Brian Dillon

Vosje zit met één knie op tafel, de tenen van zijn andere been gestrekt tot net niet de stoel waarop hij verondersteld wordt te zitten. Hij buigt voorover, de frons in zijn voorhoofd onzichtbaar voor ons. Het is zijn zesde puzzel deze zondagochtend. Een moeilijke, want 5+ en dat is hij nog niet, toch? Acht wil hij er maken, zo kondigde hij tijdens het ontbijt vastbesloten aan. We hebben ze achterin de kasten moeten zoeken, dergelijke puzzelmanie is zelden.

Ja, zucht hij vol contentement, wanneer hij het laatste stukje op zijn plaats legt. Toen ik drie jaar was is broertje al eens een keer dood geweest, hé (*). Het is niet eens een vraag. Mag ik een snoepje?

Ja, zeggen we tegelijk, niet goed wetend op welke zin we nu precies een antwoord formuleren.

Ik buig me over Raketman, het broertje in kwestie, we spelen één van zijn favoriete spelletjes. Hij glimlacht, ik lach terug, hij lacht wat breder, ik lach luidop, hij volgt, zijn ogen schateren mee, ons gelach krult omhoog door de kamer, vult elk gaatje dat pijn die dag, die week, dit leven al heeft gemaakt en mogelijk nog zal maken. Tot hij de hik krijgt.

Vosje, een kersenlolly in de mond, draait de stukjes van zijn zevende puzzel om, hoofdpersoon is Takel, de sullige, grappigste en liefste oom uit de Cars familie. Hij lacht een beetje mee.

‘For me, it is this smile – deriding the having and the not having, the pleasure and the pain, the sublimity and suffering of the human situation – that is the essence of humour.’ [..] The laugh of laughs, the risus purus, the laugh laughing at the laugh: a lucid, melancholy, consoling laughter, which is all we have at the last.

Brian Dillon, Suppose a sentence, citeert Simon Critchley, On Humour in een essay over een zin van Samuel Beckett.

Nee, zeggen we wanneer de laatste schater zich aan de gordijnen heeft vastgehaakt, vastbesloten daar te blijven, broertje is niet dood geweest. Hij bewoog niet meer, en wij waren in paniek, en plots waren er dokters en ambulances en jij moest je verstoppen, en toen was mama weg, en broertje ook. Het is ondertussen meer dan vier maanden geleden, en we vragen ons af wat Vosje nog allemaal meedraagt uit die moeilijke weken, en hoe zeker hij zichzelf durft te voelen: dat wat goed is – Cars, kersenlolly’s, genoeg puzzels om de hele tafel te vullen, mama en papa en broertje, zondagochtenden en lachen en gek doen – hoe zeker hij mag zijn dat het altijd zo zal blijven, en hoeveel zekerheid wij hem daarover toewensen.

Ja, zegt Vosje, nu is hij terug levend. Oef.

En van dit moment van onoplettendheid, waarin alles zou kunnen gebeuren, waarin de wereld zou kunnen verdwijnen in een wormgat of zich onverhoeds opmaken voor een replay van de big bang, profiteert Raketman om zich voor de allereerste keer van zijn rug op zijn buik te draaien. We hebben het niet gezien, we hebben deze mijlpaal gemist, maar we horen het, de rechterarm wil nog niet mee, frustratie maakt veel lawaai, dat doet het altijd.

Oh! roepen we allemaal tegelijk, verbaasd en opgelucht, iemand raapt Raketman op, een ander pakt Vosje in de armen en samen dansen en zingen we wat de radio ons op dat moment aan verlossing biedt.

Achteraf, iemand ververst een pamper, een ander proeft de patatjes voor en Vosje kijkt stil voor zich uit, een puzzelstukje in de hand, wenst niemand van ons zich iets anders toe.

(*) Vosje verwijst naar de ziekenhuisopname van Raketman, in zijn allereerste levensweek. Dat verhaal vindt u hier.

Bart Moeyaert

Zo snel dus.

Bijna niets was er nodig om van Vosjes vrije monopolistisch ik een gebonden complotterend wij te maken.

Al waren we een beetje naïef, in het begin. Vosje, zeiden we, hier is Raketman, je broer. Let een beetje op hem, hij is nog klein en kwetsbaar. En o ja, hij blijft zo’n jaar of twintig.

En tegen Raketman zeiden we, hier is Vosje, een beetje een gekke jongen, maar wel lief. Luister maar naar hem, zo gauw je ons niet meer gelooft. Waarop Vosje een gek dansje inzette en zijn tong plagend uitstak naar Raketman, die vriendelijk terug lachte, alsof hij het allemaal begreep.

Maar zodra we onze rug keerden, tevreden over onze opvoedkundige aanpak, versomberde Vosje en weende Raketman, zonder dat we een verband tussen de twee fenomenen konden vaststellen. Dat wenen, tot daar aan toe, dat hoorde bij ons verwachtingspatroon, krampjes, reflux, groeisprongetjes, een baby heeft het druk.

Het somberen daarentegen, dat werd besmettelijk. Vosje hield er – af en toe, middenin de afdaling van een glijbaan bijvoorbeeld, of vlak voor het einde van een verhaal, mee op een lieve jongen te zijn. Dan zei hij gemene dingen, klakte onuitstaanbaar met zijn tong en gooide dingen kapot.

Hij was niet boos, beantwoordde hij onze frons, hield zielsveel van Raketman, duim omhoog, ik ga hem een knuffel geven, we hoefden niet aan te dringen. Hij schoof er zijn eten onaangeroerd voor opzij, waarop wij wel de stem verhieven. Boem! Paukeslag! Daar ligt alles plat!

We straften en zalfden, legden uit en legden op, niets drong door. Voortaan golden tussen hen de wetmatigheden van een gemeenschap, zeiden we, ze waren een wij, dat zagen wij zo duidelijk tussen de haren door die we ons uit het hoofd trokken, een echte wij, anders dan wij twee als ouders, een sterkere wij, dat gaven we ‘s nachts schoorvoetend toe, een nest wij, waarom was Vosje niet uitzinnig van vreugde?

Twee was net niet genoeg voor veel, misschien was het een zwakke wij, zelf heb ik meer broers, en we zuchtten bij de taak die ons mogelijks nog restte, want hoe meer hoe gelukkiger, dat had ik bij Bart Moeyaert gelezen.

Als het bijna te laat was, als ik bijna gestikt was, als ik het bijna in mijn broek deed van angst, kwamen mijn broers me redden van de duisternis. Ze stormden schreeuwend de kamer binnen, sprongen bovenop me, duwden en trokken aan elkaar en aan mij, tot ik als een baby uit een buik bij het hoofdeind tevoorschijn kwam en naar adem hapte.

Hij leeft nog’, zei er dan altijd wel een broer, die daarmee verklaarde waarom ik van oor tot oor lachte.

Bart Moeyaert, Broere

Bij twee werkte dat allicht anders, hadden de oude Grieken met hun dualis nog gelijk, twee was zeker niet veel, nee, en hadden die Grieken ook niet een vreemde vorm ergens tussen passief en actief in, de medialis was dat, die gemaakt leek om de haat liefde verhouding tussen Vosje en zijn broer te beschrijven?

Tussen ons getob door viel het wenen van Raketman haast ongemerkt stil, en maakte plaats voor vrolijk baby gekir zodra de stem van Vosje door het huis schalde. Scabreuze liedjes, wat wil je na een weekje circuskamp, vol poep en pis, maar Vosje had weer plezier en vroeg om een extra portie spinazie.

Dat hij nu wel boos was, zei hij met de mond vol. We leunden achterover, klaar voor de volgende ronde. Op papa, preciseerde hij met de hand aan de wang tegen Raketman, jij staat hier buiten. Op jou ben ik niet boos.

We keken elkaar allemaal even aan, stopten de tijd, en denken nog steeds dat die knipoog naar niemand in het bijzonder en het universum in het algemeen, hem weer in gang zette.

Raketman

tekening door Ema Tudose, http://www.ematudose.org

Maandag, 25 mei

Alles hier is nieuw.

Het bed waarin mijn partner slaapt, de zetel waarin ik heb gedut, de stoel waarop ik nu zit, de baby die in mijn armen slaapt.

Raketman, zo zal ik hem hier noemen. Een jongen die ver zal reizen, we hebben grote en naïeve verwachtingen voor hem, zoals alle ouders.

Hij slaapt. Dat doet hij erg veel, maar dat is ok, voorlopig gaan we nergens heen, en het geeft me de kans om hem goed te bekijken. Het is een mooie jongen. Ik weet nog niet dat ik minder dan een week later, in een andere stoel, op een andere plek in hetzelfde gebouwencomplex, opnieuw naar hem zal kijken.

Nu geniet ik. Alles is rustig. De bevalling was een heerlijke gebeurtenis (pijnlijk en met bloed en verrassende wendingen, zoals dat gaat, maar toch ook heerlijk, zegt mijn partner), nog een dag en we mogen naar huis en ik kijk rond me, de wereld aan onze voeten. De twee helften van de gordijnen in de kamer zijn niet even lang. Een klein foutje, ik lach er even mee, misschien heeft een ziekenhuis daar redenen voor, of was de stof op, we liggen aan het eind van de gang.

Ik hou van kleine fouten, van een beetje morsig leven, van kraken en kreunen. De jongen in mijn armen is een beetje geblutst tijdens de geboorte, hij heeft een waterbuiltje omdat hij even, vlak voor het ultieme moment, aarzelde om ter wereld te komen. Ik druk er een kusje op.

Ik sluit mijn ogen, concentreer me op mijn ademhaling en hoe die van Raketman daarop reageert, hoe we samen zijn, in volle beweging en volmaakte rust.

Zaterdag, 30 mei

Vijf dagen later wandel ik met een zak vol spullen naar de ingang van het ziekenhuis. Het zijn nog steeds Corona tijden, en ik geef ze af aan een bewakingsagent, die het kinderziekenhuis belt, en dan moeten we hopen dat alles ter plekke komt.

Raketman is hier terug, samen met zijn mama. Ergens in zijn slaap hield hij er even mee op. We weten niet met wat precies, hij reageerde minuten nergens op en wij panikeerden en daarna waren er dokters en een ambulance en nu zijn we hier. Ik mag er nog niet bij, de jongen moet eerst worden getest op Covid-19.

Het is een zomerse zaterdagavond, ik heb vertrouwen in de bewakingsagent en wandel buitenom naar het kinderziekenhuis. Ze hebben een kamer op het gelijkvloers, mijn ambitie is beperkt maar vastberaden: ik zal zwaaien voor het raam, kijken hoe de draadjes van de sensoren vrolijk tussen zijn benen bengelen.

De weg is hobbelig, aan elk groot ziekenhuis wordt permanent verbouwd, alsof het zelf een patiënt is waarop steeds nieuwe behandelingen worden getest. Ik slalom tussen twee werfzones door naar de achterzijde van het ziekenhuis. Een grasveld, een kapotte picknicktafel.

Ze zien er gelukkig uit, achter dat raam, Raketman en zijn mama. Dat is omdat ik ze niet hoor, weet ik, en de zon tranen doet verdampen. Op de weg terug naar de parking passeer ik een eenzame auto, ramen open. Op de achterbank koesteren twee mensen een geheime liefde. Het komt goed, fluister ik tegen mezelf. Alles komt goed.

Zondag, 31 mei, ochtend

Vosje fietst.

Zonder zijwieltjes, hij heeft van de lockdown geprofiteerd om een aantal grenzen te verleggen. Groentjes eten, bijvoorbeeld. En fietsen zonder zijwieltjes dus. We zijn op weg naar een speeltuintje met een deathride, daar heeft hij nog nooit op gedurfd, maar straks wel.

Het is zomer en alles is rustig en perfect, en ik hou een beetje van krakend leven, ik weet het, maar Raketman met zijn mama in het ziekenhuis, nee, zo bedoelde ik het niet.

De nacht bracht geen nieuws, straks ben ik bij hen, ik kijk hoe Vosje van me wegfietst en op de hoek van de straat zijn remmen dichttrekt, voeten op de grond.

Zondag 31 mei, namiddag

Het kamertje in het kinderziekenhuis moet op deze zomerse Pinksterdag één van de stilste plekken zijn in België. Er zijn geen zieke kinderen meer, het tandheelkundig instituut verderop is gesloten, het grasveld met de kapotte picknickbank is leeg.

Al wat ik hoor is de ademhaling van mijn partner die even probeert te dutten, en af en toe een beepje van de monitor, die last heeft van een systeemfout.

Raketman leunt tegen mijn opgetrokken bovenbenen, hij heeft net gegeten. Ik kijk naar hem, in het besef dat dit het kan zijn, in het allerslechtste geval houdt hij er straks nog eens een keer mee op. Definitief.

Hij trekt zijn rechterwenkbrauw hoog op in een tevergeefse poging alvast dat oog open te krijgen. Ik streel hem over de buik, net onder het stompje van de navelstreng en tussen de draadjes door. Hij boert een onderdrukt hikje op. Even opent hij zijn ogen. Blauw, voorlopig, zo’n baby is niet af wanneer hij geboren wordt.

We onderhandelen in stilte, maar hij wil niets toezeggen, ik smeek hem niet weg te gaan, beloof hem tegen beter weten in een fijn leven in de best mogelijke van alle werelden, beperk me dan tot wat ik wel kan beloven: ik zal je graag zien, jongen.

Hij valt weer in slaap.

Dinsdag, 2 juni

Kinderen wenen, mama’s voeren lange gesprekken in de gang, het kinderziekenhuis trekt zich weer op gang. Vandaag nog de technische testen, en dan zit de periode van observatie er op.

Raketman zit weer boven zijn geboortegewicht. Het heeft hem deugd gedaan, deze dagen. Eten, slapen, dicht bij zijn mama zijn. Er lijkt niets mis met hem, hij glimlacht me zelfs even toe.

Straks gaan we naar huis.

Dat zeggen we tegen mekaar. En alles komt goed, dat zeggen we ook.

Het is ons in de loop van het weekend al duidelijk gemaakt. We gaan nooit weten wat er precies gebeurd is, zaterdag. Wat de ernst ervan was, de kans op herhaling, wat we kunnen doen om het te voorkomen.

Het leven is morsig, zeggen ze ons ’s avonds, wanneer ook de technische testen geen aanwijzingen opleveren. Het kraakt en het kreunt, en dat is voor baby’s nog meer zo. Ze zijn niet af. Hij is nu bijna dubbel zo oud als toen hij hier binnenkwam, het is niet meer dezelfde jongen.

Wij ook niet, denk ik. We zijn bezorgder, dat zeker, en terug in de auto, onderweg naar huis, zeggen we: laat ons dankbaar zijn, dankbaarder dan we ooit zijn geweest, en trots.

Op Raketman, op onszelf, op Vosje die voor het eerst in zijn leven even plaats moest ruimen.

Maar dankbaar, toch vooral dat.

Joh 1,1

Het is maandagvoormiddag, de zon schijnt en we spelen knuffeltjestijd in de tuin: elk op onze plek doen we alsof we slapen, wekkeren ‘ting ting’ en dan komt hij aangelopen. Springt op mijn rug, hangt als een aapje rond mijn nek, kwistig met knuffels en zoentjes.

Het is één van Vosje’s favoriete spelletjes.

Bij voorkeur met mama, maar die thuiswerkt boven, de laatste keer voor ze zich helemaal zal wijden aan de komst van Vosje’s broertje.

Op de momenten dat we slapen overloop ik in mijn hoofd een eindeloze takenlijst. Er is werk, en nestdrang, en een huishouden, en een boek, vrienden die wachten op een antwoord, een website die maar niet af raakt – In den beginne was het woord, mezelf in één bijbelcitaat gevat.

Ting ting en ik dwing mezelf om helemaal klaar te zijn voor het moment dat hij op mijn rug landt. Mijn lichaam klaar voor de schok, mijn lippen getuit voor een zoentje, mijn geest leeg, mijn hart bij hem. Dat is nodig. Hij voelt het feilloos aan wanneer ik er eigenlijk niet ben, ontsnap naar plekken waar hij nog niet bijkan. Ik moet nog groeien, zegt hij dan.

Maar ik ben het natuurlijk die moet groeien.

Terwijl we weer slapen, kijk ik toch naar de binnenkomende berichten – het is haast tijd voor de dagelijkse cijfers – en verbaas me over een nieuwsbrief van restaurant Les Moraimières. Ben ik daar ooit geweest? Twee Michelin sterren, aan de oevers van het Lac du Bourget in de Jura.

Ting ting. Vosje was er toen al, denk ik, we waren te gast bij vrienden, of nee, van Vosje was toen nog geen sprake, het was allemaal pril en we deden ons best, in één van de beste restaurants van de streek.

Terwijl hij weer naar zijn slaapplek huppelt, glinstert het zolderraam. Mama heeft het warm, daarboven. En een beetje benauwd, een kind baren is een hele onderneming. Ze bereidt zich voor, ze ademt en mediteert, ze oefent spieren en vooral, ze praat erover, met actieve werkwoorden en positieve naamwoorden. Ik luister graag, en spreek ondertussen een aardig woordje moeder en kind vriendelijk jargon mee. Sensaties in plaats van pijn, golven in plaats van weeën, die hele traditie van mannelijk gynaecologengedrag en terminologie mag de deur uit.

In den beginne was het woord.

Joh, 1.1

Les Moraimières biedt jarret de veau braisé aan, en daar heb ik wel zin in, meer zin nog heb ik om Vosje en mama en het nog ongeboren kind in de auto te laden en 580 km te rijden om het af te halen. Gewoon omdat het kan. Er zit een groententaartje bij de schenkel.

Het was er heerlijk toeven destijds, meen ik me te herinneren, een perfecte avond, met de wereld aan onze voeten. Veel schuimpjes, dat wel.

Ting ting, maar Vosje slentert naar binnen, het is goed geweest met de knuffeltjestijd. Hij wil op pad. Wandelen.

We moeten groeien, hij en ik, en dus leid ik hem vandaag op een ander pad. Gewoontes slijten zo snel in. We hebben alle tijd, want rijden gaan we uiteraard niet doen, hij wil op alle min of meer bereikbare tuinmuurtjes stappen en ik laat hem. Hij dartelt.

Achter een hoge heg speelt een oude man jeu de boules. Alleen.

Vosje doet alsof hij niet alleen van een muurtje af durft. Ik weet wat hij wil, pak hem vast, geef hem een knuffel en zet hem weer op de grond. Locked down.

 

 

 

Judith Schalansky

Ik had er, eerlijk gezegd, meer van verwacht.

Voor het eerst in weken rijd ik over een snelweg, met plek en ruimte om het gaspedaal even diep in te drukken.

Het doet me niets.

Ja, ik word even in de zetel gedrukt, de motor brult verontrustend – allemaal netjes zoals het hoort.

Verlies van smaak en geur is vaak het eerste – en enige symptoom. Zou dat ook het verlies van andere sensaties inhouden? Een hand in je hand. Een bleke maan, nog voor de schemering. De stem van Tracey Thorn.

Vosje zit achterin, Vosjes mama naast me. Hij eet een cakeje, zij een energiereep, reizen kost energie, dat waren we vergeten, dat elke verplaatsing een inspanning van lichaam en geest vragen, hoe comfortabel je ook niets zit te doen.

Ik zoek de afslag die deze gezinsuitstap moet legitimeren.

Voor de nog ongeboren baby doen we alles, en we zijn op weg naar de ontwerpster van het geboortekaartje. De wereld mag dan virtueel zijn, een drukproef wil je ronddraaien in je handen, elk adres moet handgeschreven op de envelop, de postzegel met zorg gekleefd.

Na gedane zaken staan we nog even stil. Vosjes’s mama heeft vanuit het open raampje dank je wel’s naar de ontwerpster gezwaaid. Het eerste berkenstuifmeel waait naar binnen. Ik nies. Vosje wil niet naar huis. Hij wil verder, op vakantie, een blauw huisje aan de zee, zand en golven en ijsjes, een verlaten eiland, en als dat niet kan wil hij naar Brussel.

Nooit geweten dat ik het zo eens kon zijn met een driejarige.

Ik rijd binnendoor terug, de korrelige landwegen afgezoomd met eenzame fietsers en lopers, en een hondje af en toe. Het slordige asfalt lijkt al te smelten bij het horen van het eerste zomerse weerbericht van het jaar.

Alles komt goed.

No one is allowed to settle here, so the personnel at the research station changes constantly. Some of the men stay for only a few months, but most for a year and a half. There is no boat. Where would they take it?

His (the district chief of the 48th mission) office is the only room without pin-ups on the wall. There is a register of births, marriages and deaths on his desk. Empty columns show that no one has married or had a child here yet.

Judith Schalansky, Pocket atlas of remote islands, Amsterdam Island

 

 

Kirsty Logan

Vosje ligt languit in bad, gezicht naar beneden. Hij pruttelt belletjes. Voor een sterretje is het bad te klein, en ook drijven op een plank lukt hier niet. De zwemles behoort normaal tot mijn takenpakket, dus is het logisch dat ik de badsurveillance er nu even bijneem.

Veel valt weg, maar minder lijkt het niet te worden.

Het is lente, en de wereld mag nog zoveel moeite doen om knarsetandend tot stilstand te komen, hier in huis groeit veel. Een boek in mijn hoofd en op papier, een baby in de buik van Vosje’s mama.

Dat boek hoef ik hem niet uit te leggen. Tijdens zijn spel verzint hij de waanzinnigste plots, straks goed voor een lange reeks succesromans die hij alvast ondertekent met de sissende X van Netflix.  

De baby is wat lastiger. Wanneer die na het vallen van de avond een bult duwt in mama’s buik spreekt hij hem vermanend toe. Je moet slapen wanneer het donker is, en dat stoute baby’s door de politie mee mogen worden genomen. Lieve baby’s niet, vertrouwt hij ons daarna nog toe, wanneer alles weer kalm is. En hij geeft mama’s buik een kusje. Zo schattig.

Hij heeft geen idee van wat hem te wachten staat.

Soon Jamie will scream himself unconscious and the soup will get eaten and Jamie will wake up screaming and Sabrina will hold him all night, every way she can think, trying everything even though she’s tried it all a hundred times. She shouldn’t give him a spoon of whisky, she really shouldn’t. But he won’t take her milk, he won’t take her comfort. What else does she have to give him?

Kirsty Logan, Things we say in the dark, Good Good Good, Nice Nice Nice

Ach, dat is maar literatuur, wat ik lees wanneer Vosje slaapt, in het echt is alles peis en vree, en schijnt de zon in wat ondertussen de kleinst mogelijke wereld is geworden.

Door het venster van de media naar buiten kijken durf ik nog nauwelijks. Te veel grote woorden en kleine gebaren – het einde van dit, het begin van dat, de hartjes en foto’s uit de oude doos, de vergelijkingen, de voorspellingen. Ik kan niet meer op tegen dat bombardement, mijn krimpende wereld is nog niet aan vervellen toe.

Ik was Vosjes haar, dat nu echt wel lang begint te worden, trek hem een verse pyjama aan. De pijpjes zijn te kort, en voor een echte lentedag heeft hij straks eigenlijk ook geen passende kleren meer. Tja.  

Beneden is mama bezig met het sorteren van een grote doos babykleertjes, Vosjes garderobe van alweer een paar jaar geleden. Winkelen in eigen huis, kleiner wordt de wereld niet. Alleen pampers, die moet ik nog een keer zien te scoren.

Wanneer iedereen slaapt, controleer ik voor alle veiligheid nog even de voorraad whisky. Niemand zal kunnen zeggen dat ik niet voorbereid ben.  

 

 

 

Jens Meijen

De ruitenwissers hebben geen moeite om zich aan te passen aan het te hard uitvallend gemiezer, nauwelijks onaangenaam omdat het nu eenmaal november is, en dan mag dat. Ik zit binnen, in aangenaam vormeloze gedachten verzonken schuif ik aan, de auto warm en comfortabel. Het verkeer eist niets van me, de radio met zijn onheilsberichten over brandstichting en besparingen – nee, gelijktijdigheid en oorzakelijkheid zijn niet te verwarren, het een heeft echt niks met het anders te maken, ik zeg u, we leven in een cultuurstrijd, echt gast, strijd, ik meen het, ik neem verdomme de woorden over van die klote pipo’s van de andere kant – ik zet de radio uit, dat kan in deze auto, ik berijd me verder van de stad langs benzinestations en doe het zelf zaken, dat eindeloze gebied dat geen naam heeft, geen charme, de kelder onder de landschappen, maar ik zweef hoog in mijn auto, voorzichtig pincet ik de gedachte vast dat het leven me toelacht. Vosje nog deze ochtend, eerst een draak een spook een hond een poes een varken een brandweerman een boomdokter een kinderdokter en dan een bijter in boterhammen maar dat verzint hij niet zelf – ik kan nu nog niet weten dat hij ’s avonds, na een slaap van een uur of twee, hoestend wakker zal worden, wat we horen om dan te ontdekken dat met de hoest ook de inhoud van zijn maag uitgespreid is over zijn kussen zijn knuffels zijn lakens tegen de wanden van zijn bed hij rilt en trilt en is verloren –

Maar dat weet ik nu nog niet, en het is ook helemaal zo erg niet, het hoort bij de leeftijd, ik vertraag op een plek waar de weg op alle andere dagen ademhaalt en zucht, blij dat hij zich mag ontrollen in een veelvoud van richtingen, de weidsheid in, de stilte heb ik ingeruild voor mijn eeuwige shuffle die me droefheid en schoonheid brengt, en nadenken doe ik nog steeds niet, ik begin er al een beetje op te hopen dat ik ook op het werk rakelings langs de werkelijkheid mag scheren, connectie is niet nodig, maar ik vertraag waar ik anders versnel en even verder zie ik waarom, een gebroken fiets een gekneusde moto en politie en een ambulance en een medisch urgentie team en

Ik denk toch. Het leven hoort te bestaan uit geleidelijkheid, denk ik, een zacht schuiven van werkelijkheden, met oorzakelijkheid die te overzien is en gelijktijdigheid die je zelf hebt gewild, ook al trekt en duwt het soms, maar hé, dat is dus het leven.

Is een leven geen
sliert broeken
die je één voor één
laat uitrafelen

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf

las ik twee dagen geleden, een bevestiging dat alles altijd maar hetzelfde is, broek na broek, ook al lijkt het anders – terwijl het dus ook echt zo gebeurt, de knop om, in de ondraaglijke kou van een oorverdovende miezer, en dan stilte, al draait de motor nog, en mensen die redden wat er nog te redden valt, tegen beter weten in.

De geschiedenis van de mens
is het mondjesmaat doorgeven
van verdriet

als emmers water
die klotsen bij elke stap, en

hoe ouder je wordt
hoe meer mensen je verliest
hoe meer je het hoort
een golvend schip ben je, jij
mens op troebel water

Jens Meijen, Aquariam uit de bundel Xenomorf

Hella S. Haasse

Een romantisch ogende roulotte, goed weggeborgen tussen de pijnbomen op een camping aan zee in de Landes. Niet te warm, niet te ver, vriendelijkheid en beschaving en diffuus zonlicht alom. Als er dan toch niet door kleine, oververhitte cultuurparels in het diepe zuiden kon worden gebanjerd, leek dat ons deze zomer een goed alternatief.

Vosje maakt onmiddellijk nest in het onderste van de stapelbedden, een prima plek om te doen alsof hij slaapt. Wij pakken uit, hullen ons in toepasselijke vakantiekledij en knikken elkaar toe. Zacht licht, aangename temperatuur, vriendelijke buren, zilt in de lucht.

Internet is er gelukkig niet, maar van het laatste contact met de bewoonde wereld weten we dat ons een canicule hors catégorie te wachten staat. Niet verwonderlijk, de hondsdagen zijn net begonnen, het zal dus wel meevallen.

De hitte aan het zwembad is ’s ochtends al ondraaglijk, en onze roulotte mist de schaduw van pijnbomen – die staan wat verderop, richting duinen en zee. Daar maar naar toe dan, het zal er vast frisser zijn. En bovendien: zandkastelen bouwen! Pootje baden! Emmertjes water halen! Vosje is enthousiast, op voorwaarde dat zijn kipwagen mee mag.

Het uitzicht bovenaan de duinen is geweldig. Althans, dat heb ik achteraf geleerd. Die eerste keer jeukt mijn lijf van al het zweet, en het schemert voor mijn ogen, volgens de formule ‘graden celsius boven dertig’ maal ‘afstand- hoogtemeters tellen dubbel’ maal ‘kilo’s bagage die een mens zoal voor een peuter meesleurt naar een strand’. Hard plastic trouwens, die kipwagen. Krassen op mijn kuiten, dat ook nog.

Maar beneden zou het frisser zijn. Dat was me onderweg beloofd. Een aangename zeebries, koel zand, ruimte.

Niets van dat alles. Smeltende en lekkende buiken, borsten en billen zover je kan zien, aangebrande armen en benen waarover je struikelt – de slachtoffers strekken die zo ver mogelijk uit in de ijdele hoop zo meer hitte te verdampen – de geur van zonnebrandolie en zweet die kokhalzend laag over het kokende zand hangt, en water dat zich in de verte heeft teruggetrokken, vol schaamte over de onmacht om wat dan ook af te koelen.

Uiteindelijk vinden we een plek. Vosje begint dapper aan zijn eerste zandkasteel, en ik trek dat ene boekje dat ik voor het strandbezoek heb gereserveerd uit de tas, als is het mijn laatste troef. Het begint zo.

Rome. De temperatuur zweeft hier overdag tussen 32 en 37 graden Celsius. Deze warmte is zo overweldigend dat ze de hele mens opeist. Alle aandacht, alle energie gaat zich richten op dit ene doel: waar vind ik schaduw, koelte, water. Zelfs voor Italië schijnen de temperaturen van de maand juli ongewoon hoog te zijn. Zo is het in Afrika, zeggen de mensen hier.

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek, Italiaanse impressies

Ik stop. Blader terug. Ik heb het goed gezien. In 1952 waren temperaturen tussen 32 en 37 nog een unicum, iets om een boekje mee te beginnen. Wat een tijden!

Vosje, die de 40 graden of meer van vandaag ook slecht verdraagt, schopt op dat moment de resten van een afbrokkelend kasteel recht in mijn gezicht. Ik vloek, ik kerm, ik ontbind. Een genadeloze stijging van de zeespiegel, dat is het enige wat me nog kan redden, denk ik nog, voor het licht helemaal uitgaat.

Het strand, bij avondzon en de deugddoende koelte die achteraf kwam

Daisy Johnson

Klas, bel, speelplaats, refter, opvang, meester, bankje. Juffrouw.

Ik moet er zelf terug aan wennen, aan de woorden die bij school horen. De stap der stappen is immers gezet, Vosje gaat naar school.

Tijdens het eerste oudercontact – je bent daar buiten proportie nerveus voor, het is de eerste keer dat een ander, een derde, een expert, iemand die niet vanuit genetische voorbestemdheid Vosje geweldig en fantastisch vindt, een oordeel zal uitspreken over die jongen, je bent dan ook met twee (bloednerveus, zei ik dat al?), klaar om elke niet passende mening weg te rationaliseren, te catalogeren onder vooringenomenheid en selectieve blindheid – tijdens dat eerste oudercontact dus, staat Vosje rustig te strijken in een hoek van de klas.

Het woord strijkijzer heeft hij thuis nog niet uitgeprobeerd, dat is ook niet zo eenvoudig, nieuwe woorden hebben een werkelijkheid nodig om aan te kleven, en strijken is hier ten huize Vos nu eenmaal iets wat met dienstencheques weggefilterd wordt. Doorgaans proeft hij zijn nieuwe woorden voorzichtig, van de ene hoek van de mond naar de andere, over de tong, tussen de tanden. Ze sissen en klinken, stuiteren dan weer naar buiten.

Zo wordt werkelijkheid dus gemaakt, in den beginne was het woord, en Vosje die dagelijks sjort om de losse band tussen waarneming en taal aan te spannen. In Fen, de bundel verhalen waarmee Daisy Johnson debuteerde, is dat vastsjorren nooit echt gelukt. Haar jongvolwassen personages groeien op in claustrofobische huizen, die vooral dienen om te schuilen tegen het grote geweld dat buiten heerst: water, bos, veen. Kleine woorden die nooit aan kracht inboeten. Die wonen in korte zinnen. Maar het wil niet lukken, er is geen ontkomen aan, het echte gevaar woont binnen. Het schuilt in taboes en nog onbenoembare ontluikende sexualiteit, die niet met woorden te temmen is.

Net als bij Vosje is alles bezield in Johnson’s animistische wereld, het onderscheid tussen leven en dood flinterdun. Wanneer een voorheen zwijgzame echtgenoot louter door de kracht van liefde weer tot leven komt, gebeurt dit:

She felt the rise of him against her leg, held him in her fist and moved her hand. A little later, feeling the comfortable known of his hips against hers, she tought that his time away had lost them nothing, had given them only a perspective of loss. A knowledge of absence. Except, when he arched back his head, mouth open, and let out a one-syllabled word, there was a sharp pain in the roof of her mouth.

The impact of Harrow’s language on Sarah seemed much worse than on her – a single syllable eliciting vomiting, sentences starting nosebleeds.

Daisy Johnson, Language (uit Fen)

Van deze donkere, vochtige wereld is niets te merken tijdens de small talk na afloop van het onvolprezen Kort verhalenfestival. In het verhaal dat ze daar voorlas – spoiler alert – sturen opgegeten mannen vanuit hun verteerde toestand woorden naar de mond van hun vrouwelijke beulen, als schuimspetters op een rotskust. Ik had een beetje schrik voor haar, maar het is een vriendelijke, jonge vrouw.

Alles gaat over taal, zegt ze. Elk woord is telkens opnieuw een ontdekkingstocht, ook wanneer je volwassen bent. Het doet deugd nog eens een schrijver te ontdekken voor wie woorden zo belangrijk zijn, iemand die de zinnen die ze maakt ernstig neemt.

Wanneer alles gestreken is, wil Vosje dat we boodschappen komen doen in zijn winkel. Wat een fijne klas, zeggen we tegen de juffrouw, die zit te glimmen van trots. Over Vosje heeft ze weinig te vertellen, en al helemaal niets wat we niet weten. Niks derde, niks expert.

Vosje is hier veilig, de band tussen waarneming en taal wordt hier soepel gehouden.

Naar huis gaan we met twee virtuele paprika’s. Hebben we wat te eten.

 

Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.