The Boss

Vakantie! Tijd voor Bijgekleurd om weer eens wat anders te tonen. In februari nam ik deel aan een wedstrijd (erg korte) erotische verhalen. Ik haalde de longlist niet. Aan jullie om te beoordelen of dat terecht was …  

Warning: explicit content

 

The Boss

‘Zwijg even.’ Ortwin houdt zijn hoofd schuin. ‘Dit is het beste liedje dat Springsteen ooit heeft gemaakt.’

Roy Orbinson singing for the lonely,
Hey that’s me and I want you only.

Hij is al op een andere planeet. Echt meezingen doet hij niet, gelukkig, dat zou Christina niet kunnen verdragen. Het is meer eerbiedig prevelen, de ogen gesloten, geconcentreerd. Hij kijkt op net dezelfde manier als deze nacht, toen hij klaarkwam. Dat hij zijn stem maar niet verheft bij you ain’t a beauty, but hey you’re allright. 

Ze weet het eerst nooit zeker.

Zijn ze blij eindelijk een vrouw gevonden te hebben die hen wil bevredigen, mag een curiosum als zij niet in hun trofeeënkast ontbreken, of zijn het freaks die kicken op haar manke been, de ontbrekende hand, en de littekens op haar hoofd?

Het ontbijt maakt het altijd duidelijk. Dan zijn ze nuchter. Ze zorgt voor sterke koffie en fel licht. Het maakt niet uit of de seks goed was, hij snurkte of scheten liet in bed. Het gesprek, daar gaat het haar uiteindelijk om.

Deze hier was een twijfelgeval. In het café al praatte hij de hele tijd, een woordenbrij was het, zonder begin of eind. Zij kon niet weg van haar kruk in het halfduister. Daar, en daar alleen, zag ze er nog best appetijtelijk uit. Hij betaalde haar een witte wijn die ze in haar hand warm liet worden – de weg naar het toilet was een helletocht. Pas na een tijdje begonnen zijn woorden aan haar te kleven. Antwoorden hoefde ze niet, hij sprak al in dialogen, hij had enkel nood aan een publiek.

Ze hoorde namen van schrijvers en modeontwerpers langs komen. Politici en hun rol in Netflix series. Alleen voetballers leek hij te verwarren met wielrenners.

‘Kom je mee, ik wil naar huis,’ had ze na een uurtje gezegd. ‘En ik ben gehandicapt, maar ik pijp graag en goed.’ Hij was in lachen uitgebarsten.

Terwijl zij haar broek al uit had en de littekens op haar linkerdij net zichtbaar werden, zei hij dat zijn tienerdochter maar een truttebel was, al die paniek om één slecht cijfer voor Latijn. Bijna had ze hem een slag in het gezicht gegeven, maar haar ene hand zat al in zijn broek. ‘Je borsten zijn ok,’ zei hij wat later, wat wel lief was, want die waren erg verschillend. Ze stak de stomp van haar rechterarm onder zijn oksel, en ging met haar hand door het spaarzame borsthaar. Ortwins vlees was zacht, en zijn huid droog, maar zijn erectie was hard en leek oprecht. Hij nam het initiatief over, draaide haar op haar buik, trok haar kont omhoog en likte haar met lange halen van klit tot aars. ‘Zo belangrijk is Latijn niet, toch,’ zei hij, terwijl hij haar terug op haar rug legde en zich in een 69 positie boven haar manoevreerde. ‘Als het nu nog over wiskunde zou gaan.’

Ze werkten zich samen in het zweet. Terwijl hij haar neukte en zij een vinger in zijn kont probeerde te duwen, kon ze de gedachte niet onderdrukken dat het wel leek alsof ze in de keuken stonden, werkend aan een feestmaal voor vrienden. Ontspannen, maar geconcentreerd.

Bij dat warme gevoel van huiselijkheid kwam ze plots klaar. Hij schrok, en ze noteerde een plus, dat hij het merkte, ze had er geen lawaai bij gemaakt. Het had daarna allemaal wat lang geduurd, uiteindelijk, en zijn zaad bleef maar nadruppen. Vreemd, want hij had maar één teelbal.

I’m pulling out of here to win!

Ze schenkt hem nog een koffie in. Vragen hoeft ze het niet.

De fietstocht

Omdat het zomer is, of gewoon omdat ik er zin in heb. Een geheel fictionele, lichtjes oververhitte bijgekleurd, deze keer.

Het blauw is wat donkerder geworden, zegt ze. Zou dat het onweer zijn, dat zich ontwikkelt?

Dat heb ik altijd al een rare uitdrukking gevonden. Hij kijkt haar aan. Dat onweer zich ontwikkelt. Dat het groeit, losbarst, uitsterft. Woorden die we gebruiken voor dingen die ademen, die bezield zijn.

Ze zitten op de uitgedroogde grond naast het pad in een bos, de fietsen naast hen. Ze moesten even voet aan de grond zetten, zo hoog bovenop die fiets was het gewicht van de lucht niet meer te dragen. Nu vermaalt ze met haar rechterhand korzelige brokken grond, en staart naar de lucht alsof de verlossing van boven zal komen, maar het licht slaat haar ogen neer.

Tussen hen hangt de geur van zweet. Ze hebben al dertig kilometer gefietst, nog twintig te gaan. Op het appartement was het niet uit te houden geweest, zo warm. Hun kleren plakten er aan hun lijf, en toen ze die uittrokken was het zweet van de ander een ondoordringbare barrière geweest. Hoe hard ze ook likten, of er ijs op lieten smelten, de landerigheid van hun lijven liet zich door niets verjagen, zelfs een soppende watermeloen mocht niet helpen.

Ze delen een flesje water, te warm om te verfrissen. Is hier geen beekje in de buurt, vraagt ze?

Hij haalt zijn schouders op. We zijn niet in Frankrijk, zegt hij. Geen snel stromende bergbeek die landt in het bos, met een mini meertje onder de schemer van hoge bomen. En als dat er al zou zijn, dan zat het vol met pubers. We zijn vlak bij de bocht van de Schelde, een beetje verderop begint het kiezelpad. Er is natuurlijk wel het strand van Sint-Anneke, net daarna.

Ze kijkt naar de voeten in zijn sandalen. Ze zijn lelijk, ze kan het niet anders dan aan zichzelf toegeven. Wanneer hij ze gebruikt om haar borsten te kneden, en daarna probeert om met zijn grote teen haar klit te vinden, kan ze die voeten wel kussen. Maar nu zijn ze terug wat ze altijd al waren, lelijk. De benen daarboven zijn mager, de huid rond de enkels schraal.

En hij zeurt. Mooi verpakt gezeur, maar vermoeiend, desalniettemin. Nooit gaat hij nog mee naar waar zij wil verdwalen.

Rijden we verder? zucht ze. Ik word liever niet neergebliksemd, seffens.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Zo’n onweer, zegt hij, dat verkleurt de lucht, verbuigt het licht, stuurt vochtige verkenners uit die zich mengen met plaatselijke droogstoppels, zoals ik.

Ze haat het wanneer hij zich verliest in zijn beeldspraak, zich de grootste dichter van de Nederlandse taal waant en hij het kroontje van een of andere ridderorde al boven zijn hoofd ziet zweven. Dat hij zwijgt en zijn tong gebruikt om haar te kussen, op de mond of tussen haar benen. Dat kan hij goed, maar veel eer kan hij er niet mee behalen.

Ze staat recht. Hem aankijken lukt niet, ze draait haar fietsbel rond het stuur. Ik bezweer de demonen van de natuur, lacht ze, haar stem net boven het gerinkel. Langzaam komt ook hij recht, zijn blik leeg. Misschien roep je wel alle onheil over ons af, mompelt hij.

Hij fietst voorop, zoals steeds. Ze voelt zich vrijer zo, zolang hij maar af en toe achterom kijkt om te zien of ze nog volgt. Wanneer ze het kiezelpad bereiken, vallen de eerste druppels. Het zijn er maar een paar, ver uit elkaar. Hij versnelt, in een zinloze poging het onweer voor te blijven.

Bij het strand van Sint-Anneke zien ze hoe iedereen zijn spullen inpakt, en verdwijnt naar auto of café. Ze stopt, terwijl hij vloekend de overstekende badgasten ontwijkt. Ze stapt af, parkeert haar fiets tegen een boom, en wandelt naar de Schelde. Achtentwintig is ze. En al niet meer in staat om zot te doen zonder brokken te maken. Het is drukkend warm, de druppels verlossen nog niets of niemand.

Halverwege het strand trekt ze haar short en topje uit, en wandelt tot aan het water. Met één teen voelt ze hoe koud het is. Ze strekt zich uit, een zuchtje wind in haar oksel bezorgt haar kippenvel. Ze kijkt om, er is niemand meer. Snel trekt ze ook haar ondergoed uit, en stapt in het water. Wanneer ze er tot haar middel in staat, hurkt ze en draait ze zich om.

Ze ziet hem staan op de dijk. Hij heeft haar fiets gezien, en speurt nu naar haar. Geergerd, bezorgd, dat kan ze niet uitmaken. Ze zwaait, gaat rechtstaan in het water. Hij ziet haar. Het regent harder nu, en ze weet zeker dat haar schuilplaats de beste is.

Ze laat zich achterover zakken, en op haar rug laat ze zich meedrijven met de stroom. Even maar.

Ze is niet gek.

De knoop, aflevering 1

(waarschuwing voor de vaste bijgekleurd lezer: wat hierna volgt, is fictie. Gewoon, een echt verhaal – enfin, de eerste aflevering van wat een feuilleton zou kunnen worden.)

Marleen kijkt naar de grond, de schouders opgetrokken en de paraplu dicht tegen haar aan. Er staan veel plassen in het slecht onderhouden voetpad. Zo hard regende het nog niet toen ze vertrok.

Het feestje gisteren speelt in haar hoofd en haar darmen, en Jonas, haar tweede kind, was al vroeg op geweest. Hij had, zoals hij wel meer deed wanneer hij een moeilijke dag aankondigde, geroffeld op hun lakens. Niet hard, maar het zachte tikken op haar buik had de slapende massa alcohol en slecht eten weer aan het werk gezet – terwijl ze zo had gehoopt dat die ongemerkt uit haar zou glijden, straks. Haar eerste geluid van de dag was dan ook een boer, die haar mond met zuur vulde. Normaal was ze één en al geest, maar daar leek deze ochtend weinig van over gebleven. Ze wou haar ogen weer sluiten, maar merkte dat ze die nog niet open had, en het kloppen in haar keel verried een te snel hartritme. Vaag herinnerde ze zich iets over haar man, Rik. En over Stefan.

Een bus spat haar nat, en ze zucht. Thuis blijven was geen oplossing geweest, niet met een Jonas in overdrive, en ze is van dienst in de boekhandel. Verantwoordelijkheden zijn niet licht.

Ze opent de drie sloten van de voordeur. In het halfduister van de winkel zijn de boeken nog niets dan vorm, stapels. De geur van papier is sterker zo, wanneer de adem van de schrijvers ontbreekt en de boeken anoniem zijn. Ze blijft even in het midden van de winkel staan, en aait een exemplaar van een stapel die ze gisteren heeft neergelegd. ’25’, van Jamal Ouariachi. Seks verkoopt.

Maar de lichten moeten aan, de koffie gezet, de kassa opgestart. Bij de laatste verbouwing heeft ze haar zin gekregen. Vooraan is alles wit, met boeken op tafels, de omslag open en bloot. Het nodigt de mensen uit om toe te tasten, gretig en gulzig. Bijna niemand laat zich nog verleiden door een mysterieuze rug in een rek. De boeken daar lijken in eeuwige winterslaap, en ze prijst zich gelukkig telkens wanneer er toch iemand met zijn vingers langs glijdt, en een exemplaar wakker kust.

Achteraan, op de donkere verdieping met de koopjes, alles door elkaar, komt bijna niemand. Zij loopt er elke avond na het afsluiten even langs, kijken of ze nog leven.

foto ® riaAerts
foto ® riaAerts

Haar telefoon geeft een klikje wanneer de eerste klant de deur opent. Nou ja, klant. Het is Harry, die komt elke zaterdag de kranten lezen in de winkel. Niet om te weten te komen wat er in de wereld gebeurt, maar om er commentaar op te geven.

Het berichtje is van Rik. Of zij weet of er een paar reserveveters voor Jonas’ voetbalschoenen in huis zijn. Het voetballen van Jonas is iets van Rik. Hij leurt met het talent van de jongen langs alle grotere voetbalclubs van de streek. Gaat supporteren wanneer hij speelt, geeft goede raad aan coaches en ieder die het wil horen, en kijkt met het joch naar elke voetbalwedstrijd op tv. De analyses duren bijna even lang als de wedstrijd zelf.

Gelukkig staat het voetbal tv-toestel op zolder.

Nee, antwoordt ze naar waarheid. Dat weet ik niet, Rik. Maar de club heeft er ongetwijfeld wel in voorraad.

Dat ze oplossingen moet aandragen voor elk groot en klein probleem van Rik is ze gewend. De eerste keer dat ze hem uitkleedde had ze de knoop van zijn broek los getrokken. Haast, nervositeit, lust, dat weet ze niet meer. Tussen het kussen door had hij haar gesmeekt die knoop er weer aan te zetten, straks. Ze had gelachen, en haar handen in de open broek gestoken, maar hij meende het. Dat merkte ze aan zijn tong. Natuurlijk, fluisterde ze, natuurlijk laat ik je niet gaan voor je weer heel bent.

Ze was niet goed in het vastnaaien van knopen, en toen hij een paar weken later weer los kwam, had ze hem aan een veter gehangen. Het is mijn knoop nu, zei ze tegen Rik, die keek hoe de knoop tussen haar borsten bengelde.

De knoop maakt deel uit van hun leven. Ze draagt hem bijna altijd. Tijdens haar zwangerschappen was hij stil en nietig, en één keer, tijdens de bevalling van Jonas, knapte de veter bij diens eerste schreeuw. De knoop gleed in het bakje met de nageboorte, waar de vroedvrouw hem met tegenzin weer tussenuit haalde.

‘Er zijn ook dit jaar weer geen stoute kinderen in Vlaanderen!’ Harry kijkt op van zijn krant. ‘De zwarte pieten zullen met lege zakken terug naar Spanje moeten. Een hele last minder voor Slechtweervandaag, dat wel, maar in het echte leven zijn die Moorse kaliefen niet zo simpel te verschalken. De kinderen laten ze nog zo, maar onze jongeren bederven ze met hun perfide godsdienst. Die kopen dan zelf wel hun ticket naar de strijd, om van daaruit te roepen hoe slecht wij wel zijn!’

De dreiging van islamextremisme is Harry’s stokpaardje de laatste maanden, al vormen ebola en de regering Michel wel sterke concurrentie. Het einde der tijden is in elk geval nakend. Marleen herinnert zich nog hoe hij de kelder van de boekhandel wou gebruiken als schuiloord, op 31 december 1999.

‘Dat hele verhaal om van die zwarte pieten witte pieten te maken is een valstrik. Snap je dat niet, Marleen? Het is hen te doen om ons een schuldgevoel aan te praten wanneer we opkomen voor onze tradities! Ze nemen het hier gewoon over!’

En dat onder het mom van politieke correctheid, jaja, dat kan Marleen zo ook aanvullen. ‘Nog een koffie, Harry?’ Hoe bang ook voor het voortbestaan van de maatschappij, Harry begrijpt de suggestie en staat zuchtend recht.

‘Hoe gaat het met jullie supertalent, Marleen?’ Ook die vraag behoort tot het vaste patroon.

‘Slecht’. Dit antwoord is nieuw. Ze ordert de kranten en wandelt weg met Harry’s koffiekopje. ‘Hij blijft veters breken, en uitschuiven. Net zijn vader.’

Intro

In het gezegende jaar 1999 nam ik deel aan de verhalenwedstrijd van De Brakke Hond, literair tijdschrift met neus. Tot mijn grote verbazing won ik een prijs. De tweede weliswaar, maar toch, een prijs.

Het verhaal in kwestie, Restafval, ging over afscheid. Een jaar later publiceerde De Brakke Hond een tweede verhaal van mij. Save as was niet bedoeld als vervolg, maar als ik het nu terug lees, dan gaat het over het tegenovergestelde, over toch maar samen blijven, samen blijven zoeken.

Er is dus blijkbaar in thema in mijn beperkte literaire oeuvre, twee verhalen groot.

Lange tijd stond het archief van De Brakke Hond online, maar dat is niet meer het geval. Een goed excuus om de twee verhalen hier opnieuw aan de wereld te presenteren.

Vooraf even de voetnoten. In Restafval komt de naam van twee politieke partijen voor. Niets veroudert blijkbaar zo snel. Voor de jongere lezers: Agalev is nu Groen, en CVP is CD&V geworden.

En in Save as wordt het woord diskette gebruikt – dat is een nu verdwenen opslagmedium, lees dus gerust ‘ik log in op dropbox, en ‘save as’.  En een telefoonboek was een papieren kanjer waarin je de telefoonnummers van mensen kon opzoeken – het zou kunnen dat ze nog bestaan.

Save as

Ik spreek tot mijn geliefde in hortend proza. Ik sta achter haar, reik met mijn handen om haar heen in een poging haar borsten te vatten en schrijf een half woord in de lucht. Ik plaats een komma op haar rechterbil, en uit mijn mond druppen drie puntjes die suggereren dat mijn wil draait om alles wat zij te bieden heeft.

Ze draait zich om en kijkt verder dan ik kan zijn. Langs me heen, op zoek naar de witregel die haar de kans moet geven om een pauze te nemen, stil te staan en te begrijpen.

Ik help haar niet. Mijn rusteloze vingers trommelen een wachtwoord op haar arm, mijn andere hand probeert te bewaren wat ik al gezegd heb, ‘save as’, maar er is geen ruimte meer vrij.

Dit is niet juist, zegt ze. Dit kan ik niet begrijpen.

Ik probeer mijn mond op de hare te drukken, mompel een maar ik hou van je.

Ik voel, ik weet: dit is niet juist. Dat kan ik begrijpen. Mijn liefde drukt op haar, gedraagt zich als een zwart gat. Ik probeer haar op te slorpen, neer te leggen in geschrifte. Dood materiaal, mijn liefde. Zonder lucht kan niemand leven, zonder lucht ademt alles zich dood. Ik moet haar vrij maken.

Ik zeg: Schat, bevrijd je lichaam! Bevrij mijn lichaam! Ik druk het uit, laat haar lezen wat mijn vingers haar te zeggen hebben.

Er is een keuze die niemand kan maken. De keuze tussen je geliefde en het leven met je geliefde. De keuze tussen geven en weer te geven. De keuze tussen vast te stellen dat geluk alleen maar bestaat op de verkeerde momenten en vast te zitten in zo’n moment. Alleen.

Jan zei nog, zegt ze, maar ze maakt haar zin niet af. Ik stond daarstraks op een parking langs de snelweg, zegt ze. Een doodgewone parking langs de snelweg. Ik zat in mijn auto, rookte een sigaret en zat daar wat voor me uit te kijken – misschien wist ik niet meer waar naartoe – toen plots een man op mijn raam tokte. Een motorrijder in een glimmend zwart met rood pak. Een mooie man, licht grijzend en een intelligente blik. We praatten een beetje over zijn motorfiets, een Suzuki 750 en nog iets, één van de twee die hij bezat. We praatten een beetje over zijn werk, ploegendienst die vrijheid gaf tijdens de dag. Ik stelde vragen en hij antwoordde, dus een echt gesprek kon je het niet noemen. Toen stelde hij zijn vraag. Je hebt mooie, grote borsten, zei hij. Mag ik die eens aanraken? Ik zei nee, dat mag je niet. OK, zei hij, misschien tot ziens, en vertrok. Ik reed naar huis en nam een bad.

Dat heeft zij dus vandaag meegemaakt. En nu ik het opschrijf, probeer te vatten wat er is gebeurd (niets eigenlijk, als je er een dag of zo laat over heen gaan), nu weet ik het wel heel zeker. Er is iets mis met mij. Niet met haar. Met mij. Ik stel me voor dat ik op die motor rijd. Dat ik stop op een willekeurige parking, misschien een niet zo willekeurige parking, want daar worden wel meer geheime levens geleefd, en op een raam tik. Dat ik daar een vrouw tot mij neem, of een man, of wat er verder nog aan willigs in de buurt is. Dat ik dan daarna thuiskom en een maar ik hou van je in haar oor fluister. En tevreden aan tafel zit, samen eet en praat en lach. En dat we in bad zitten later, en ik wat vlekken (zweet, sperma, of ander liefdesvocht) van mijn buik verwijder terwijl ze toekijkt Het zou kunnen. Het zou nauwelijks opvallen. Ze zou nog steeds van me houden, ook al was ik een ander persoon.

Wat zei Jan? vraag ik.

Dat niets of niemand veilig is, zegt ze.

Ze leest wat ik heb geschreven. Ze leest traag. Ze kijkt meer dan ze leest. En ik zie dat mijn woorden, die aan gewicht winnen wanneer ze haar ogen bereiken, zwart zijn. Vlekken op een wit papier. Betekenis zit voor haar in de tekenen, niet in de woorden. Betekenissen zijn een beeld. Veilig betekent een licht vlak, ook daar waar je niet kan kijken. Veilig betekent dat er geen lijnen zijn tussen wat je ziet en wat je niet ziet. Dat schrijf ik op terwijl zij leest.

Zo is het niet helemaal gegaan, zegt ze. Zeker, de man was daar en stelde zijn vraag. Maar ik zei niet nee. Ik zei: ik vind mijn borsten niet mooi. En toen vroeg hij, vind je man je borsten mooi? Ik zei ja, maar hij houdt van me. Wel, zegt hij, laat me ze voelen en ik zal je zeggen of ik, die niet van je houd, ze ook mooi vind. Ik heb ervaring met borsten, zei hij. Ik hoef ze niet te zien, ik wil ze alleen maar voelen, mijn hand in je hemd, maar boven je bh. Dat is alles. En toen zei ik ja, doe dat dan. En toen deed hij dat. Exact zoals hij het beschreven had, niet meer maar ook niet minder. Het was vreemd. Zijn hand was warm en eeltig. Hij streelde mijn borsten, kneep erin, raakte ze aan zoals jij ze nog nooit hebt aangeraakt. Ik voelde hoe mijn borsten mooi werden door die aanraking. Het duurde niet lang, hooguit een minuut. Je mag gerust zijn, glimlachte hij, ze zijn mooi. OK, zei hij nog, misschien tot ziens, en vertrok. Ik reed naar huis en nam een bad.

Veilig bestaat niet. Ik denk: stel nu dat mijn geliefde en ik, op hetzelfde moment, op dezelfde parking, bijna op kijkafstand van elkaar, doen wat hier gedrukt staat, wie is er dan nog veilig? De hele wereld mengt zich dan in ons badwater, en ik was niet haar rug, maar de aanraking van haar rug, zij streelt haar lippen niet langs mijn buik naar beneden, maar ze streelt de lippen van een ander.

Ik neem een diskette, en ‘save as’.

Ik druk uit wat ik heb geschreven, stop het in een enveloppe. Ik sla het telefoonboek open, neem een willekeurige naam in een willekeurig dorp en schrijf het adres op de enveloppe.

Ons leven samen is nooit veilig, zeg ik. Ons leven samen is bekend.

Restafval

AFVAL

i

Het goede nieuws is dat het gemeentelijke containerpark uitbreidt. Meer plaats, duidelijker aanduidingen en ik zal er straks meer soorten afval kwijt kunnen.

Het slechte nieuws is dat het daarom binnenkort drie weken gesloten zal zijn.

Jean, die er meestal de bewaking op zich neemt en streepjes zet ten behoeve van de gemeentelijke statistieken, vertelde het me met een mengeling van spijt en trots. Straks zal het beter zijn, zei hij, en krijg ik een echt kantoor in plaats van een tijdelijke kantoorcontainer, met echte meubelen en een kast. Zijn radio mag blijven.

En in tussentijd was het kwestie om zoveel mogelijk met de gescheiden ophaaldiensten mee te geven en de rest thuis te bewaren. Sorteren begint thuis, zei hij, dat moet je nu toch ook doen, en zoveel kan dat niet zijn in drie weken. Bovendien breiden de openingsuren weer eens uit. De mensen hebben er steeds meer aandacht voor. Maar ze hebben minder tijd. En dus moeten wij open zijn wanneer de mensen tijd hebben. ‘s Avonds en op zaterdag dus, momenten waarop ook hij graag thuis zou zijn. Gelukkig is er extra compensatie en komt er een tweede gemeente arbeider voltijds bij. Ach, hij zag het nog wel zitten, nu kon hij zijn kleinkinderen wat vaker naar school brengen en gaan halen, en wat doet een mens anders op zaterdag en ‘s avonds?

ii

Ik ben een fan van het containerpark.

Elke week ga ik er naar toe, dikwijls twee keren, omdat niet alle soorten afval in hun dozen tegelijk in mijn wagen passen. Er is plastic in twee soorten, papier en karton, klein gevaarlijk afval, metaal en blik, melkdozen en andere tetra-bricks, en natuurlijk ook het tuinafval dat niet meer in de groencontainer past.

Voor elk type afval staat er in de garage een aangepaste, makkelijk te vervoeren doos. Enkel het tuinafval – vooral grasmaaisel in de zomer – doe ik in zakken die hun spoor achterlaten in de koffer van mijn auto. Zo dikwijls heb ik al om een kleine aanhangwagen gevraagd aan Bart, maar om een of andere reden gunt hij me dat niet. Waarom weet ik niet, en eerlijk gezegd, ik sta er niet langer bij stil. Gewoon iets dat er niet van komt, zegt hij dan, en ik denk dan maar dat het hem niet interesseert.

Was dat trouwens geen typische mannenjob, het afval buiten zetten? Emancipatie werkt in twee richtingen, maar in mijn geval komt het erop neer dat ik alle mannentaken ook maar op mij neem, en Bart laat doen waar hij zin in heeft.

In het begin vergiste ik mij vaak. Wat is plastic en wat is papier? Laat je de verpakking van fijne vleeswaren en gesneden kaas samen dan is het restafval, peuter je ze uit mekaar dan heb je fijn, zacht plastic en een vreemde papiersoort. Ik vermoed dat er zelfs in dat papier nog iets anders zit dan alleen maar papier, maar Jean wist het ook niet en sindsdien klasseer ik het bij het verpakkingspapier. Daar ligt het dan samen met het karton van koekjesdozen. Meestal heb je bij koekjes ook nog hard, voorgevormd plastic waar de koekjes in liggen en een filterdunne versheidfolie erom heen. Ik heb ooit ergens gelezen dat ook dat geen echt plastic is, maar met die vraag heb ik Jean niet lastig willen vallen.

iii

Sinds ik het sorteren ernstig neem, heb ik er al aandacht voor in de winkel. Wanneer ik kijk en kies ga ik af op het soort verpakking. De moeite die fabrikanten hebben gedaan om hun producten aantrekkelijk en versgegarandeerd te presenteren weeg ik op hun aard en soortelijk gewicht. Verpakkingen die een uitdaging vormen voor verwerking achteraf hebben mijn voorkeur, al mijd ik vanuit een zorgelijkheid die ik bij mezelf niet kan verdragen giftig uitziende kleuren.

Ik koop ook meer. Dingen die we niet nodig hebben, maar die ik wil. Steeds andere dingen, al weet ik dat er mensen zijn die mij net met een vertrouwde verpakking en aanblik bij steeds hetzelfde willen houden.

Bart houdt daar niet van.

Hij wil hetzelfde. Wat hij kent en eens goed bevonden is (de tweede keer pas, want alles was ooit nieuw) blijft dat ook. Bart is trouw.

Ik leg hem maar niet uit waar al die dingen vandaan komen en waarom ik ze koop. Hij klaagt over uit de hand lopende kosten en huishoudgeld dat verdwijnt zonder dat hij ziet waar naar toe, en hij bekijkt mij met een wantrouwige blik. Je doet zo raar tegenwoordig, bromt hij dan vanachter zijn krant (dezelfde als zijn ouders al lazen), wat is er toch mis met je (een iets hogere bromtoon)?

Er is niets mis met me en ik verdwijn naar de kast om een verpakking leeg te maken en maak hem gelukkig met een biertje dat hij niet heeft durven vragen maar wel wil.

iv

Soms vraag ik me af wat de mensen vroeger met al dat afval deden. Toen werd er toch ook ingepakt ? Ik weet wel, melk bestond toen enkel in flessen en koekjes bakte je zelf, maar toch. Mijn vader had een composthoop en een verbrandingston achteraan in de tuin. Ze stonden alletwee in hetzelfde hoekje, begrensd door een slecht groeiende ligusterheg. Zou het toeval zijn dat daar nauwelijks groene blaadjes aan stonden, of waren de gewonnen compost en de assen toch niet zo goed voor de heg en de groenten?

Het is een illusie te denken dat alles vroeger beter was. We wisten minder, dat klopt, en er was lang niet zoveel om ons zorgen over te maken. Maar beter?

Toen ik Bart pas kende, en hij nog volop moeite deed om het mij naar de zin te maken, heeft hij een keertje voor Agalev gestemd. Ik wou een groene wereld voor mijn kinderen. Later, toen die kinderen er maar niet kwamen, stemde hij terug op de CVP. De anderen weten toch niet wat dat is, een land leiden, zei hij, en de CVP meent het goed met ons.

Ik heb nooit op de CVP gestemd. Op zowat iedereen, ondertussen, als het maar geen grote partij is. Ik wil dat het verandert, dat het straks beter is dan nu. Het schijnt allemaal geen verschil te maken – er blijken nu eenmaal meer mensen te zijn zoals Bart dan zoals ik.

v

Verander de wereld, begin bij jezelf. Zo ongeveer klinkt de Bond Zonder Naam slogan die ooit aan de muren van mijn moeders keuken hing. Het klinkt stom, maar zoals in al die slogans zit er wel een waarheid in.

Daarom ben ik begonnen met het weghalen van de dingen die me storen in huis. Ik heb nog twee weken voor het containerpark sluit. Tegen dan moet alles weg wat ik niet meer wil.

De eerste dag waren het kleine dingen. Een kop met een gebroken oor. Een tafelkleed dat ik niet meer gebruik. Oude, verroeste schroevendraaiers van Bart. Een collectie glazen flessen. Mooie, sierlijke flessen die we ooit samen hadden gekocht en leeggedronken. Hun sierwaarde kwam toch niet tot uiting in de kast waar ze stonden.

Bart merkte niets. Hij kijkt nooit in de kasten, vindt niets terug. Dat ik zo goed gezind was, zei hij, en hij fronste zijn wenkbrauwen.

Dat beschouwde ik als een aanmoediging. Als het mij zo zichtbaar goed deed om op te ruimen, dan moest ik er toch mee doorgaan? Ik pakte het nu systematisch aan. Kamer voor kamer, kast voor kast. Zo vond ik het dienblad terug dat een tante ons voor ons huwelijk had gegeven. De uitnodiging voor ons feest was erin verwerkt.

Op dat feest was Bart al snel dronken. De huwelijksnacht bracht ik door met een stinkend en snurkend varken. Alhoewel we mekaar al wel beter kenden, had ik toch van Bart verwacht dat hij een beetje moeite zou doen.

Het dienblad moest weg.

Toen ik aan Jean vroeg waar ik het moest laten, bekeek hij het blad goed en wist eerst niet wat te zeggen. Dat is restafval, zei hij tenslotte. Ik kan niet thuisbrengen uit welk materiaal dit gemaakt is. Ben je zeker dat je het kwijt wil?

Ja, zei ik, en gooide het ding met een boog in de container.

BIECHT

i

Wanneer alles wat weg kan, weg is en de ruimte gevuld wordt door een nietsontziende en allesomvattende leegte, en er niets meer is behalve de woorden, dan vullen de woorden mijn lichaam van mijn voeten tot mijn hoofd, van mijn buik tot mijn rug en struikelen ze over mijn tong. Het is het moment waarop ik zwijg, versmacht door een teveel aan leegte en zinnen die niets meer betekenen. Orde en structuur, denk ik, orde en structuur heb ik nodig, en indelingen en categorieën en ik besluit een woordenboek samen te stellen, nee, een encyclopedie van gedachten en soorten leegte en hoe woorden die vullen, woorden zonder betekenis en woorden afgeleid uit betekenissen die zonder hun context niets meer zijn. Ex-woorden, ex-zinnen en pre- en postbetekenissen zullen mijn ex-encyclopedie vullen, allemaal voorafgegaan door voorvoegsels als ‘pre’ en ‘post’ en ‘ex’ die een woord zouden kunnen ondersteunen indien het daar enig nut uit zou kunnen halen. In vroeger tijden, toen de lijnen duidelijk waren en kaarsrecht (of ook krom, maar in elk geval leidend van punt naar knooppunt naar punt), toen het nog zin had dat ik sprak lieten de woorden zich zulke aanhankelijke voorzetsels welgevallen, maar nu? Wat betekent een ex-woord meer dan een woord, een ex-zin meer dan een zin? Niets betekent het, want wat vroeger niet sterk genoeg was zal dat nu ook niet zijn. Het is een zinloze strijd om woorden. Het is een zinloze zoektocht naar orde. Naar structuur. Les één : haal diep adem en adem rustig uit (tweemaal zo lang) en geef woorden de tijd om te klinken en na te klinken. Controleer je hartslag en breng hem tot rust door pure wilskracht. Gebruik korte zinnen en makkelijke, eenvoudige woorden. Geen adjectieven. Breng stilte. Luister naar je woorden. Adem diep in en uit. Luister naar je woorden. Luister.

ii

Het eerste woord is een bevel.

Ga en vermenigvuldig u.

Mijn eerste woord is ouder, en is een bevel.

Luister.

Alles is leeg. Wat weg kan is weg, en ik kijk rond mij. Ik sta in mijn lege huis – de enige twee voorwerpen die overblijven zijn de krant die ik bij me heb en ik. Alles heeft ze weggegooid. Ze had de dingen niet meer nodig. Ze hinderden haar. Stonden in de weg en stoorden haar. Toen verdween ze zelf.

Luister.

Ik heb fouten gemaakt. Veel fouten. Niet erg spectaculaire fouten, de fouten van alledag die iedereen maakt. Mijn eerste fout ? Ik luisterde niet en fronste mijn wenkbrauwen op het verkeerde moment. Ik vroeg niets en kreeg toch wat ik wou, en ik bedankte niet. Alles was er. Alles had zijn plaats. Alles was goed en vertrouwd en ik nam aan dat het zo goed was. Dat meer niet nodig was. Dat minder te weinig zou zijn. Alles was goed en dat was vanzelfsprekend.

iii

Ik wandel rond, en gehoorzaam aan het eerste bevel. Ik neem een kijkje in de badkamer waar geen water meer stroomt. Ik kijk in de slaapkamer waar geen bed meer staat. En geen kasten. Geen spiegel. Ik kijk in mijn werkkamer waar niets nog herinnert aan het werk dat ik hier deed. Ik ga van kamer tot kamer en kom terug in de woonkamer, waar niemand meer woont. Ik leg mijn krant op de grond. Het is de krant van gisteren, maar dat maakt niet uit.

Traagheid is mijn tweede fout.

Ik ben gelukkig wanneer alle redenen daartoe al lang verdwenen zijn. Ik ben ongelukkig enkel door herinneringen aan wat mis ging. Ik spreek pas wanneer er niemand meer is die luistert en dan zwijg ik plots, middenin een zin. Het hoeft niet meer.

Niets maakt me zo gelukkig als dit lege huis. Niets maakt me zo gelukkig dan het besef dat dit lege huis is wat ze altijd heeft gewild. Niets maakt me zo gelukkig als zij, nu ze verdwenen is.

Ik ken mezelf. Het verdriet komt pas wanneer ik dit huis verlaat en de sleutel weggooi.

Of later.

Of nooit.

iv

De grond dwingt me te gaan zitten.

Zwaarte is mijn derde fout.

Ik blader in mijn krant, kijk naar de vette koppen en de foto’s. Van de eerste pagina tot de laatste, en weer terug. Voor een krant is alles belangrijk. Voor mij is een krant belangrijk. Ik weet zeker dat zwaarte mijn derde fout is, en verbaas me erover dat de krant daar niets over zegt. Ik blader opnieuw, en lees nu de ondertitels bij de foto’s. Sta stil bij een wielrenner in actie. Hij klimt. De berg is lastig en steil, maar de wielrenner klimt, de tong uit de mond en de blik in zichzelf. Volgens het onderschrift heeft hij doping gebruikt om deze berg als eerste over te komen. Het is een schande voor de sport en voor de mensheid. Het effect op lange termijn is desastreus. Niet alleen vernietigt de wielrenner zijn lichaam en zo zichzelf, hij vernietigt ook de sport. Voor een krant is alles belangrijk en de zo zichtbare pijn van de wielrenner is belangrijk voor mij.

Zwaarte is een fout die veel voorkomt.

Mijn fouten zijn de fouten die iedereen maakt.

Ik lig nu op de grond en kijk naar het plafond. Dichter bij haar kan ik niet meer komen. Ik geniet van haar aanwezigheid in de barstjes van het plafond. Ik luister naar haar ademhaling, hoe die versnelt wanneer ik bij haar ben. Ik ruik de geur uit haar mond dicht bij de mijne. Ik geniet ervan hoe die verandert wanneer ze steeds sneller ademt.

Les één : haal diep adem en adem rustig uit (tweemaal zo lang) en geef je lichaam de tijd om te zijn.

Zwaarte is mijn derde, en misschien wel mijn belangrijkste fout.

v

Ik sta weer op en kijk door het raam naar de tuin. Het is zomer en alles bloeit. In mijn opdracht en in haar afwezigheid houdt een tuinman de planten mooi. Het is een mooie tuin, en nu de zon schijnt weet ik dat hij haar mist.

Alles wat hier leeft, heeft zij aangeplant. De wortels aangeraakt, met haar bezorgdheid verwend. Niets staat hier zo maar. Alles hier heeft een reden die zij en de planten alleen kennen.

De tuin wacht op haar, zoals zij op de tuin wachtte tijdens de winter.

Zij wist hoe de tuin aan te pakken. Zij wist wat ze wou, en hoe dat te bereiken. Zij kende de principes van orde en structuur, en hoe de wereld samen te houden.

Ik weet niets van die dingen.

Onwetendheid is mijn laatste fout.