Daisy Johnson

Klas, bel, speelplaats, refter, opvang, meester, bankje. Juffrouw.

Ik moet er zelf terug aan wennen, aan de woorden die bij school horen. De stap der stappen is immers gezet, Vosje gaat naar school.

Tijdens het eerste oudercontact – je bent daar buiten proportie nerveus voor, het is de eerste keer dat een ander, een derde, een expert, iemand die niet vanuit genetische voorbestemdheid Vosje geweldig en fantastisch vindt, een oordeel zal uitspreken over die jongen, je bent dan ook met twee (bloednerveus, zei ik dat al?), klaar om elke niet passende mening weg te rationaliseren, te catalogeren onder vooringenomenheid en selectieve blindheid – tijdens dat eerste oudercontact dus, staat Vosje rustig te strijken in een hoek van de klas.

Het woord strijkijzer heeft hij thuis nog niet uitgeprobeerd, dat is ook niet zo eenvoudig, nieuwe woorden hebben een werkelijkheid nodig om aan te kleven, en strijken is hier ten huize Vos nu eenmaal iets wat met dienstencheques weggefilterd wordt. Doorgaans proeft hij zijn nieuwe woorden voorzichtig, van de ene hoek van de mond naar de andere, over de tong, tussen de tanden. Ze sissen en klinken, stuiteren dan weer naar buiten.

Zo wordt werkelijkheid dus gemaakt, in den beginne was het woord, en Vosje die dagelijks sjort om de losse band tussen waarneming en taal aan te spannen. In Fen, de bundel verhalen waarmee Daisy Johnson debuteerde, is dat vastsjorren nooit echt gelukt. Haar jongvolwassen personages groeien op in claustrofobische huizen, die vooral dienen om te schuilen tegen het grote geweld dat buiten heerst: water, bos, veen. Kleine woorden die nooit aan kracht inboeten. Die wonen in korte zinnen. Maar het wil niet lukken, er is geen ontkomen aan, het echte gevaar woont binnen. Het schuilt in taboes en nog onbenoembare ontluikende sexualiteit, die niet met woorden te temmen is.

Net als bij Vosje is alles bezield in Johnson’s animistische wereld, het onderscheid tussen leven en dood flinterdun. Wanneer een voorheen zwijgzame echtgenoot louter door de kracht van liefde weer tot leven komt, gebeurt dit:

She felt the rise of him against her leg, held him in her fist and moved her hand. A little later, feeling the comfortable known of his hips against hers, she tought that his time away had lost them nothing, had given them only a perspective of loss. A knowledge of absence. Except, when he arched back his head, mouth open, and let out a one-syllabled word, there was a sharp pain in the roof of her mouth.

The impact of Harrow’s language on Sarah seemed much worse than on her – a single syllable eliciting vomiting, sentences starting nosebleeds.

Daisy Johnson, Language (uit Fen)

Van deze donkere, vochtige wereld is niets te merken tijdens de small talk na afloop van het onvolprezen Kort verhalenfestival. In het verhaal dat ze daar voorlas – spoiler alert – sturen opgegeten mannen vanuit hun verteerde toestand woorden naar de mond van hun vrouwelijke beulen, als schuimspetters op een rotskust. Ik had een beetje schrik voor haar, maar het is een vriendelijke, jonge vrouw.

Alles gaat over taal, zegt ze. Elk woord is telkens opnieuw een ontdekkingstocht, ook wanneer je volwassen bent. Het doet deugd nog eens een schrijver te ontdekken voor wie woorden zo belangrijk zijn, iemand die de zinnen die ze maakt ernstig neemt.

Wanneer alles gestreken is, wil Vosje dat we boodschappen komen doen in zijn winkel. Wat een fijne klas, zeggen we tegen de juffrouw, die zit te glimmen van trots. Over Vosje heeft ze weinig te vertellen, en al helemaal niets wat we niet weten. Niks derde, niks expert.

Vosje is hier veilig, de band tussen waarneming en taal wordt hier soepel gehouden.

Naar huis gaan we met twee virtuele paprika’s. Hebben we wat te eten.

 

Advertenties

Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.

 

Georges Saunders

Waar het vandaan komt, weet ik niet, want mijn moeder was de netheid zelve, ze stond erop elke dag het huis aan de kant te hebben. Maar ik hou van rommel. Laat je mij doen, dan laat ik overal losse eindjes achter, in de vorm van stapels boeken (natuurlijk! het laatste echte statussymbool in deze gespotifyde wereld, zeker wanneer het meervoud u een labyrint van boeken suggereert, waarin een peinzende blogschrijver niet anders kan dan zichzelf en zijn lezers verliezen), ambtelijke post, veel te laat aangespoelde kerstkaarten, een lekkere fles kriek die ik maar niet drink, wat gladde keien met een vage betekenis, een hoop kussens, whiskyglazen en whiskyflessen, en foto’s van Vosje. Ik hou niet zo van het tentoonstellen van foto’s waarop mensen staan waarvan ik hou, maar voor Vosje maak ik graag een uitzondering. Hij mag zelfs in goed gezelschap zijn, met zijn grote broer, met zijn moeder, en zelfs – quelle horreur! – met mij. Niets is ijdeler dan foto’s van jezelf openlijk tentoonspreiden, en ijdelheid is des duivels, maar voor foto’s van Vosje en mij geldt dat niet, zo blijkt (net zo min trouwens als voor de foto’s van Spencer Tunick waarop ik ook ergens figureer, zij het onzichtbaar of toch spoorloos, terwijl ik er echt wel was destijds, in Brugge, en vele jaren later in Gaasbeek, telkens op een godsonmogelijk vroeg uur, maar dat telt dus niet echt).

In mijn wanorde heb ik de vrijheid telkens opnieuw een andere werkelijkheid te herkennen, zonder dat ik daarvoor het hele huis door elkaar moet halen, of anderszins uit mijn zetel hoef te komen, een zetel van waaruit ik staar naar de stapels boeken, en, uiteraard, naar de foto’s. Die vrijheid is me dierbaar, en ik was blij dat Vosje, al sinds hij kan lopen, dingen oppakken en weer laten vallen, me trouw volgde in het maken van wanorde.

Heerlijk, zo’n kind in huis.

Hij begon met het uit en weer inladen van keukenladen vol tupperware, nu alweer maanden geleden. Daarna, bijna stiekem, ging hij aan de slag met zijn kleerkast, om vervolgens, elke ochtend opnieuw, de boeken die papa ’s avonds achteloos in de zetel had laten slingeren, op de juiste stapel terug te leggen. Toen stond ik nog vol bewondering voor zijn vermogen om de juiste wanorde telkens opnieuw te creëren.

De juiste wanorde. Dat wordt, zo denk ik, ooit nog eens de titel van de verhalenbundel waarvan ik het eerste verhaal, de eerste zin, nog moet schrijven. In korte verhalen mag en kan alles, telkens weer een flits die de grote chaos van de wereld belicht, absurd en toch hyperrealistisch. Dat zou ik ook willen kunnen, denk ik, wanneer Vosje Georges Saunders’ Tenth of December terug op de stapel legt.

Have been sleepwalking through life, future reader. Can see that now. Scratch-Off win was like wake-up call. In rush to graduate college, win Pam, get job, make babies, move ahead in job, forgot former feeling of special destiny I used to have when tiny, sitting in cedar-smelling bedroom closet, looking up at blowing trees through high windows, feeling I would someday do something great.

Hereby resolve to live life in new and more powerful way, starting THIS MOMENT (!)

Georges Saunders, The Semplica Girl Diaries uit Tenth of December

Het kraslot waarvan sprake levert de man voldoende op om, net voor de verjaardag van zijn oudste dochter, hun braakliggende tuin in te richten en een schitterend verrassingsfeest voor haar te organiseren. Blikvanger zijn de semplica girls uit de titel, denk daarbij aan levende tuinkabouters uit verre landen.

Uiteraard gaat het op het einde van het verhaal helemaal mis met de man, de tuin, en zijn kinderen. Het gaat altijd mis in de verhalen van Georges Saunders, en met Vosje weet ik het ook niet meer zo. Hij herstelt niet alleen mijn zo dierbare wanorde, hij ruimt spontaan ook alles op, zeker de keukenla met tupperware (en het is, dat kan ik u verzekeren, een complexe 3D-puzzel om die la zo weer in te laden dat ze dicht kan – ja, Vosje is een slim kind). Hij zet lege glazen op het aanrecht (op het randje, want hij kan er nog niet goed bij), zet ieders linkerschoen weer netjes op zijn plek naast de rechter, en, ik durf het haast niet op te schrijven, maakt een nette rij van zijn autootjes. Geparkeerd van groot naar klein, gesorteerd op kleur, of op eender welke regelmaat die hij maar kan bedenken. Het is zelfs al gebeurd dat hij, na gedane arbeid en het lezen van zijn nieuwste boekje (over het herkennen van billen van dieren, een echte hit, ik wou dat ik het zelf had verzonnen, want ik hou best van billen, maar dat is weer een ander verhaal), terugkijkt naar de rij, spiedend, de paar stappen zet die nodig zijn, en corrigeert. Dan wil hij een koekje. De jongen houdt, het is niet anders, van orde.

Ik kan het daarbij niet laten, dat begrijpt u.

Elke ochtend, voor dag en dauw, neem ik hem nu bij mij op de schoot, en vertel, herhaal, repeteer, zeg hem dat de enige orde die een jongen nodig heeft in zijn leven, die van het juiste woord is. Voor alles, zo houd ik hem voor, is er een woord. Voor wat je ziet, wat je denkt, wat je doet, voor wat je voelt. Vergeet dat niet, en misschien dat jij dan, straks, die verhalenbundel De juiste wanorde zal schrijven, over een vader die worstelt met alles op een rij te zetten, en voortdurend denkt THIS MOMENT (!)

Maar Vosje, als je dat dan straks doet, schrijf je het dan met liefde, wil je?

PS Ik kon het niet laten, en kocht na het lezen van The Semplica Girls voor het eerst sinds jaren een kraslot. Alleen als ik niet zou winnen, zou mijn leven – min of meer – op de rails blijven. Nu vraag ik u, 20€ (twintig euro), is dat winnen, of verliezen?

Lenny Peeters

De pluche zag er zacht uit, als de kleinste veertjes die vogels soms verliezen, maar toen vader me de pantoffels aandeed en de konijnenoren mijn voeten raakten, gilde ik. Het was alsof vader in mijn nek kneep. Rillingen tot aan mijn vanachteren. Ik trok de pantoffels weer uit. Vader zei dat ik ze niet hoefde te dragen als ik niet wou, maar dat het wel jammer was, want dat hij ze goedkoop op de kop had kunnen tikken. Lees verder

Edward St. Aubyn

Exact één jaar mag een staat van genade duren. Daarna slaat de werkelijkheid toe. Onverbiddelijk.

In Vosjes geval kwam ze in de vorm van een gevecht, de dag na zijn eerste verjaardag. Tegenstrever: een meisje, één maand ouder. Inzet: een speelgoedje. Resultaat: een gezwollen wang, en een blauwe plek onder de kin. De nederlaag was compleet.

U leest het goed. Vosje, dat prachtige, schitterende, in alle opzichten superieure wezen, heeft het moeten afleggen in zijn eerste echte gevecht. Volgens de medewerkster van de crèche heeft hij zichzelf niet eens verdedigd. Het ontbreekt hem, aldus die medewerkster, aan assertiviteit.

Nu al. Daar zijn we even stil van.

Stel dat het andersom zou zijn geweest, zeg ik tegen zijn verontruste moeder. Stel dat hij als een bulldozer te keer zou gaan, onschuldige meisjes zou molesteren en anderszins van een overmatige geldingsdrang blijk geven, zou dat niet veel erger zijn? De jongen wil gewoon niet dat de wereld pijn heeft! Hij is nog altijd perfect!

Ze schudt haar hoofd.

De wereld is niet veilig, zegt ze. Met woorden alleen red je het niet. Er zijn grenzen af te bakenen, posities in te nemen, je moet vermijden dat je een slachtoffer wordt. Ik wil niet dat Vosje straks gepest wordt, dat hij door de bullebakken van de speelplaats als boksbal wordt gebruikt. Of uitgelachen omdat een klasgenoot op het web heeft ontdekt dat hij zich als baby niet kon verweren. Schrijf er niet over! Hij moet rechtstaan, de borst vooruit en met priemende blik. En pootje lap als het echt nodig is.

Ik kan haar niet tegenspreken. ’s Avonds, wanneer de jongen in zijn dromen draken temt, word ik rusteloos, en schrap en onschrap deze tekst telkens opnieuw. Zelf heb ik nooit gevochten – ik maakte toch geen schijn van kans, maar ergens onderweg ben ik, poef!, toch veranderd in een wereldwijze klootzak. Wanneer het moment daar om vraagt, natuurlijk.

Wat draagt het meeste bij tot geluk? Streven naar een betere wereld? Of streven naar een betere plek in de wereld? Het lijkt alsof ik, ijsberend door de huiskamer en met een voortdurend leeg glas, de politiek opnieuw uitvind, de wereld met een zweepslag in twee deel. Ha!

Het gaat niet om de wereld, zegt de moeder van Vosje. De wereld is te groot. Het gaat om Vosje. Ik wil niet dat hij gekwetst wordt. Punt. Dat willen toch alle moeders? Waarom snappen vaders dat nooit? Mijn kind zal gelukkig zijn.

Ze windt zich op, wordt woedend en jaloers op het kleine meisje dat haar zoon zo heeft toegetakeld, en ik voel de afkeer voor mijn naïeve vredeswens. En ga zitten, zegt ze, je maakt me nerveus met al dat gedruis.

Goh, zucht ik, en staar dan zwijgend voor me uit, het lege glas in één hand, de andere op de vele centimeters dikke The Patrick Melrose Novels. 

Mind you, I don’t know why people get so fixated on happiness, which always eludes them, when there are so many other invigorating experiences available, like rage, jealousy, disgust, and so forth.

Edward St. Aubyn, Some Hope

De volgende ochtend is Vosje weer vrolijk als altijd, en hij bladert in één van zijn eerste boekjes. Ik kijk hem aan en vraag me af wat ik kan doen om hem zijn plaats te laten vinden in wereld, zonder wrok of haat.

Zou hij daar uit groeien? Vosjes moeder kijkt me fronsend aan.

Natuurlijk, zeg ik. Het gaat niet lang meer duren of hij leest echte boeken, in plaats van die kleine met één prent per pagina.. Het zou fijn zijn als hij dichter wordt.

Haar ogen bliksemen me neer.

J.M.A. Biesheuvel

Het houten gebinte van het koor ziet eruit alsof het pas gisteren is herschilderd. In het beige, met pilasters in groen, geel, oranje, rood en misschien nog een paar andere fletse tinten, ik ben niet zo goed in het herkennen van kleuren. Het ziet er in elk geval vreemd vrolijk uit.

Een maand geleden, bij de begrafenis van mijn moeder, heb ik niet op de kerk gelet. Mijn aandacht ging toen naar de urne voor me, en de plavuizen aan mijn voeten. Maar nu zit ik naast mijn vader in een gewone misviering. Aan het begin ervan werd mijn moeder genoemd, samen met die ene andere overledene van de parochie. Straks krijgen we een kaars mee naar huis.

Ik prevel zonder aarzelen de vaste formules, al is het meer dan dertig jaar geleden dat ik nog een mis bijwoonde. Deze rituelen blijken in mijn ziel te zijn verankerd, het maakt niet uit dat ik ze ooit uit het diepste van mijn hart heb verfoeid. Rechtstaan, weer gaan zitten, de priester die zijn armen spreidt, niets is veranderd. Het doet me denken aan de verhalenbundel van J.M.A. Biesheuvel, ook dertig jaar oud, die ik gisteren kocht.

Wij zijn een goddeloos volk en wij zijn daar trots op, misschien juist te meer omdat we vroeger niet goddeloos waren. Nu kan het zijn dat iemand ons vanuit de hoogte beschermt en zo iemand schijnt er inderdaad onder ons volk te zijn. Er is een man in de hoofdstad en die gaat soms aan zijn raam staan, de legende zegt dat het raam altijd open is, midden in de nacht komt die man uit bed en gaat aan het raam staan en geeft ons de zegen. (…) Niemand heeft de man ooit gezien terwijl hij zegende en velen van ons menen dat wij een dergelijke zegen niet nodig hebben.

J.M.A. Biesheuvel, Over de moeilijkheid van het zegenen (uit De Angstkunstenaar)

Ik behoor tot een minderheid, zei de tweedehandse boekenman, bijna niemand hier in Vlaanderen kent Biesheuvel. Het is een cadeau, zei ik. Voor iemand die zich nog meer minderheid voelt dan ik.

Ook de mensen in de kerk zijn nog dezelfde, vermoed ik, al zijn ze net zo goed dertig jaar ouder. Destijds waren ze nog de wankelende zekerheid van de macht waar ik moedeloos tegenaan schopte, nu een groepje dat zichzelf probeert heruit te vinden. Ik hoor nederigheid in de preek, compassie in de voorbeden, en een voorzichtig maar zelfzeker pleidooi voor een vrije kerk, los van het instituut. Nog even, en ik vind deze mensen sympathiek.

’s Namiddags, op een terras in de Antwerpse binnenstad, kijken we naar de mensen, op deze laatste dag van de Antwerp Pride nog net iets kleurrijker dan anders. Vosje lacht gewoontegetrouw naar iedereen. Hij gaat zich later van deze periode niets herinneren, de eerste jaren leef je van moment tot moment, van dag tot dag. Hoe hij zijn eerste stapjes probeert te zetten, door zijn eerste boekjes bladert, het bestaat alleen maar in het nu. Hij is een absolute minderheid, alleen maar zichzelf, beschermd door een warme kring van liefde.

Mijn vader vindt het onnatuurlijk, zo alleen te moeten leven, zegt hij, zonder schild tegen de werkelijkheid. Er zijn meer manieren waarop zijn vrouw hem mankeert, dan hij zich eerst kon indenken. Hij heeft het nodig, denk ik. Minderheden hebben het nodig. Genegenheid en compassie, en iemand die ’s nachts, wanneer iedereen slaapt, Biesheuvel leest en aan zijn open raam gaat staan en de wereld zegent.

Simonne

We zijn in Normandië. Het weer is er wisselvallig en het licht onbestendig, maar de oesters lekker en het is niet ver. We zijn vertrokken met als enige plan om even weg te zijn, toerist in onze eigen levens. In mijn bagage zit het rouwboek dat Roland Barthes schreef na het overlijden van zijn moeder, mij toegestuurd door een onzichtbare vriendin na het overlijden van de mijne, nu twee weken geleden.

In het begin is de dood een gebeurtenis, een avontuur, iets wat je mobiliseert, tot daden aanmaant en verkrampt. En dan, plots, is het dat niet meer, is de tijd alleen nog duur, samengebald, onbetekenend, niet verteld, grauw, zonder enig mededogen: echte rouw is niet vatbaar voor woord- en tegenwoord, wordt geen verhaal.

Roland Barthes, rouwdagboek, 15 november (eigen gebrekkige vertaling, waarvoor mijn excuses)

We zijn op dat moment. Er valt niets meer te doen. Het leven van mijn moeder is opgeruimd, opgevouwen en bijgezet. Voordien, toen ze nog leefde, was het makkelijk: haar fysieke aanwezigheid volstond, ze praatte en bewoog altijd, ze had geen tijd om oud te zijn.

Terwijl wij luisteren naar de branding, en staren naar de oneindigheid van het water, ziet Vosje alleen maar klam zand en ronde keien. Hij vindt de zee maar niks. Het is kil, er zijn geen mensen om naar te lachen, en niets om zich aan op te trekken. We zijn een zomer te vroeg. Misschien volgend jaar, dat hij dan putten graaft, zijn gele kipwagen uitput en water naar de zee emmert.

We rijden het binnenland in, weg van de gebaande paden. We zijn er al voorbij voor we het zien, het bescheiden bordje naar de abdij van Grestain. We keren om. Het terrein is één en al glooiend grasveld, op een nieuw huis na, en een beetje verder een Normandisch gebouw. De deur staat open, binnen wacht een oudere man ons op. In wat zijn woonkamer lijkt liggen brochures op een grote tafel, er hangt een wandtapijt en in een kamer links, wat hogerop, zit een man alleen te eten. Een karakterkop.

Deze ruimte is al wat overblijft van de abdij, legt de oudere man uit. Terwijl het ooit, in de elfde en twaalfde eeuw, één van de meest glorieuze abdijen van zijn tijd was. De moeder van Willem de Veroveraar ligt hier begraven, onder één van deze glooiingen, waarschijnlijk ongeveer waar wij de auto hebben geparkeerd. Elke eeuw bewoning zorgt voor extra twintig cm aarde, je wandelt hier op geschiedenis.

Geluk is een kwestie van tijdigheid, bedenk ik me, van volgorde, en opgeruimdheid. Van lagen die mekaar toedekken. Ik heb daar geen talent voor, ik leef in gelijktijdigheid en hak op de tak, en tref daar geheel per ongeluk ook soms de eeuwigheid aan, weggestopt in een kreukel van een vuil laken, of de lach van Vosje in de armen van zijn moeder.

Geen relatie gaat ooit dieper, is moeilijker, dan die met je moeder. Je dankt alles aan haar, wat je bent, en wat je niet bent, en dat voel ik hier en nu, met zicht op de meanderende Seine, sterker dan ooit. Ik moet ze in mij laten wonen, mijn moeder, zoals ze in mijn broers woont, en in mijn vader. Het voelt als een opdracht, maar misschien is het gewoon gemis.

Ze heette Arlette, de moeder van Willem de Veroveraar. Roland Barthes’ maman Henriette. De mijne Simonne.