratch-Off win was like wake-up call. In rush to graduate college, win Pam, get job, make babies, move ahead in job, forgot former feeling of special destiny I used to have when tiny, sitting in cedar-smelling bedroom closet, looking up at blowing trees through high windows, feeling I would someday do something great.

Hereby resolve to live life in new and more powerful way, starting THIS MOMENT (!)

Georges Saunders, The Semplica Girl Diaries uit Tenth of December

Het kraslot waarvan sprake levert de man voldoende op om, net voor de verjaardag van zijn oudste dochter, hun braakliggende tuin in te richten en een schitterend verrassingsfeest voor haar te organiseren. Blikvanger zijn de semplica girls uit de titel, denk daarbij aan levende tuinkabouters uit verre landen.

Uiteraard gaat het op het einde van het verhaal helemaal mis met de man, de tuin, en zijn kinderen. Het gaat altijd mis in de verhalen van Georges Saunders, en met Vosje weet ik het ook niet meer zo. Hij herstelt niet alleen mijn zo dierbare wanorde, hij ruimt spontaan ook alles op, zeker de keukenla met tupperware (en het is, dat kan ik u verzekeren, een complexe 3D-puzzel om die la zo weer in te laden dat ze dicht kan – ja, Vosje is een slim kind). Hij zet lege glazen op het aanrecht (op het randje, want hij kan er nog niet goed bij), zet ieders linkerschoen weer netjes op zijn plek naast de rechter, en, ik durf het haast niet op te schrijven, maakt een nette rij van zijn autootjes. Geparkeerd van groot naar klein, gesorteerd op kleur, of op eender welke regelmaat die hij maar kan bedenken. Het is zelfs al gebeurd dat hij, na gedane arbeid en het lezen van zijn nieuwste boekje (over het herkennen van billen van dieren, een echte hit, ik wou dat ik het zelf had verzonnen, want ik hou best van billen, maar dat is weer een ander verhaal), terugkijkt naar de rij, spiedend, de paar stappen zet die nodig zijn, en corrigeert. Dan wil hij een koekje. De jongen houdt, het is niet anders, van orde.

Ik kan het daarbij niet laten, dat begrijpt u.

Elke ochtend, voor dag en dauw, neem ik hem nu bij mij op de schoot, en vertel, herhaal, repeteer, zeg hem dat de enige orde die een jongen nodig heeft in zijn leven, die van het juiste woord is. Voor alles, zo houd ik hem voor, is er een woord. Voor wat je ziet, wat je denkt, wat je doet, voor wat je voelt. Vergeet dat niet, en misschien dat jij dan, straks, die verhalenbundel De juiste wanorde zal schrijven, over een vader die worstelt met alles op een rij te zetten, en voortdurend denkt THIS MOMENT (!)

Maar Vosje, als je dat dan straks doet, schrijf je het dan met liefde, wil je?

PS Ik kon het niet laten, en kocht na het lezen van The Semplica Girls voor het eerst sinds jaren een kraslot. Alleen als ik niet zou winnen, zou mijn leven – min of meer – op de rails blijven. Nu vraag ik u, 20€ (twintig euro), is dat winnen, of verliezen?

Advertenties

Lenny Peeters

De pluche zag er zacht uit, als de kleinste veertjes die vogels soms verliezen, maar toen vader me de pantoffels aandeed en de konijnenoren mijn voeten raakten, gilde ik. Het was alsof vader in mijn nek kneep. Rillingen tot aan mijn vanachteren. Ik trok de pantoffels weer uit. Vader zei dat ik ze niet hoefde te dragen als ik niet wou, maar dat het wel jammer was, want dat hij ze goedkoop op de kop had kunnen tikken. Lees verder

Edward St. Aubyn

Exact één jaar mag een staat van genade duren. Daarna slaat de werkelijkheid toe. Onverbiddelijk.

In Vosjes geval kwam ze in de vorm van een gevecht, de dag na zijn eerste verjaardag. Tegenstrever: een meisje, één maand ouder. Inzet: een speelgoedje. Resultaat: een gezwollen wang, en een blauwe plek onder de kin. De nederlaag was compleet.

U leest het goed. Vosje, dat prachtige, schitterende, in alle opzichten superieure wezen, heeft het moeten afleggen in zijn eerste echte gevecht. Volgens de medewerkster van de crèche heeft hij zichzelf niet eens verdedigd. Het ontbreekt hem, aldus die medewerkster, aan assertiviteit.

Nu al. Daar zijn we even stil van.

Stel dat het andersom zou zijn geweest, zeg ik tegen zijn verontruste moeder. Stel dat hij als een bulldozer te keer zou gaan, onschuldige meisjes zou molesteren en anderszins van een overmatige geldingsdrang blijk geven, zou dat niet veel erger zijn? De jongen wil gewoon niet dat de wereld pijn heeft! Hij is nog altijd perfect!

Ze schudt haar hoofd.

De wereld is niet veilig, zegt ze. Met woorden alleen red je het niet. Er zijn grenzen af te bakenen, posities in te nemen, je moet vermijden dat je een slachtoffer wordt. Ik wil niet dat Vosje straks gepest wordt, dat hij door de bullebakken van de speelplaats als boksbal wordt gebruikt. Of uitgelachen omdat een klasgenoot op het web heeft ontdekt dat hij zich als baby niet kon verweren. Schrijf er niet over! Hij moet rechtstaan, de borst vooruit en met priemende blik. En pootje lap als het echt nodig is.

Ik kan haar niet tegenspreken. ’s Avonds, wanneer de jongen in zijn dromen draken temt, word ik rusteloos, en schrap en onschrap deze tekst telkens opnieuw. Zelf heb ik nooit gevochten – ik maakte toch geen schijn van kans, maar ergens onderweg ben ik, poef!, toch veranderd in een wereldwijze klootzak. Wanneer het moment daar om vraagt, natuurlijk.

Wat draagt het meeste bij tot geluk? Streven naar een betere wereld? Of streven naar een betere plek in de wereld? Het lijkt alsof ik, ijsberend door de huiskamer en met een voortdurend leeg glas, de politiek opnieuw uitvind, de wereld met een zweepslag in twee deel. Ha!

Het gaat niet om de wereld, zegt de moeder van Vosje. De wereld is te groot. Het gaat om Vosje. Ik wil niet dat hij gekwetst wordt. Punt. Dat willen toch alle moeders? Waarom snappen vaders dat nooit? Mijn kind zal gelukkig zijn.

Ze windt zich op, wordt woedend en jaloers op het kleine meisje dat haar zoon zo heeft toegetakeld, en ik voel de afkeer voor mijn naïeve vredeswens. En ga zitten, zegt ze, je maakt me nerveus met al dat gedruis.

Goh, zucht ik, en staar dan zwijgend voor me uit, het lege glas in één hand, de andere op de vele centimeters dikke The Patrick Melrose Novels. 

Mind you, I don’t know why people get so fixated on happiness, which always eludes them, when there are so many other invigorating experiences available, like rage, jealousy, disgust, and so forth.

Edward St. Aubyn, Some Hope

De volgende ochtend is Vosje weer vrolijk als altijd, en hij bladert in één van zijn eerste boekjes. Ik kijk hem aan en vraag me af wat ik kan doen om hem zijn plaats te laten vinden in wereld, zonder wrok of haat.

Zou hij daar uit groeien? Vosjes moeder kijkt me fronsend aan.

Natuurlijk, zeg ik. Het gaat niet lang meer duren of hij leest echte boeken, in plaats van die kleine met één prent per pagina.. Het zou fijn zijn als hij dichter wordt.

Haar ogen bliksemen me neer.

J.M.A. Biesheuvel

Het houten gebinte van het koor ziet eruit alsof het pas gisteren is herschilderd. In het beige, met pilasters in groen, geel, oranje, rood en misschien nog een paar andere fletse tinten, ik ben niet zo goed in het herkennen van kleuren. Het ziet er in elk geval vreemd vrolijk uit.

Een maand geleden, bij de begrafenis van mijn moeder, heb ik niet op de kerk gelet. Mijn aandacht ging toen naar de urne voor me, en de plavuizen aan mijn voeten. Maar nu zit ik naast mijn vader in een gewone misviering. Aan het begin ervan werd mijn moeder genoemd, samen met die ene andere overledene van de parochie. Straks krijgen we een kaars mee naar huis.

Ik prevel zonder aarzelen de vaste formules, al is het meer dan dertig jaar geleden dat ik nog een mis bijwoonde. Deze rituelen blijken in mijn ziel te zijn verankerd, het maakt niet uit dat ik ze ooit uit het diepste van mijn hart heb verfoeid. Rechtstaan, weer gaan zitten, de priester die zijn armen spreidt, niets is veranderd. Het doet me denken aan de verhalenbundel van J.M.A. Biesheuvel, ook dertig jaar oud, die ik gisteren kocht.

Wij zijn een goddeloos volk en wij zijn daar trots op, misschien juist te meer omdat we vroeger niet goddeloos waren. Nu kan het zijn dat iemand ons vanuit de hoogte beschermt en zo iemand schijnt er inderdaad onder ons volk te zijn. Er is een man in de hoofdstad en die gaat soms aan zijn raam staan, de legende zegt dat het raam altijd open is, midden in de nacht komt die man uit bed en gaat aan het raam staan en geeft ons de zegen. (…) Niemand heeft de man ooit gezien terwijl hij zegende en velen van ons menen dat wij een dergelijke zegen niet nodig hebben.

J.M.A. Biesheuvel, Over de moeilijkheid van het zegenen (uit De Angstkunstenaar)

Ik behoor tot een minderheid, zei de tweedehandse boekenman, bijna niemand hier in Vlaanderen kent Biesheuvel. Het is een cadeau, zei ik. Voor iemand die zich nog meer minderheid voelt dan ik.

Ook de mensen in de kerk zijn nog dezelfde, vermoed ik, al zijn ze net zo goed dertig jaar ouder. Destijds waren ze nog de wankelende zekerheid van de macht waar ik moedeloos tegenaan schopte, nu een groepje dat zichzelf probeert heruit te vinden. Ik hoor nederigheid in de preek, compassie in de voorbeden, en een voorzichtig maar zelfzeker pleidooi voor een vrije kerk, los van het instituut. Nog even, en ik vind deze mensen sympathiek.

’s Namiddags, op een terras in de Antwerpse binnenstad, kijken we naar de mensen, op deze laatste dag van de Antwerp Pride nog net iets kleurrijker dan anders. Vosje lacht gewoontegetrouw naar iedereen. Hij gaat zich later van deze periode niets herinneren, de eerste jaren leef je van moment tot moment, van dag tot dag. Hoe hij zijn eerste stapjes probeert te zetten, door zijn eerste boekjes bladert, het bestaat alleen maar in het nu. Hij is een absolute minderheid, alleen maar zichzelf, beschermd door een warme kring van liefde.

Mijn vader vindt het onnatuurlijk, zo alleen te moeten leven, zegt hij, zonder schild tegen de werkelijkheid. Er zijn meer manieren waarop zijn vrouw hem mankeert, dan hij zich eerst kon indenken. Hij heeft het nodig, denk ik. Minderheden hebben het nodig. Genegenheid en compassie, en iemand die ’s nachts, wanneer iedereen slaapt, Biesheuvel leest en aan zijn open raam gaat staan en de wereld zegent.

Simonne

We zijn in Normandië. Het weer is er wisselvallig en het licht onbestendig, maar de oesters lekker en het is niet ver. We zijn vertrokken met als enige plan om even weg te zijn, toerist in onze eigen levens. In mijn bagage zit het rouwboek dat Roland Barthes schreef na het overlijden van zijn moeder, mij toegestuurd door een onzichtbare vriendin na het overlijden van de mijne, nu twee weken geleden.

In het begin is de dood een gebeurtenis, een avontuur, iets wat je mobiliseert, tot daden aanmaant en verkrampt. En dan, plots, is het dat niet meer, is de tijd alleen nog duur, samengebald, onbetekenend, niet verteld, grauw, zonder enig mededogen: echte rouw is niet vatbaar voor woord- en tegenwoord, wordt geen verhaal.

Roland Barthes, rouwdagboek, 15 november (eigen gebrekkige vertaling, waarvoor mijn excuses)

We zijn op dat moment. Er valt niets meer te doen. Het leven van mijn moeder is opgeruimd, opgevouwen en bijgezet. Voordien, toen ze nog leefde, was het makkelijk: haar fysieke aanwezigheid volstond, ze praatte en bewoog altijd, ze had geen tijd om oud te zijn.

Terwijl wij luisteren naar de branding, en staren naar de oneindigheid van het water, ziet Vosje alleen maar klam zand en ronde keien. Hij vindt de zee maar niks. Het is kil, er zijn geen mensen om naar te lachen, en niets om zich aan op te trekken. We zijn een zomer te vroeg. Misschien volgend jaar, dat hij dan putten graaft, zijn gele kipwagen uitput en water naar de zee emmert.

We rijden het binnenland in, weg van de gebaande paden. We zijn er al voorbij voor we het zien, het bescheiden bordje naar de abdij van Grestain. We keren om. Het terrein is één en al glooiend grasveld, op een nieuw huis na, en een beetje verder een Normandisch gebouw. De deur staat open, binnen wacht een oudere man ons op. In wat zijn woonkamer lijkt liggen brochures op een grote tafel, er hangt een wandtapijt en in een kamer links, wat hogerop, zit een man alleen te eten. Een karakterkop.

Deze ruimte is al wat overblijft van de abdij, legt de oudere man uit. Terwijl het ooit, in de elfde en twaalfde eeuw, één van de meest glorieuze abdijen van zijn tijd was. De moeder van Willem de Veroveraar ligt hier begraven, onder één van deze glooiingen, waarschijnlijk ongeveer waar wij de auto hebben geparkeerd. Elke eeuw bewoning zorgt voor extra twintig cm aarde, je wandelt hier op geschiedenis.

Geluk is een kwestie van tijdigheid, bedenk ik me, van volgorde, en opgeruimdheid. Van lagen die mekaar toedekken. Ik heb daar geen talent voor, ik leef in gelijktijdigheid en hak op de tak, en tref daar geheel per ongeluk ook soms de eeuwigheid aan, weggestopt in een kreukel van een vuil laken, of de lach van Vosje in de armen van zijn moeder.

Geen relatie gaat ooit dieper, is moeilijker, dan die met je moeder. Je dankt alles aan haar, wat je bent, en wat je niet bent, en dat voel ik hier en nu, met zicht op de meanderende Seine, sterker dan ooit. Ik moet ze in mij laten wonen, mijn moeder, zoals ze in mijn broers woont, en in mijn vader. Het voelt als een opdracht, maar misschien is het gewoon gemis.

Ze heette Arlette, de moeder van Willem de Veroveraar. Roland Barthes’ maman Henriette. De mijne Simonne.

 

Kompas

Ik herinner me de de toespraak van Colin Powell voor de Verenigde Naties als was het gisteren. Weapons of mass destruction.

Het was februari 2003, en een hersenvliesontsteking kluisterde me aan een ziekenhuisbed. Er gebeurde verder niets, het virus had mijn lijf in zijn greep en de tijd stond stil, als in een kinderfantasie waarin je even rond kan wandelen terwijl alle anderen,  de vlieg op het raam inbegrepen, in een freeze gevangen zitten. Even ademruimte, om de werkelijkheid van alle kanten te bekijken en een tikje te geven. Niet te hard, niemand mag weten van jouw magische truuk. Maar verder is mijn ijzeren gezondheid legendarisch.

Tot Vosje. Bron van geluk en vreugde, maar ook overdrager van heel veel ziektekiemen, waar ik op mijn gevorderde leeftijd blijkbaar erg bevattelijk voor ben. Maanden ben ik zo al kwijtgeraakt in 2017, en het jaar is niet eens halfweg. Afgelopen week was het weer zover. Buikgriep. Ik mag dan koppig zijn, na twee slapeloze nachten buig ik toch deemoedig het hoofd. Er zit niks anders op dan uitzieken. Eén dag wil ik me toestaan. Een dag als een groot gapend gat waarin ik de krachten die door mijn lijf gieren vrij spel zal geven. Verzet is nutteloos, ik kom er toch aan de andere kant weer uit, gelouterd en als nieuw.

Er valt verder niks te klagen. Het wordt gewoon een luie, vormeloze dag, soezend in de zetel naast de boekenkast. Er zijn half en helemaal niet gelezen romans, filosofen in hapklare pockets, hermetische dichtbundels en kortverhalen. Het recentste Liegend Konijn ligt bovenaan, maar voor poëzie blijkt mijn hoofd niet helder genoeg, en bovendien, ik moet toch weer rechtstaan, de laatste krachten sijpelen uit mijn lijf.

Het is al middag wanneer ik Jamal’s Herinneringen in aluminiumfolie probeer. Te droog en te dichtbij schuif ik het opzij, samen met die ene niet opgegeten boterham, mijn optimistische poging tot lunch. Even proef ik nog van Mathias Enard’s Kompas, een leven in de Oriënt en de liefde, samengebald in één slapeloze nacht. Maar eerst moet ik naar de apotheek. Echt.

Terug voel ik de koorts opkomen. Met een dafalgan nestel ik me opnieuw in de zetel, en drie uur dwaal ik tussen Parijs, Wenen, Istanbul, Damascus en Aleppo, tussen muziek en kunst, West en Oost en de vage grenzen ertussen, de negentiende eeuw en vandaag. Dat ik zelf ril van de koorts merk ik pas wanneer ik met bevende hand dit aanduid:

Ik wil me niet verdiepen in de namen van ziekten; dokters en astronomen dopen hun ontdekkingen graag met hun eigen naam, botanici met die van hun vrouw – à la rigueur is het misschien te begrijpen dat iemand dolgraag peetvader wordt van een asteroïde, maar waarom hebben die grote chirurgijnen huiveringwekkende en, wat meer is, ongeneeslijke ziekten naar zichzelf genoemd, hun achternaam is heden synoniem met falen, falen en onmacht, charcot, creutzfeld, pick, huntington, stuk voor stuk esculapen die (in een merkwaardige metonymie: de genezer voor het ongeneeslijke) uitgroeiden tot de ziekte zelf (….). 

Mathias Enard, Kompas

Wat weten we weinig! Wat weet ik weinig! Van het Midden-Oosten, die rijke wereld die Mathias Enard beschrijft al zo goed als niks – en nu is het onherroepelijk te laat, na Powells toespraak is geweld er de dominante kracht geworden. En wat leef ik zuinig! Ik kleur binnen de lijnen, risicoschuw als ik ben. Wat zal ik zeggen, straks, wanneer ik net als Franz Ritter, het hoofdpersonage van het boek, terminaal ziek zal zijn? Dat moment komt, het komt voor iedereen. Zal ik dan zeggen dat ik echt heb geleefd, dat ik er alles heb uitgeperst? Zal ik tevreden kunnen zijn met al mijn falen?

Maar eerst moet ik opstaan, een vlaag van misselijkheid treft me midscheeps. Het doet pijn, en even, even maar, terwijl de thermometer me vertelt dat de koorts maar blijft stijgen, veertig bijna, denk ik dat het al zover is.

Een lauw bad helpt. Ik kijk hoe mijn ouder wordend lichaam rimpelt, de tijd stil zetten is me na 2003 nooit meer gelukt. Het water ontspant me, ik val bijna in slaap. Ik beef niet meer, en terwijl het water koud wordt, wint mijn hoofd aan helderheid. Het is alweer voorbij. Ik sta recht, droog me zorgvuldig af.

De woonkamer is een puinhoop. Ik zet de radio aan, leg de stapels boeken recht en laat de gewone wereld weer binnen.

 

Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum

Sinds een maand of twee heeft Vosje een identiteitskaart. Een formaliteit, ter bescherming van het kind en de maatschappij, dat snappen we wel. Beveiligd en geplastificeerd bovendien, mét foto. Dat is vakwerk, want afmetingen, pose, achtergrond, alles ligt reglementair vast. En een kind van zes maanden zit nog niet echt stil voor de fotograaf – sterker nog, dat zit helemaal niet zonder een helpende hand die niet mee op de foto mag.

De kaart, babysnapshot incluis, is vijf jaar geldig.

We tonen ze trots aan de gate richting Napoli, waar de medewerker van de luchtvaartmaatschappij ze straal negeert. Vanuit zijn buggy lacht en brabbelt Vosje hem toe. Voorlopig volstaat dat nog om overal binnen te geraken. Als het ooit anders wordt, zal ik hem het volgende voorlezen:

Iedereen ging waar hij wilde, en bleef zolang als hij wilde. Er bestonden geen verblijfsvergunningen, geen reispapieren, en ik geniet steeds weer van de verbazing van jonge mensen als ik hun vertel dat ik naar India en Amerika reisde zonder een pas te bezitten of er zelfs ooit maar één gezien te hebben.

Al de vernederingen die vroeger alleen voor misdadigers waren uitgevonden, werden nu voor en tijdens het reizen opgelegd aan de reiziger. Je moest je van links en rechts laten fotograferen, en profil en en face, je haar zo kort geknipt dat ze je oren konden zien.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Ach, jij en je goede oude tijd, zal Vosje me dan zeggen. Je hebt ze niet eens zelf meegemaakt. En dat klopt. Stefan Zweig schrijft over het begin van de twintigste eeuw, toen vooruitgang nog een zaak van publiek debat was, waar mensen in geloofden. Een beetje naïef, dat zeker, maar de verbetering van het lot van alle volkeren was een ernstig onderwerp.

Misschien dat Vosjes generatie dat opnieuw ter hand neemt, maar voorlopig lijkt het erop dat we vinden dat er genoeg verbeterd is, dat het tijd is om af te bakenen en te verdedigen, dat iedereen meer te verliezen heeft dan hij een ander gunt.

Ook wij nemen in Napels extra voorzorgen. Met slechts één kredietkaart de straat op, en een beetje cash. Maar de Napolitanen schurken zich nog warm in hun winterjassen, het jachtseizoen op toeristen is nog niet geopend. We voelen ons onmiddellijk thuis, alles hier was ooit in aanbouw of restauratie, bijna niets is ook afgeraakt. Een volk van dromers en planners, met ongeduld kauwend op weer nieuwe ideeën voor deze zomer.

We wandelen van winkel naar palazzo, Vosje baant ons de weg, de oehs en ahs die met zijn verschijnen gepaard gaan met valse bescheidenheid wegwuivend. Ja, ook de jongen past hier, in het spoor van de vele Vlaamse, Franse en Duitse notabelen die hier ooit hof hebben gehouden.

Maar we willen nog verder terug in de tijd. De trein richting Pompeï – een nauwelijks aangeklede metalen doos, volgepropt met fris gewassen cultuurconsumenten en zwetende locals – is geen succes, en we stappen uit bij Ercolano. Ook hier ligt een antiek stadje dat met één zucht van de Vesuvius van de aardbol is weggeblazen.

Aan het begin van de Via IV Novembre wacht Lorenzo ons op. Hij prijst pizza’s, koffie en ijsjes aan, want je weet maar nooit waar die rare toeristen zin in hebben. We wuiven hem vriendelijk weg, straks misschien, eerst willen we terzake komen, de oude Romeinse cultuur wacht op ons. De straat is stoffig, oude mannen drinken koffie en spuwen fluimen tabak in de goot. We houden toch maar halt, we hebben honger en dorst. Panilandia klinkt als een groots opgezet broodjeszaakplan, maar met Alessandro’s beperkte middelen ziet het eruit als een ouderwetse Vlaamse frituur. Hij prijst burgers aan, maar je moet gaan voor de broodjes caprese, die zijn echt heerlijk.

De zon is mild, het stadje arm en vredig en we beelden ons in hoe het hier 1.938 jaar geleden was, net voor de uitbarsting. Niet veel anders dan nu, denken we, er zijn de rijke Romeinen die in grote villa’s wonen aan de prachtige kust, en de gewone man die zijn dagen slijt aan de kant van de weg, kijkend naar wat voorbijkomt, nadenkend over de nietigheid van het leven.

Een voortdurend toeterende vrachtwagen verstoort onze rust. Vanuit de laadbak verkoopt een jonge kerel kisten rijpe aardbeien. Acht bakjes voor maar drie euro. Een koopje. Wanneer de Italianen zijn uitgekocht stap ik op hem toe. Ik moet maar één bakje, zeg ik. Hij grijnst. Alleen de hele cassa zegt hij. En dat hij geen Engels spreekt. Ik kan zo’n cassa niet dragen, zeg ik, en dat we uit België komen, want dat wou hij ook weten. Hij heeft geen idee waar dat ligt, is nooit echt naar school geweest. In zijn blik ligt berusting en wat afgunst. Uiteindelijk kiepert hij de inhoud van de cassa, bakjes inbegrepen, in een plastic zakje en betaal ik hem zijn drie euro. Als de wereld dan toch nog mag verbeterd worden, kan ik net zo goed beginnen met méér aardbeien.

We laten een bakje achter voor Alessandro, eten zelf tot we buikpijn krijgen, en sleuren de drie resterende kilogram aarbeien mee naar de opgravingen. Het wordt warm, de aardbeien beginnen te gisten en nemen hand over hand in gewicht toe. Het lot van de mensheid verbeteren blijkt weer eens moeilijker dan verwacht. Plichtsbewust zoeken we elk nog één aardbei uit, de rest verdwijnt roemloos in een vuilbak.

Op de weg terug is Lorenzo nog even vrolijk als deze morgen. Hij prijst nu ook een coppa di fragole aan.