Edward St. Aubyn

Exact één jaar mag een staat van genade duren. Daarna slaat de werkelijkheid toe. Onverbiddelijk.

In Vosjes geval kwam ze in de vorm van een gevecht, de dag na zijn eerste verjaardag. Tegenstrever: een meisje, één maand ouder. Inzet: een speelgoedje. Resultaat: een gezwollen wang, en een blauwe plek onder de kin. De nederlaag was compleet.

U leest het goed. Vosje, dat prachtige, schitterende, in alle opzichten superieure wezen, heeft het moeten afleggen in zijn eerste echte gevecht. Volgens de medewerkster van de crèche heeft hij zichzelf niet eens verdedigd. Het ontbreekt hem, aldus die medewerkster, aan assertiviteit.

Nu al. Daar zijn we even stil van.

Stel dat het andersom zou zijn geweest, zeg ik tegen zijn verontruste moeder. Stel dat hij als een bulldozer te keer zou gaan, onschuldige meisjes zou molesteren en anderszins van een overmatige geldingsdrang blijk geven, zou dat niet veel erger zijn? De jongen wil gewoon niet dat de wereld pijn heeft! Hij is nog altijd perfect!

Ze schudt haar hoofd.

De wereld is niet veilig, zegt ze. Met woorden alleen red je het niet. Er zijn grenzen af te bakenen, posities in te nemen, je moet vermijden dat je een slachtoffer wordt. Ik wil niet dat Vosje straks gepest wordt, dat hij door de bullebakken van de speelplaats als boksbal wordt gebruikt. Of uitgelachen omdat een klasgenoot op het web heeft ontdekt dat hij zich als baby niet kon verweren. Schrijf er niet over! Hij moet rechtstaan, de borst vooruit en met priemende blik. En pootje lap als het echt nodig is.

Ik kan haar niet tegenspreken. ’s Avonds, wanneer de jongen in zijn dromen draken temt, word ik rusteloos, en schrap en onschrap deze tekst telkens opnieuw. Zelf heb ik nooit gevochten – ik maakte toch geen schijn van kans, maar ergens onderweg ben ik, poef!, toch veranderd in een wereldwijze klootzak. Wanneer het moment daar om vraagt, natuurlijk.

Wat draagt het meeste bij tot geluk? Streven naar een betere wereld? Of streven naar een betere plek in de wereld? Het lijkt alsof ik, ijsberend door de huiskamer en met een voortdurend leeg glas, de politiek opnieuw uitvind, de wereld met een zweepslag in twee deel. Ha!

Het gaat niet om de wereld, zegt de moeder van Vosje. De wereld is te groot. Het gaat om Vosje. Ik wil niet dat hij gekwetst wordt. Punt. Dat willen toch alle moeders? Waarom snappen vaders dat nooit? Mijn kind zal gelukkig zijn.

Ze windt zich op, wordt woedend en jaloers op het kleine meisje dat haar zoon zo heeft toegetakeld, en ik voel de afkeer voor mijn naïeve vredeswens. En ga zitten, zegt ze, je maakt me nerveus met al dat gedruis.

Goh, zucht ik, en staar dan zwijgend voor me uit, het lege glas in één hand, de andere op de vele centimeters dikke The Patrick Melrose Novels. 

Mind you, I don’t know why people get so fixated on happiness, which always eludes them, when there are so many other invigorating experiences available, like rage, jealousy, disgust, and so forth.

Edward St. Aubyn, Some Hope

De volgende ochtend is Vosje weer vrolijk als altijd, en hij bladert in één van zijn eerste boekjes. Ik kijk hem aan en vraag me af wat ik kan doen om hem zijn plaats te laten vinden in wereld, zonder wrok of haat.

Zou hij daar uit groeien? Vosjes moeder kijkt me fronsend aan.

Natuurlijk, zeg ik. Het gaat niet lang meer duren of hij leest echte boeken, in plaats van die kleine met één prent per pagina.. Het zou fijn zijn als hij dichter wordt.

Haar ogen bliksemen me neer.

Advertenties

J.M.A. Biesheuvel

Het houten gebinte van het koor ziet eruit alsof het pas gisteren is herschilderd. In het beige, met pilasters in groen, geel, oranje, rood en misschien nog een paar andere fletse tinten, ik ben niet zo goed in het herkennen van kleuren. Het ziet er in elk geval vreemd vrolijk uit.

Een maand geleden, bij de begrafenis van mijn moeder, heb ik niet op de kerk gelet. Mijn aandacht ging toen naar de urne voor me, en de plavuizen aan mijn voeten. Maar nu zit ik naast mijn vader in een gewone misviering. Aan het begin ervan werd mijn moeder genoemd, samen met die ene andere overledene van de parochie. Straks krijgen we een kaars mee naar huis.

Ik prevel zonder aarzelen de vaste formules, al is het meer dan dertig jaar geleden dat ik nog een mis bijwoonde. Deze rituelen blijken in mijn ziel te zijn verankerd, het maakt niet uit dat ik ze ooit uit het diepste van mijn hart heb verfoeid. Rechtstaan, weer gaan zitten, de priester die zijn armen spreidt, niets is veranderd. Het doet me denken aan de verhalenbundel van J.M.A. Biesheuvel, ook dertig jaar oud, die ik gisteren kocht.

Wij zijn een goddeloos volk en wij zijn daar trots op, misschien juist te meer omdat we vroeger niet goddeloos waren. Nu kan het zijn dat iemand ons vanuit de hoogte beschermt en zo iemand schijnt er inderdaad onder ons volk te zijn. Er is een man in de hoofdstad en die gaat soms aan zijn raam staan, de legende zegt dat het raam altijd open is, midden in de nacht komt die man uit bed en gaat aan het raam staan en geeft ons de zegen. (…) Niemand heeft de man ooit gezien terwijl hij zegende en velen van ons menen dat wij een dergelijke zegen niet nodig hebben.

J.M.A. Biesheuvel, Over de moeilijkheid van het zegenen (uit De Angstkunstenaar)

Ik behoor tot een minderheid, zei de tweedehandse boekenman, bijna niemand hier in Vlaanderen kent Biesheuvel. Het is een cadeau, zei ik. Voor iemand die zich nog meer minderheid voelt dan ik.

Ook de mensen in de kerk zijn nog dezelfde, vermoed ik, al zijn ze net zo goed dertig jaar ouder. Destijds waren ze nog de wankelende zekerheid van de macht waar ik moedeloos tegenaan schopte, nu een groepje dat zichzelf probeert heruit te vinden. Ik hoor nederigheid in de preek, compassie in de voorbeden, en een voorzichtig maar zelfzeker pleidooi voor een vrije kerk, los van het instituut. Nog even, en ik vind deze mensen sympathiek.

’s Namiddags, op een terras in de Antwerpse binnenstad, kijken we naar de mensen, op deze laatste dag van de Antwerp Pride nog net iets kleurrijker dan anders. Vosje lacht gewoontegetrouw naar iedereen. Hij gaat zich later van deze periode niets herinneren, de eerste jaren leef je van moment tot moment, van dag tot dag. Hoe hij zijn eerste stapjes probeert te zetten, door zijn eerste boekjes bladert, het bestaat alleen maar in het nu. Hij is een absolute minderheid, alleen maar zichzelf, beschermd door een warme kring van liefde.

Mijn vader vindt het onnatuurlijk, zo alleen te moeten leven, zegt hij, zonder schild tegen de werkelijkheid. Er zijn meer manieren waarop zijn vrouw hem mankeert, dan hij zich eerst kon indenken. Hij heeft het nodig, denk ik. Minderheden hebben het nodig. Genegenheid en compassie, en iemand die ’s nachts, wanneer iedereen slaapt, Biesheuvel leest en aan zijn open raam gaat staan en de wereld zegent.

Simonne

We zijn in Normandië. Het weer is er wisselvallig en het licht onbestendig, maar de oesters lekker en het is niet ver. We zijn vertrokken met als enige plan om even weg te zijn, toerist in onze eigen levens. In mijn bagage zit het rouwboek dat Roland Barthes schreef na het overlijden van zijn moeder, mij toegestuurd door een onzichtbare vriendin na het overlijden van de mijne, nu twee weken geleden.

In het begin is de dood een gebeurtenis, een avontuur, iets wat je mobiliseert, tot daden aanmaant en verkrampt. En dan, plots, is het dat niet meer, is de tijd alleen nog duur, samengebald, onbetekenend, niet verteld, grauw, zonder enig mededogen: echte rouw is niet vatbaar voor woord- en tegenwoord, wordt geen verhaal.

Roland Barthes, rouwdagboek, 15 november (eigen gebrekkige vertaling, waarvoor mijn excuses)

We zijn op dat moment. Er valt niets meer te doen. Het leven van mijn moeder is opgeruimd, opgevouwen en bijgezet. Voordien, toen ze nog leefde, was het makkelijk: haar fysieke aanwezigheid volstond, ze praatte en bewoog altijd, ze had geen tijd om oud te zijn.

Terwijl wij luisteren naar de branding, en staren naar de oneindigheid van het water, ziet Vosje alleen maar klam zand en ronde keien. Hij vindt de zee maar niks. Het is kil, er zijn geen mensen om naar te lachen, en niets om zich aan op te trekken. We zijn een zomer te vroeg. Misschien volgend jaar, dat hij dan putten graaft, zijn gele kipwagen uitput en water naar de zee emmert.

We rijden het binnenland in, weg van de gebaande paden. We zijn er al voorbij voor we het zien, het bescheiden bordje naar de abdij van Grestain. We keren om. Het terrein is één en al glooiend grasveld, op een nieuw huis na, en een beetje verder een Normandisch gebouw. De deur staat open, binnen wacht een oudere man ons op. In wat zijn woonkamer lijkt liggen brochures op een grote tafel, er hangt een wandtapijt en in een kamer links, wat hogerop, zit een man alleen te eten. Een karakterkop.

Deze ruimte is al wat overblijft van de abdij, legt de oudere man uit. Terwijl het ooit, in de elfde en twaalfde eeuw, één van de meest glorieuze abdijen van zijn tijd was. De moeder van Willem de Veroveraar ligt hier begraven, onder één van deze glooiingen, waarschijnlijk ongeveer waar wij de auto hebben geparkeerd. Elke eeuw bewoning zorgt voor extra twintig cm aarde, je wandelt hier op geschiedenis.

Geluk is een kwestie van tijdigheid, bedenk ik me, van volgorde, en opgeruimdheid. Van lagen die mekaar toedekken. Ik heb daar geen talent voor, ik leef in gelijktijdigheid en hak op de tak, en tref daar geheel per ongeluk ook soms de eeuwigheid aan, weggestopt in een kreukel van een vuil laken, of de lach van Vosje in de armen van zijn moeder.

Geen relatie gaat ooit dieper, is moeilijker, dan die met je moeder. Je dankt alles aan haar, wat je bent, en wat je niet bent, en dat voel ik hier en nu, met zicht op de meanderende Seine, sterker dan ooit. Ik moet ze in mij laten wonen, mijn moeder, zoals ze in mijn broers woont, en in mijn vader. Het voelt als een opdracht, maar misschien is het gewoon gemis.

Ze heette Arlette, de moeder van Willem de Veroveraar. Roland Barthes’ maman Henriette. De mijne Simonne.

 

Kompas

Ik herinner me de de toespraak van Colin Powell voor de Verenigde Naties als was het gisteren. Weapons of mass destruction.

Het was februari 2003, en een hersenvliesontsteking kluisterde me aan een ziekenhuisbed. Er gebeurde verder niets, het virus had mijn lijf in zijn greep en de tijd stond stil, als in een kinderfantasie waarin je even rond kan wandelen terwijl alle anderen,  de vlieg op het raam inbegrepen, in een freeze gevangen zitten. Even ademruimte, om de werkelijkheid van alle kanten te bekijken en een tikje te geven. Niet te hard, niemand mag weten van jouw magische truuk. Maar verder is mijn ijzeren gezondheid legendarisch.

Tot Vosje. Bron van geluk en vreugde, maar ook overdrager van heel veel ziektekiemen, waar ik op mijn gevorderde leeftijd blijkbaar erg bevattelijk voor ben. Maanden ben ik zo al kwijtgeraakt in 2017, en het jaar is niet eens halfweg. Afgelopen week was het weer zover. Buikgriep. Ik mag dan koppig zijn, na twee slapeloze nachten buig ik toch deemoedig het hoofd. Er zit niks anders op dan uitzieken. Eén dag wil ik me toestaan. Een dag als een groot gapend gat waarin ik de krachten die door mijn lijf gieren vrij spel zal geven. Verzet is nutteloos, ik kom er toch aan de andere kant weer uit, gelouterd en als nieuw.

Er valt verder niks te klagen. Het wordt gewoon een luie, vormeloze dag, soezend in de zetel naast de boekenkast. Er zijn half en helemaal niet gelezen romans, filosofen in hapklare pockets, hermetische dichtbundels en kortverhalen. Het recentste Liegend Konijn ligt bovenaan, maar voor poëzie blijkt mijn hoofd niet helder genoeg, en bovendien, ik moet toch weer rechtstaan, de laatste krachten sijpelen uit mijn lijf.

Het is al middag wanneer ik Jamal’s Herinneringen in aluminiumfolie probeer. Te droog en te dichtbij schuif ik het opzij, samen met die ene niet opgegeten boterham, mijn optimistische poging tot lunch. Even proef ik nog van Mathias Enard’s Kompas, een leven in de Oriënt en de liefde, samengebald in één slapeloze nacht. Maar eerst moet ik naar de apotheek. Echt.

Terug voel ik de koorts opkomen. Met een dafalgan nestel ik me opnieuw in de zetel, en drie uur dwaal ik tussen Parijs, Wenen, Istanbul, Damascus en Aleppo, tussen muziek en kunst, West en Oost en de vage grenzen ertussen, de negentiende eeuw en vandaag. Dat ik zelf ril van de koorts merk ik pas wanneer ik met bevende hand dit aanduid:

Ik wil me niet verdiepen in de namen van ziekten; dokters en astronomen dopen hun ontdekkingen graag met hun eigen naam, botanici met die van hun vrouw – à la rigueur is het misschien te begrijpen dat iemand dolgraag peetvader wordt van een asteroïde, maar waarom hebben die grote chirurgijnen huiveringwekkende en, wat meer is, ongeneeslijke ziekten naar zichzelf genoemd, hun achternaam is heden synoniem met falen, falen en onmacht, charcot, creutzfeld, pick, huntington, stuk voor stuk esculapen die (in een merkwaardige metonymie: de genezer voor het ongeneeslijke) uitgroeiden tot de ziekte zelf (….). 

Mathias Enard, Kompas

Wat weten we weinig! Wat weet ik weinig! Van het Midden-Oosten, die rijke wereld die Mathias Enard beschrijft al zo goed als niks – en nu is het onherroepelijk te laat, na Powells toespraak is geweld er de dominante kracht geworden. En wat leef ik zuinig! Ik kleur binnen de lijnen, risicoschuw als ik ben. Wat zal ik zeggen, straks, wanneer ik net als Franz Ritter, het hoofdpersonage van het boek, terminaal ziek zal zijn? Dat moment komt, het komt voor iedereen. Zal ik dan zeggen dat ik echt heb geleefd, dat ik er alles heb uitgeperst? Zal ik tevreden kunnen zijn met al mijn falen?

Maar eerst moet ik opstaan, een vlaag van misselijkheid treft me midscheeps. Het doet pijn, en even, even maar, terwijl de thermometer me vertelt dat de koorts maar blijft stijgen, veertig bijna, denk ik dat het al zover is.

Een lauw bad helpt. Ik kijk hoe mijn ouder wordend lichaam rimpelt, de tijd stil zetten is me na 2003 nooit meer gelukt. Het water ontspant me, ik val bijna in slaap. Ik beef niet meer, en terwijl het water koud wordt, wint mijn hoofd aan helderheid. Het is alweer voorbij. Ik sta recht, droog me zorgvuldig af.

De woonkamer is een puinhoop. Ik zet de radio aan, leg de stapels boeken recht en laat de gewone wereld weer binnen.

 

Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum

Sinds een maand of twee heeft Vosje een identiteitskaart. Een formaliteit, ter bescherming van het kind en de maatschappij, dat snappen we wel. Beveiligd en geplastificeerd bovendien, mét foto. Dat is vakwerk, want afmetingen, pose, achtergrond, alles ligt reglementair vast. En een kind van zes maanden zit nog niet echt stil voor de fotograaf – sterker nog, dat zit helemaal niet zonder een helpende hand die niet mee op de foto mag.

De kaart, babysnapshot incluis, is vijf jaar geldig.

We tonen ze trots aan de gate richting Napoli, waar de medewerker van de luchtvaartmaatschappij ze straal negeert. Vanuit zijn buggy lacht en brabbelt Vosje hem toe. Voorlopig volstaat dat nog om overal binnen te geraken. Als het ooit anders wordt, zal ik hem het volgende voorlezen:

Iedereen ging waar hij wilde, en bleef zolang als hij wilde. Er bestonden geen verblijfsvergunningen, geen reispapieren, en ik geniet steeds weer van de verbazing van jonge mensen als ik hun vertel dat ik naar India en Amerika reisde zonder een pas te bezitten of er zelfs ooit maar één gezien te hebben.

Al de vernederingen die vroeger alleen voor misdadigers waren uitgevonden, werden nu voor en tijdens het reizen opgelegd aan de reiziger. Je moest je van links en rechts laten fotograferen, en profil en en face, je haar zo kort geknipt dat ze je oren konden zien.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Ach, jij en je goede oude tijd, zal Vosje me dan zeggen. Je hebt ze niet eens zelf meegemaakt. En dat klopt. Stefan Zweig schrijft over het begin van de twintigste eeuw, toen vooruitgang nog een zaak van publiek debat was, waar mensen in geloofden. Een beetje naïef, dat zeker, maar de verbetering van het lot van alle volkeren was een ernstig onderwerp.

Misschien dat Vosjes generatie dat opnieuw ter hand neemt, maar voorlopig lijkt het erop dat we vinden dat er genoeg verbeterd is, dat het tijd is om af te bakenen en te verdedigen, dat iedereen meer te verliezen heeft dan hij een ander gunt.

Ook wij nemen in Napels extra voorzorgen. Met slechts één kredietkaart de straat op, en een beetje cash. Maar de Napolitanen schurken zich nog warm in hun winterjassen, het jachtseizoen op toeristen is nog niet geopend. We voelen ons onmiddellijk thuis, alles hier was ooit in aanbouw of restauratie, bijna niets is ook afgeraakt. Een volk van dromers en planners, met ongeduld kauwend op weer nieuwe ideeën voor deze zomer.

We wandelen van winkel naar palazzo, Vosje baant ons de weg, de oehs en ahs die met zijn verschijnen gepaard gaan met valse bescheidenheid wegwuivend. Ja, ook de jongen past hier, in het spoor van de vele Vlaamse, Franse en Duitse notabelen die hier ooit hof hebben gehouden.

Maar we willen nog verder terug in de tijd. De trein richting Pompeï – een nauwelijks aangeklede metalen doos, volgepropt met fris gewassen cultuurconsumenten en zwetende locals – is geen succes, en we stappen uit bij Ercolano. Ook hier ligt een antiek stadje dat met één zucht van de Vesuvius van de aardbol is weggeblazen.

Aan het begin van de Via IV Novembre wacht Lorenzo ons op. Hij prijst pizza’s, koffie en ijsjes aan, want je weet maar nooit waar die rare toeristen zin in hebben. We wuiven hem vriendelijk weg, straks misschien, eerst willen we terzake komen, de oude Romeinse cultuur wacht op ons. De straat is stoffig, oude mannen drinken koffie en spuwen fluimen tabak in de goot. We houden toch maar halt, we hebben honger en dorst. Panilandia klinkt als een groots opgezet broodjeszaakplan, maar met Alessandro’s beperkte middelen ziet het eruit als een ouderwetse Vlaamse frituur. Hij prijst burgers aan, maar je moet gaan voor de broodjes caprese, die zijn echt heerlijk.

De zon is mild, het stadje arm en vredig en we beelden ons in hoe het hier 1.938 jaar geleden was, net voor de uitbarsting. Niet veel anders dan nu, denken we, er zijn de rijke Romeinen die in grote villa’s wonen aan de prachtige kust, en de gewone man die zijn dagen slijt aan de kant van de weg, kijkend naar wat voorbijkomt, nadenkend over de nietigheid van het leven.

Een voortdurend toeterende vrachtwagen verstoort onze rust. Vanuit de laadbak verkoopt een jonge kerel kisten rijpe aardbeien. Acht bakjes voor maar drie euro. Een koopje. Wanneer de Italianen zijn uitgekocht stap ik op hem toe. Ik moet maar één bakje, zeg ik. Hij grijnst. Alleen de hele cassa zegt hij. En dat hij geen Engels spreekt. Ik kan zo’n cassa niet dragen, zeg ik, en dat we uit België komen, want dat wou hij ook weten. Hij heeft geen idee waar dat ligt, is nooit echt naar school geweest. In zijn blik ligt berusting en wat afgunst. Uiteindelijk kiepert hij de inhoud van de cassa, bakjes inbegrepen, in een plastic zakje en betaal ik hem zijn drie euro. Als de wereld dan toch nog mag verbeterd worden, kan ik net zo goed beginnen met méér aardbeien.

We laten een bakje achter voor Alessandro, eten zelf tot we buikpijn krijgen, en sleuren de drie resterende kilogram aarbeien mee naar de opgravingen. Het wordt warm, de aardbeien beginnen te gisten en nemen hand over hand in gewicht toe. Het lot van de mensheid verbeteren blijkt weer eens moeilijker dan verwacht. Plichtsbewust zoeken we elk nog één aardbei uit, de rest verdwijnt roemloos in een vuilbak.

Op de weg terug is Lorenzo nog even vrolijk als deze morgen. Hij prijst nu ook een coppa di fragole aan.

 

 

Paul Snoek

Het is zo ver. Een klein kerkje in het Pajottenland, tussen moeilijke kasseien, ochtendnat gras en een feestzaal in. We zitten vooraan, en kijken naar het koor, vijf vrouwen en een man, en luisteren naar de priester die zijn zachtste, meest meedogende stem heeft opgezet. Maar we zien ook zijn verveeld gezicht, het is vandaag al de tweede begrafenis van iemand die hij nooit heeft gekend.

De ochtend was moeilijk. Loden benen, troebele blik. Maar net dan zie je details die je anders ontsnappen. Haal je Vosje meteen uit zijn slaapzak wanneer je hem naar beneden hebt gebracht? Vosjes mama niet, zij geeft hem tijd om warm en gezellig aan de dag te wennen. Ik wel, de nacht is al zo lang, de dag kan niet wachten om ontdekt te worden. Geen idee wat dat verschil betekent. Vosje lacht altijd.

Het gaat snel. We staan recht om de kist te groeten, en daarna zie ik ze voorbijschuifelen, de mensen. Benig en hard, alsof het vlees zich op dit moment angstig terugtrekt in hun botten. Ik denk aan Vosje, een en al zachtheid en kneedbaarheid. We toonden nog een filmpje van een lachend Vosje, op het einde, dat maakte gelukkig.

In de namiddag zitten we in de tuin van een oude Brusselse villa. Het huis is wat verwaarloosd, de mensen die er wonen leven met hun hoofd en hart elders. Innig verbonden met de mensen, en met God. Hun warmte doet deugd, en ik schaam me bijna om de enige te zijn in het gezelschap die niet gelooft in het eeuwige. Stel, zeg ik, stel dat Vosje ook op zijn 86ste in een kist ligt, in 2102 dus, ergens in een zaal op een gewijde plek, tussen de mensen die hem dierbaar zijn. Waar ben ik dan?

Nu gaan ze ter communie, en ik kijk naar hun voeten. Naar de onbestemde schoenen, en de enkels, vaak pijnlijk gezwollen. Het is een ondankbare taak, enkel zijn. De huid is schraal, je draagt alle gewicht en nooit is er dankbaarheid. Terwijl knoesels toch erg gevoelige plekjes zijn, heel goed in staat om genot te schenken. Even later is de dienst afgelopen, de kist eerst verlaten we de kerk. Tussen sandwiches en taart herademen de mensen, hun vlees, kwabben en vet durft zich opnieuw tonen. Mijn tranen voor deze man, die ik nauwelijks heb gekend, maken geruisloos plaats voor de gewone maskers van het leven.

Ik zal nergens zijn.  Ik zeg het niet eens luidop. Vosjes vader zal vergeten worden zodra Vosje er niet meer is. Dat is een troostrijke gedachte, en terug thuis, ’s avonds, duik ik in mijn dichtbundels, op zoek naar woorden die bij deze vreugdevolle en treurige dag passen.

Vosje drinkt zijn laatste flesje, zijn ogen vallen al bijna toe, wanneer ik hem dit voorlees:

Noodbrug

smorgens naast de kuilen van de regen waden
ademloos een vloeibaar dagblad kopen
over de groene wolken heenwalgen
en blinde satelliet zijn van de zon

zich in een zondvloedvrije zone nestelen
als dertiende gast
een witte appel eten van twee uren lang
en kersepitten schieten naar de zoldering
van zijn verveling

de dag verdoemen in de ronding van de natte avond
in een bouwvallig huis vertedering ontwijken
en gyroscopisch traag gelukkig zijn

Paul Snoek

Dat is een moeilijk woord, gyroscopisch, zeg ik, terwijl hij al slaapt. Het heeft iets te maken met een kompas, met weten waar je bent en waar je naartoe wil. Kan je dan pas traag zijn? Gelukkig? Als je weet waar je naartoe wil? We stoppen hem terug in zijn slaapzak, en ik breng hem naar boven. Slaapwel, fluister ik. Het ga je goed.

David McComb

Mijn lief is verliefd op iemand anders. Ik ben een wrak, kan nu niet praten.

De boodschap staat op Messenger, het is het antwoord op mijn uitnodiging voor een terrasje in de namiddag. Het is een zondagse lenteochtend, en ik sta stil op een lege A12. Links van me rijpt Duvel, rechts doet Vosje zijn ochtenddutje. Oei. Meer krijg ik niet getikt voor de lichten op groen springen.

Het is wat, de liefde. Net wanneer je denkt dat het zeker is, echt voor altijd deze keer, nooit meer twijfelen, nooit meer zoeken, blijkt het toch weer anders. Ik geef gas, ik heb een nieuwe auto en probeer hoe snel hij optrekt. Het geluid is fantastisch, en ik lach met mezelf, dat ik daar zo kinderlijk blij mee ben.

Vosje is het allergelukkigst wanneer hij zijn ouders samen ziet. Dat willen we toch graag geloven, maar deze zondag is voor Vosje en mij. Stil kunnen we niet zitten, daarvoor zijn we allebei te rusteloos. We trekken naar de bakker, en in de namiddag wandelen we door de Kloosterstraat. We bladeren door een boek met de inventaris van de correspondentie van Peter Benoit (over geldzaken, vaak), en testen een paar verantwoorde bio- en ecospeeltjes in een kinderwinkel voor de rijkere tweeverdiener. Vosje vindt het maar niks. Een bijna lege fles San Pellegrino (stiekem geven we hem steeds een vollere, daar wordt hij sterk van), en het knisperende geluid van een leeg pak vochtige doekjes, daar speelt hij het liefste mee.

We zoeken schaduw en rust in een fotogallerij, wat achterin. African Queen, heet de tentoonstelling. Plat commerciëel, maar het zijn mooie vrouwen. Naakt meestal. Wat verder vinden we een plaats op het terras van The School of Life. Ik bestel een glas witte wijn, er is geen betere plek om over gewonnen en verloren liefdes na te denken dan hier, in de schaduw van Alain de Botton.

We kiezen voor de pijn die we herkennen, telkens weer, zegt hij. We laten de mensen die echt goed voor ons zouden zijn links liggen. We willen niet geheeld worden, we willen erkenning van ons slachtofferschap. Alleen gebroken harten vinden troost in zo’n miezerige gedachte, en schrijvers van zelfhulpboeken misschien. Wat met de roze wolk van verliefdheid? Bijna onmogelijk om er het evenwicht op te behouden, niet met hoofd weg te zakken tot het mist wordt waarin niets nog duidelijk is, of erger nog, helemaal naar beneden te donderen, waar de wolk zich op jou neerregent en voorgoed verdwijnt.

De lente is nog jong, en het koelt snel af. We wandelen naar huis, en Vosje, uitgeput van het aanstaren van voorbijgangers, valt in slaap. Hij snurkt een beetje, er zit altijd wel wat ruis op zijn luchtwegen. Hij krijgt nog een flesje en een verse pamper, en dan zit onze dag samen er op.

Ik moet nog weg, ’s avonds. Alleen in de auto, onder het laatste schemerlicht, lijken de Vlaamse vlaktes eindeloos uitgestrekt. Dit moet één van de minst gecompliceerde dagen uit mijn leven zijn geweest, en ik ben op wonderbaarlijke wijze gelukkig. Wat zou ik kunnen zeggen tegen het gebroken hart? Hoe maak je van zoiets absoluut, zoiets pikzwart als een definitieve afwijzing, een finale breuk, iets wat je kan afwegen in je hand? Iets waar je naar kan kijken, wat je kan betasten en proeven? Hoe maak je het tot iets wat plek neemt maar geen plek meer is?

Ik zou het niet weten, dit is geen dag voor begrip. Ik zet de muziek luider, mijn eeuwige shuffle weet het altijd beter, de warmte van de bas komt mijn lijf binnen via mijn knie.

There’s someone standing in the rain like they have no place to go
Maybe that someone is you, maybe someone you don’t aim to know
Maybe lost possessions

Maybe stolen property
You just lie around waiting on a signal from heaven
Never had to heal any deep incisIon
Darling you are not moving any mountains
You are not seeing any visions
You are not freeing any people from prison
Just an aphorism for every occasion
As if the only thing that ever matters
is your place at the table
You never read the writing on the label
when you drank from the bottle
it said Keep Away From Children
This is stolen property, this is stolen property

Let her run away
Let her run, let her run away
She can’t hurt you now, can’t hurt you now
She don’t belong any more, learn the hard way
She don’t belong here anymore
Finders keepers, losers weepers
Finders keepers, losers weepers
This is stolen property, this is stolen property

Reach out in the darkness now she’s not there
Reach out it’s getting darker now she’s not there
Reach out it’s getting darker now
She don’t belong anymore, learn this the hard way
She don’t belong here any more
You stumble, sometimes fall
Pick yourself up! Hold yourself up to the light!
Duck your head ! Watch for the blade!
Can’t hurt you now, can’t hurt you now
This is stolen property

David McComb

Ik zet de muziek af. Mijn gezicht is nat, merk ik. Tranen.