Kompas

Ik herinner me de de toespraak van Colin Powell voor de Verenigde Naties als was het gisteren. Weapons of mass destruction.

Het was februari 2003, en een hersenvliesontsteking kluisterde me aan een ziekenhuisbed. Er gebeurde verder niets, het virus had mijn lijf in zijn greep en de tijd stond stil, als in een kinderfantasie waarin je even rond kan wandelen terwijl alle anderen,  de vlieg op het raam inbegrepen, in een freeze gevangen zitten. Even ademruimte, om de werkelijkheid van alle kanten te bekijken en een tikje te geven. Niet te hard, niemand mag weten van jouw magische truuk. Maar verder is mijn ijzeren gezondheid legendarisch.

Tot Vosje. Bron van geluk en vreugde, maar ook overdrager van heel veel ziektekiemen, waar ik op mijn gevorderde leeftijd blijkbaar erg bevattelijk voor ben. Maanden ben ik zo al kwijtgeraakt in 2017, en het jaar is niet eens halfweg. Afgelopen week was het weer zover. Buikgriep. Ik mag dan koppig zijn, na twee slapeloze nachten buig ik toch deemoedig het hoofd. Er zit niks anders op dan uitzieken. Eén dag wil ik me toestaan. Een dag als een groot gapend gat waarin ik de krachten die door mijn lijf gieren vrij spel zal geven. Verzet is nutteloos, ik kom er toch aan de andere kant weer uit, gelouterd en als nieuw.

Er valt verder niks te klagen. Het wordt gewoon een luie, vormeloze dag, soezend in de zetel naast de boekenkast. Er zijn half en helemaal niet gelezen romans, filosofen in hapklare pockets, hermetische dichtbundels en kortverhalen. Het recentste Liegend Konijn ligt bovenaan, maar voor poëzie blijkt mijn hoofd niet helder genoeg, en bovendien, ik moet toch weer rechtstaan, de laatste krachten sijpelen uit mijn lijf.

Het is al middag wanneer ik Jamal’s Herinneringen in aluminiumfolie probeer. Te droog en te dichtbij schuif ik het opzij, samen met die ene niet opgegeten boterham, mijn optimistische poging tot lunch. Even proef ik nog van Mathias Enard’s Kompas, een leven in de Oriënt en de liefde, samengebald in één slapeloze nacht. Maar eerst moet ik naar de apotheek. Echt.

Terug voel ik de koorts opkomen. Met een dafalgan nestel ik me opnieuw in de zetel, en drie uur dwaal ik tussen Parijs, Wenen, Istanbul, Damascus en Aleppo, tussen muziek en kunst, West en Oost en de vage grenzen ertussen, de negentiende eeuw en vandaag. Dat ik zelf ril van de koorts merk ik pas wanneer ik met bevende hand dit aanduid:

Ik wil me niet verdiepen in de namen van ziekten; dokters en astronomen dopen hun ontdekkingen graag met hun eigen naam, botanici met die van hun vrouw – à la rigueur is het misschien te begrijpen dat iemand dolgraag peetvader wordt van een asteroïde, maar waarom hebben die grote chirurgijnen huiveringwekkende en, wat meer is, ongeneeslijke ziekten naar zichzelf genoemd, hun achternaam is heden synoniem met falen, falen en onmacht, charcot, creutzfeld, pick, huntington, stuk voor stuk esculapen die (in een merkwaardige metonymie: de genezer voor het ongeneeslijke) uitgroeiden tot de ziekte zelf (….). 

Mathias Enard, Kompas

Wat weten we weinig! Wat weet ik weinig! Van het Midden-Oosten, die rijke wereld die Mathias Enard beschrijft al zo goed als niks – en nu is het onherroepelijk te laat, na Powells toespraak is geweld er de dominante kracht geworden. En wat leef ik zuinig! Ik kleur binnen de lijnen, risicoschuw als ik ben. Wat zal ik zeggen, straks, wanneer ik net als Franz Ritter, het hoofdpersonage van het boek, terminaal ziek zal zijn? Dat moment komt, het komt voor iedereen. Zal ik dan zeggen dat ik echt heb geleefd, dat ik er alles heb uitgeperst? Zal ik tevreden kunnen zijn met al mijn falen?

Maar eerst moet ik opstaan, een vlaag van misselijkheid treft me midscheeps. Het doet pijn, en even, even maar, terwijl de thermometer me vertelt dat de koorts maar blijft stijgen, veertig bijna, denk ik dat het al zover is.

Een lauw bad helpt. Ik kijk hoe mijn ouder wordend lichaam rimpelt, de tijd stil zetten is me na 2003 nooit meer gelukt. Het water ontspant me, ik val bijna in slaap. Ik beef niet meer, en terwijl het water koud wordt, wint mijn hoofd aan helderheid. Het is alweer voorbij. Ik sta recht, droog me zorgvuldig af.

De woonkamer is een puinhoop. Ik zet de radio aan, leg de stapels boeken recht en laat de gewone wereld weer binnen.

 

Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum

Sinds een maand of twee heeft Vosje een identiteitskaart. Een formaliteit, ter bescherming van het kind en de maatschappij, dat snappen we wel. Beveiligd en geplastificeerd bovendien, mét foto. Dat is vakwerk, want afmetingen, pose, achtergrond, alles ligt reglementair vast. En een kind van zes maanden zit nog niet echt stil voor de fotograaf – sterker nog, dat zit helemaal niet zonder een helpende hand die niet mee op de foto mag.

De kaart, babysnapshot incluis, is vijf jaar geldig.

We tonen ze trots aan de gate richting Napoli, waar de medewerker van de luchtvaartmaatschappij ze straal negeert. Vanuit zijn buggy lacht en brabbelt Vosje hem toe. Voorlopig volstaat dat nog om overal binnen te geraken. Als het ooit anders wordt, zal ik hem het volgende voorlezen:

Iedereen ging waar hij wilde, en bleef zolang als hij wilde. Er bestonden geen verblijfsvergunningen, geen reispapieren, en ik geniet steeds weer van de verbazing van jonge mensen als ik hun vertel dat ik naar India en Amerika reisde zonder een pas te bezitten of er zelfs ooit maar één gezien te hebben.

Al de vernederingen die vroeger alleen voor misdadigers waren uitgevonden, werden nu voor en tijdens het reizen opgelegd aan de reiziger. Je moest je van links en rechts laten fotograferen, en profil en en face, je haar zo kort geknipt dat ze je oren konden zien.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Ach, jij en je goede oude tijd, zal Vosje me dan zeggen. Je hebt ze niet eens zelf meegemaakt. En dat klopt. Stefan Zweig schrijft over het begin van de twintigste eeuw, toen vooruitgang nog een zaak van publiek debat was, waar mensen in geloofden. Een beetje naïef, dat zeker, maar de verbetering van het lot van alle volkeren was een ernstig onderwerp.

Misschien dat Vosjes generatie dat opnieuw ter hand neemt, maar voorlopig lijkt het erop dat we vinden dat er genoeg verbeterd is, dat het tijd is om af te bakenen en te verdedigen, dat iedereen meer te verliezen heeft dan hij een ander gunt.

Ook wij nemen in Napels extra voorzorgen. Met slechts één kredietkaart de straat op, en een beetje cash. Maar de Napolitanen schurken zich nog warm in hun winterjassen, het jachtseizoen op toeristen is nog niet geopend. We voelen ons onmiddellijk thuis, alles hier was ooit in aanbouw of restauratie, bijna niets is ook afgeraakt. Een volk van dromers en planners, met ongeduld kauwend op weer nieuwe ideeën voor deze zomer.

We wandelen van winkel naar palazzo, Vosje baant ons de weg, de oehs en ahs die met zijn verschijnen gepaard gaan met valse bescheidenheid wegwuivend. Ja, ook de jongen past hier, in het spoor van de vele Vlaamse, Franse en Duitse notabelen die hier ooit hof hebben gehouden.

Maar we willen nog verder terug in de tijd. De trein richting Pompeï – een nauwelijks aangeklede metalen doos, volgepropt met fris gewassen cultuurconsumenten en zwetende locals – is geen succes, en we stappen uit bij Ercolano. Ook hier ligt een antiek stadje dat met één zucht van de Vesuvius van de aardbol is weggeblazen.

Aan het begin van de Via IV Novembre wacht Lorenzo ons op. Hij prijst pizza’s, koffie en ijsjes aan, want je weet maar nooit waar die rare toeristen zin in hebben. We wuiven hem vriendelijk weg, straks misschien, eerst willen we terzake komen, de oude Romeinse cultuur wacht op ons. De straat is stoffig, oude mannen drinken koffie en spuwen fluimen tabak in de goot. We houden toch maar halt, we hebben honger en dorst. Panilandia klinkt als een groots opgezet broodjeszaakplan, maar met Alessandro’s beperkte middelen ziet het eruit als een ouderwetse Vlaamse frituur. Hij prijst burgers aan, maar je moet gaan voor de broodjes caprese, die zijn echt heerlijk.

De zon is mild, het stadje arm en vredig en we beelden ons in hoe het hier 1.938 jaar geleden was, net voor de uitbarsting. Niet veel anders dan nu, denken we, er zijn de rijke Romeinen die in grote villa’s wonen aan de prachtige kust, en de gewone man die zijn dagen slijt aan de kant van de weg, kijkend naar wat voorbijkomt, nadenkend over de nietigheid van het leven.

Een voortdurend toeterende vrachtwagen verstoort onze rust. Vanuit de laadbak verkoopt een jonge kerel kisten rijpe aardbeien. Acht bakjes voor maar drie euro. Een koopje. Wanneer de Italianen zijn uitgekocht stap ik op hem toe. Ik moet maar één bakje, zeg ik. Hij grijnst. Alleen de hele cassa zegt hij. En dat hij geen Engels spreekt. Ik kan zo’n cassa niet dragen, zeg ik, en dat we uit België komen, want dat wou hij ook weten. Hij heeft geen idee waar dat ligt, is nooit echt naar school geweest. In zijn blik ligt berusting en wat afgunst. Uiteindelijk kiepert hij de inhoud van de cassa, bakjes inbegrepen, in een plastic zakje en betaal ik hem zijn drie euro. Als de wereld dan toch nog mag verbeterd worden, kan ik net zo goed beginnen met méér aardbeien.

We laten een bakje achter voor Alessandro, eten zelf tot we buikpijn krijgen, en sleuren de drie resterende kilogram aarbeien mee naar de opgravingen. Het wordt warm, de aardbeien beginnen te gisten en nemen hand over hand in gewicht toe. Het lot van de mensheid verbeteren blijkt weer eens moeilijker dan verwacht. Plichtsbewust zoeken we elk nog één aardbei uit, de rest verdwijnt roemloos in een vuilbak.

Op de weg terug is Lorenzo nog even vrolijk als deze morgen. Hij prijst nu ook een coppa di fragole aan.

 

 

Paul Snoek

Het is zo ver. Een klein kerkje in het Pajottenland, tussen moeilijke kasseien, ochtendnat gras en een feestzaal in. We zitten vooraan, en kijken naar het koor, vijf vrouwen en een man, en luisteren naar de priester die zijn zachtste, meest meedogende stem heeft opgezet. Maar we zien ook zijn verveeld gezicht, het is vandaag al de tweede begrafenis van iemand die hij nooit heeft gekend.

De ochtend was moeilijk. Loden benen, troebele blik. Maar net dan zie je details die je anders ontsnappen. Haal je Vosje meteen uit zijn slaapzak wanneer je hem naar beneden hebt gebracht? Vosjes mama niet, zij geeft hem tijd om warm en gezellig aan de dag te wennen. Ik wel, de nacht is al zo lang, de dag kan niet wachten om ontdekt te worden. Geen idee wat dat verschil betekent. Vosje lacht altijd.

Het gaat snel. We staan recht om de kist te groeten, en daarna zie ik ze voorbijschuifelen, de mensen. Benig en hard, alsof het vlees zich op dit moment angstig terugtrekt in hun botten. Ik denk aan Vosje, een en al zachtheid en kneedbaarheid. We toonden nog een filmpje van een lachend Vosje, op het einde, dat maakte gelukkig.

In de namiddag zitten we in de tuin van een oude Brusselse villa. Het huis is wat verwaarloosd, de mensen die er wonen leven met hun hoofd en hart elders. Innig verbonden met de mensen, en met God. Hun warmte doet deugd, en ik schaam me bijna om de enige te zijn in het gezelschap die niet gelooft in het eeuwige. Stel, zeg ik, stel dat Vosje ook op zijn 86ste in een kist ligt, in 2102 dus, ergens in een zaal op een gewijde plek, tussen de mensen die hem dierbaar zijn. Waar ben ik dan?

Nu gaan ze ter communie, en ik kijk naar hun voeten. Naar de onbestemde schoenen, en de enkels, vaak pijnlijk gezwollen. Het is een ondankbare taak, enkel zijn. De huid is schraal, je draagt alle gewicht en nooit is er dankbaarheid. Terwijl knoesels toch erg gevoelige plekjes zijn, heel goed in staat om genot te schenken. Even later is de dienst afgelopen, de kist eerst verlaten we de kerk. Tussen sandwiches en taart herademen de mensen, hun vlees, kwabben en vet durft zich opnieuw tonen. Mijn tranen voor deze man, die ik nauwelijks heb gekend, maken geruisloos plaats voor de gewone maskers van het leven.

Ik zal nergens zijn.  Ik zeg het niet eens luidop. Vosjes vader zal vergeten worden zodra Vosje er niet meer is. Dat is een troostrijke gedachte, en terug thuis, ’s avonds, duik ik in mijn dichtbundels, op zoek naar woorden die bij deze vreugdevolle en treurige dag passen.

Vosje drinkt zijn laatste flesje, zijn ogen vallen al bijna toe, wanneer ik hem dit voorlees:

Noodbrug

smorgens naast de kuilen van de regen waden
ademloos een vloeibaar dagblad kopen
over de groene wolken heenwalgen
en blinde satelliet zijn van de zon

zich in een zondvloedvrije zone nestelen
als dertiende gast
een witte appel eten van twee uren lang
en kersepitten schieten naar de zoldering
van zijn verveling

de dag verdoemen in de ronding van de natte avond
in een bouwvallig huis vertedering ontwijken
en gyroscopisch traag gelukkig zijn

Paul Snoek

Dat is een moeilijk woord, gyroscopisch, zeg ik, terwijl hij al slaapt. Het heeft iets te maken met een kompas, met weten waar je bent en waar je naartoe wil. Kan je dan pas traag zijn? Gelukkig? Als je weet waar je naartoe wil? We stoppen hem terug in zijn slaapzak, en ik breng hem naar boven. Slaapwel, fluister ik. Het ga je goed.

David McComb

Mijn lief is verliefd op iemand anders. Ik ben een wrak, kan nu niet praten.

De boodschap staat op Messenger, het is het antwoord op mijn uitnodiging voor een terrasje in de namiddag. Het is een zondagse lenteochtend, en ik sta stil op een lege A12. Links van me rijpt Duvel, rechts doet Vosje zijn ochtenddutje. Oei. Meer krijg ik niet getikt voor de lichten op groen springen.

Het is wat, de liefde. Net wanneer je denkt dat het zeker is, echt voor altijd deze keer, nooit meer twijfelen, nooit meer zoeken, blijkt het toch weer anders. Ik geef gas, ik heb een nieuwe auto en probeer hoe snel hij optrekt. Het geluid is fantastisch, en ik lach met mezelf, dat ik daar zo kinderlijk blij mee ben.

Vosje is het allergelukkigst wanneer hij zijn ouders samen ziet. Dat willen we toch graag geloven, maar deze zondag is voor Vosje en mij. Stil kunnen we niet zitten, daarvoor zijn we allebei te rusteloos. We trekken naar de bakker, en in de namiddag wandelen we door de Kloosterstraat. We bladeren door een boek met de inventaris van de correspondentie van Peter Benoit (over geldzaken, vaak), en testen een paar verantwoorde bio- en ecospeeltjes in een kinderwinkel voor de rijkere tweeverdiener. Vosje vindt het maar niks. Een bijna lege fles San Pellegrino (stiekem geven we hem steeds een vollere, daar wordt hij sterk van), en het knisperende geluid van een leeg pak vochtige doekjes, daar speelt hij het liefste mee.

We zoeken schaduw en rust in een fotogallerij, wat achterin. African Queen, heet de tentoonstelling. Plat commerciëel, maar het zijn mooie vrouwen. Naakt meestal. Wat verder vinden we een plaats op het terras van The School of Life. Ik bestel een glas witte wijn, er is geen betere plek om over gewonnen en verloren liefdes na te denken dan hier, in de schaduw van Alain de Botton.

We kiezen voor de pijn die we herkennen, telkens weer, zegt hij. We laten de mensen die echt goed voor ons zouden zijn links liggen. We willen niet geheeld worden, we willen erkenning van ons slachtofferschap. Alleen gebroken harten vinden troost in zo’n miezerige gedachte, en schrijvers van zelfhulpboeken misschien. Wat met de roze wolk van verliefdheid? Bijna onmogelijk om er het evenwicht op te behouden, niet met hoofd weg te zakken tot het mist wordt waarin niets nog duidelijk is, of erger nog, helemaal naar beneden te donderen, waar de wolk zich op jou neerregent en voorgoed verdwijnt.

De lente is nog jong, en het koelt snel af. We wandelen naar huis, en Vosje, uitgeput van het aanstaren van voorbijgangers, valt in slaap. Hij snurkt een beetje, er zit altijd wel wat ruis op zijn luchtwegen. Hij krijgt nog een flesje en een verse pamper, en dan zit onze dag samen er op.

Ik moet nog weg, ’s avonds. Alleen in de auto, onder het laatste schemerlicht, lijken de Vlaamse vlaktes eindeloos uitgestrekt. Dit moet één van de minst gecompliceerde dagen uit mijn leven zijn geweest, en ik ben op wonderbaarlijke wijze gelukkig. Wat zou ik kunnen zeggen tegen het gebroken hart? Hoe maak je van zoiets absoluut, zoiets pikzwart als een definitieve afwijzing, een finale breuk, iets wat je kan afwegen in je hand? Iets waar je naar kan kijken, wat je kan betasten en proeven? Hoe maak je het tot iets wat plek neemt maar geen plek meer is?

Ik zou het niet weten, dit is geen dag voor begrip. Ik zet de muziek luider, mijn eeuwige shuffle weet het altijd beter, de warmte van de bas komt mijn lijf binnen via mijn knie.

There’s someone standing in the rain like they have no place to go
Maybe that someone is you, maybe someone you don’t aim to know
Maybe lost possessions

Maybe stolen property
You just lie around waiting on a signal from heaven
Never had to heal any deep incisIon
Darling you are not moving any mountains
You are not seeing any visions
You are not freeing any people from prison
Just an aphorism for every occasion
As if the only thing that ever matters
is your place at the table
You never read the writing on the label
when you drank from the bottle
it said Keep Away From Children
This is stolen property, this is stolen property

Let her run away
Let her run, let her run away
She can’t hurt you now, can’t hurt you now
She don’t belong any more, learn the hard way
She don’t belong here anymore
Finders keepers, losers weepers
Finders keepers, losers weepers
This is stolen property, this is stolen property

Reach out in the darkness now she’s not there
Reach out it’s getting darker now she’s not there
Reach out it’s getting darker now
She don’t belong anymore, learn this the hard way
She don’t belong here any more
You stumble, sometimes fall
Pick yourself up! Hold yourself up to the light!
Duck your head ! Watch for the blade!
Can’t hurt you now, can’t hurt you now
This is stolen property

David McComb

Ik zet de muziek af. Mijn gezicht is nat, merk ik. Tranen.

Martha Nussbaum

‘Kielekielekiele!’ Onmiddellijk gevolgd door ‘één, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van.’ Vosje schatert het uit, terwijl boven hem handen rondjes draaien. Het zijn oude handen, maar dat vindt hij prima. Hij heeft een niet te verklaren voorkeur voor vrolijke, oude dames en ernstige, jonge blondines. Op zijn smaak in mannen valt nog geen peil te trekken, maar sommigen hebben duidelijk een streepje voor.

Met wederkerigheid heeft het niks te maken. Vosjes liefde op het eerste zicht heeft de ander niet nodig, en is absoluut. Wat je zegt maakt niet uit. Misschien is het de geur, denk ik, of de klank van de stem. Wanneer ik met hem alleen ben, durf ik het. Filosofie afwisselen met de grootste onzinverhalen, waarin potten huizen voor groenten worden, en het afwaswater een bron van nieuw leven. Een beetje zoals in Bijgekleurd dus. Want dat weet u als lezer onderhand wel, dat u niets zomaar mag geloven van wat hier staat.

The forces making for both deception and unmasking are various and powerful: the unsurpassed danger, the urgent need for protection and self-sufficiency, the opposite and equal need for joy and communication and connection. Any of these can serve either truth or falsity, as the occasion demands. The difficulty then becomes: how in the midst of this confusion (and delight and pain) do we know what view of ourselves, what parts of ourselves, to trust? Which stories about the condition of the heart are the reliable ones and which the self-deceiving fictions? We find ourselves asking where, in this plurality of discordant voices  is the criterion of truth? 

Martha Nussbaum, Love’s Knowledge: Essays on Philosophy and Literature

Ik lig er een beetje met mezelf over in de knoop. Alternative facts zijn een scheldwoord geworden, en al wie de waarheid een beetje geweld aandoet is een graaier, die met zwaaiende vingers terecht wordt gewezen, cq terecht gesteld. En plots bevind ik me in het onaangename gezelschap van Trump, Wilders, en de al even boze populisten van links.

Stielbedervers.

De waarheid naar je hand zetten doe je alleen als je ten volle beseft dat ze niet bestaat. Er is geen sluitend criterion of truth. Zelfs het citaat van Martha Nussbaum heb ik een beetje naar mijn hand gezet. Simpelweg door de eerste zin weg te laten. De zin die betekenis geeft aan de rest.

We deceive ourselves about love — about who; and how; and when; and whether. We also discover and correct our self-deceptions.

De waarheid is niet iets wat je hebt. Niet iets wat je vindt. Het is iets wat je zoekt.

De partner van de oude handen die Vosje zo behagen is doodziek. Hij is in leven gebleven om Vosje nog te kunnen zien, hebben wij onszelf wijs gemaakt, om hem toch één keer vast te houden. Maar nu is het leven welletjes geweest. Hij stikt langzaam.

Ik weet niets van de liefde die deze twee mensen een leven heeft samengehouden. Niet wanneer ze overwoekerd werd door gewoonte, niet wanneer ze vergleed in koppigheid, zo nodig voor de rol van verzorger tot het eind. Niet of ze mekaar nu al hebben losgelaten, of hoe ze dat straks gaan doen.

Naar hem lacht Vosje bijna nooit, maar dat maakt niet uit. De draaiende handen en de pannenkoekenvlaaien van de vrouw maken alles goed. Ze kennen mekaar, Vosje, deze oude vrouw en deze oude man. Ze heeft een rammelaar voor hem gekocht, en stopt die in zijn handen.

Het doet me twijfelen. Misschien bestaat het toch, de waarheid. Helemaal in het begin, en misschien ook op het einde, zo net voor het afscheid.

From here to eternity

Zo af en toe hebben ze een bevlieging, papa vooral, en dan kijken ze elkaar aan, zuchten een keer, en staan moeizaam op uit hun zetel. Dat ik net aan het spelen ben met Amos, of rustig mijn nieuwe leven in de crèche contempleer, dat maakt ze allemaal niet uit.

Ze rapen me op alsof ik de krant van gisteren ben (of die van eergisteren, het gaat toch steeds over die Trump), in deze fase van mijn leven heb ik geen keus. ‘We gaan op pad!’ Daar moet ik dan blij mee zijn, maar ik haat die maxi-cosi. De naam alleen al, vaag Italiaans alsof dat het mooier maakt, maar het ding weegt een ton en voor ze me in de auto hebben vastgegespt ben ik al zeeziek. Alles voor mijn veiligheid.

En dan rijden ze allebei zo wild.

Ze weten niet echt waar ze naartoe willen. Het gaat richting stad, maar onderweg twijfelen ze nog tussen de laatste solden en een tentoonstelling in La maison particulière. Goddank laten ze de winkels zo. Het meisje dat ons in het privé-museum ontvangt is beleefd en welopgevoed – ik beloon haar mooi en flink met een stralende glimlach. Werkt altijd, we hebben meteen connectie.

Veel valt er niet te zien. Een Italiaan is jaren in de weer geweest om foto’s van blote volwassenen te nemen en ze achteraf te assembleren tot grote tableau’s. De opwaaiende veer van mensenlijven vind ik mooi, de rest is vooral huisvlijt. Al zou het kunnen dat de betekenis me ontgaat, ik heb nog veel te leren.

Het gaat over de voortdurende transformatie, leest papa voor. Van conceptie tot het eeuwige leven. Dat is een interessante gedachte. Was ik er al voor ik hier was? Zal ik er nog zijn wanneer ik er niet meer ben? Heb ik hen gekozen? Ontstaat er niets maar blijft alles, zij het anders? Is het allemaal transitie? Of was het transformatie? Papa struikelt over zijn woorden, mama wandelt verder en zet zich aan een allercharmantst bureautje. Ze schrijft niets in het gastenboek.

Voorlopig hou ik het erop dat bloot gewoon leuk is om naar te kijken, en dat het moeilijk is voor oude mensen om met het naderende einde om te gaan. Een ijdel gevecht tegen het onvermijdelijk verval.

‘Verdomde acteurs!’ was één van de opmerkingen van de oude regisseur in Graz geweest, veelvuldig geciteerd in de theaterkantine, ‘eerst zuipen ze tot ze eindelijk een karakterkop hebben, en dan kunnen ze geen tekst meer onthouden.’

Martin Michael Driessen, Rivieren

Dat ligt nog allemaal voor me. Was ik een ander zoogdier, dan zat ik nog in de buik van mama, hulpeloos als ik ben. Nu hang ik in de touwen, tegen de buik van papa. Ze kijken naar buiten. Achteraan in de tuin van het buurhuis staat een mini-huisje, in een soortement Oostenrijkse stijl. Ja, dat zien we. In de verte dreigt een wolkenkrabber, op bescheiden Brussels formaat. Een verzekeringsmaatschappij heeft er een lichtreclame op gezet.

‘Wat is het mooist’, vraagt mama zich luidop af. Ik slaak een kreetje, want op die vraag ken ik het antwoord. De beide, wil ik zeggen, de beide in één blik gevangen, vanuit een hypergestileerd negentiende eeuws herenhuis. Het leven is niet óf, het is én. En het is alles tegelijk. Tijd is de echte fictie.

Terug thuis blijk ik 39° koorts te hebben. Ik moest me maar niet zo opwinden. Licht ontvlambaar zal ik altijd wel blijven.

 

Juli Zeh

Misschien, dacht Arne, werden gevoelens gewoon niet zo oud als mensen. Vanaf een bepaalde leeftijd leefden echtgenoten samen als huisgenoten in een woongemeenschap, als ze niet allang gescheiden waren. Kinderen en ouders hielden op elkaar aardig te vinden, gingen evengoed bij elkaar op bezoek en waren blij als de ander weer ophoepelde. Vrienden verloren elkaar uit het oog, buren veranderden in vijanden. Minnaars werden een last, je schaamde je voor oude schoolvrienden en zelfs een huisdier begon op een gegeven moment te irriteren.

Juli Zeh, Ons soort mensen.

Ik zag het. Mijn vader, de Vosjespapa, durfde dit fragment niet luidop voorlezen, ook al was er behalve ik, Vosje, niemand in de kamer. Maar zijn lippen prevelden de woorden toch, terwijl hij anders altijd in volstrekte roerloosheid leest. Tot zijn ogen dichtvallen van vermoeidheid.

En dan leest hij dit. En hij begrijpt. Dat ik er niet ben om mezelf, maar omdat hij zijn ouderdom ontvlucht. Omdat hij wil blijven voelen, of opnieuw. Je kan discussiëren over wat echt is: het idee achter het plan, of de realisatie. Ik maak alvast van die drie het meeste geluid, terwijl het idee in hun hoofden vervaagt. Ik zal er een leven achter jagen en dan nog. Begrijpen of het van hem of van haar kwam, verwacht ik niet ooit te doen.

Vier maanden zijn we nu samen. Al die tijd heeft hij hier, op deze pagina’s (dat gebazel rond digital natives moet maar eens ophouden, we zijn native nostalgics – kijk maar eens hoe jullie alles van het verleden voor ons terughalen en ophemelen, onwetendheid en bijhorende dictators incluis), op deze webpagina’s dus, zitten opscheppen over hoe hij als oudere papa zijn verse zoontje zo graag ziet, hoe hij hem het beste van alles zal meegeven.

Hij legde zijn boek neer, pakte zijn telefoon (dat doet hij altijd), en pas dan durfde hij me aankijken. Ik stopte met het trainen van mijn duim en de pincetgreep, en keek terug. Tweede jeugd voor hem, tweede plaats voor mij. Pijnlijk.

Daarom richt ik nu maar zelf het woord tot u. Ik ben géén schattige baby. U doet me tekort als dat alles is wat u in me ziet. Ik bereid me voor. Lachen en brabbelen horen daarbij, en ik wring me welwillend in duizend bochten om me aan te passen aan wat hij over me schrijft. Ik doe niet moeilijk, en je moet per slot van rekening ergens vandaan komen.

Maar straks bepaal ik zelf wel wie ik zal zijn. Nu zijn mijn middelen nog beperkt, maar deze week, nu ze me toch de wijde wereld hebben ingestuurd, maakte ik een start. Ik joeg mijn temperatuur de hoogte in. Tot 40°, hogerop raken zij in paniek en dan worden ze onvoorspelbaar. Zelf heb ik er dan vooral veel dorst van, en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Voor maximaal effect deed ik er nog een darmgriepje bovenop.

Ze gooiden hun agenda’s overhoop, leerden omgaan met een koortsthermometer (het ziet er niet uit, maar los van de diarree is in de poep echt wel het makkelijkste voor alle betrokkenen), knoeiden met de maatbeker voor mijn koortsremmer en namen me mee in hun bed.

Ik maakte me een beetje zorgen over hen, zo intens waren ze met me bezig. Ze moeten dit nog jaren volhouden, het is nog niet het moment om hen volledig uit te putten. Ik beloonde hen met een nieuw geluidje, en meer gelach dan ze ooit van mij hadden gezien. Ik moest iets anders vinden. Minder acuut, maar zeker efficiënt om mijn plaats op te eisen.

Ik doe mijn best, maar me onafhankelijk van hen bewegen kan ik nog niet. Daar kijk ik nochtans naar uit. In stilte verdwijnen. Boeken uit de kast trekken. Fotokaders in gruzelementen op de grond. Het komt, ik voel het. Nog een beetje meer kracht en ik kan er aan beginnen.

In afwachting lijkt de pen van mijn vader me een beter idee. Hij springt er toch achteloos mee om. U hoort nog van me.

Uw toegenegen Vos.