Gebrek nr 8: de kunst van het ontwijken van hovaardigheid

Het was een treurig zicht.

Ik zat in het centrum van de stad voor het raam van een aftands fast food restaurant te kauwen op een frietje dat heimwee had naar zijn natuurlijke staat – diepgevroren. Uit een grote coca cola beker zoog ik een slok kraantjeswater met belletjes naar binnen, om een en ander door te spoelen.

De mensen buiten – ik keek naar hen, zij niet naar mij – zagen er gelukkig uit, op deze eerste koopjesdag. Het miezerde wat, maar dat leek hen niet te deren. Er waren moeders en dochters, adolescenten met een verzorgd baardje, gezinnen met een ouderwetse papieren kaart van Brussel in de hand, en niemand had echt haast.

Kwaliteit. Zonder meer, maar ook zonder toegevingen. Dat was mijn nieuwjaarsresolutie voor dit jaar. Kwaliteit, zoals in leven in de diepte, ten volle, traag, genieten, intens, voelen, alle poriën open. Niets had het te maken met duur leven, met welgesteldheid – nee, dat woord klinkt vandaag nog meer dan in mijn arme studententijd als verwerpelijk bourgeois.

De kwaliteit in het fast food restaurant was onmiskenbaar top. Elke friet, elke hamburger, elke beker water was tot in het kleinste detail een voorspelbaar eindproduct van een gestroomlijnd proces, de ingrediënten volstrekt gestandariseerd, enkel de mensen op het einde van de ketting, met moeite bijeengehouden door hun teamleiders, maakten een verschil. Hun glimlach. De sluwheid waarmee ze in sneltempo jouw bestelling bij elkaar harkten.

Het was mijn opdracht van de dag. In elk doodgewoon detail de kwaliteit ervaren. De papieren zak met een nieuwe broek en een vers hemd stond naast me. Daar werd ik al niet bepaald vrolijk van, ook niet mistevreden, begrijpt u het niet verkeerd, de kleren staan me. Maar deze middag, kauwend op mijn friet, gezeten op een kruk waarvan de voetsteun ontbrak, was ik zonder enig verweer een niet te onderscheiden onderdeel van de massa.

Ik dacht aan de kaaswinkel waar ik straks nog naartoe zou gaan, daar hebben ze Moliterno al Tartufo op voorraad, van de Sardijnse kaasmaker Central. Een pecorino (schapenkaas dus), die na twee maanden rijping verse zwarte truffel geïnjecteerd krijgt, en dan nog een aantal maanden mag rusten. Echt een heerlijke kaas – u kan hem zelfs op Amazon bestellen, als u in Amerika zou wonen, wat u niet doet uiteraard, ik vermeld het enkel als teken dat ze er ook in Sardinië in slagen om consistente kwaliteit te produceren, met rieten mandjes en handwerk en al.

Proeven van die kaas zou me redden, ik was er zeker van, de smaak zou me verheffen boven de massa, die willoze kudde schapen die dagelijks misleid werd tot een leven vol voorspelbaarheid en gehoorzaamheid, gemanipuleerd door een stroom van valse informatie en de hogere machten van het kapitalisme – kortom, slachtoffers van het systeem.

Het moet een treurig zicht zijn geweest, een hovaardige man voor het raam van een aftands fast food restaurant, alweer mislukt in zijn poging om in de diepte gaan, om schoonheid te vinden in het alledaagse, terwijl die toch voorhanden was, in de smileys en hartjes die de conversatie sierden op de telefoon van de jongen naast hem, in de gedachten van het meisje dat hem bediend had en achter haar toog in stilte danspassen oefende. Zie je het? Niets om hovaardig over te zijn.

Behalve dan, toch telkens weer, Moliterno di Tartuffo.

Gebrek nr 7: de kunst van het kiezen van de juiste vijand

Ik had me vergist.

In de loop der jaren is het uitgegroeid tot een signatuurgerecht ten huize Bijgekleurd, een dat we zonder blikken of blozen aan de meest verfijnde van onze gasten durven voor te zetten. Kalfspiccata met ratte-aardappelen en rucola, versie Jeroen Meus, maar dan met pasta in plaats van die patatjes en sla.

Er komt veel vocht aan te pas. Gesmolten boter, het azijn van kappertjes (ik zeg altijd karpertjes, maar schrijven doe ik het juist, zelfs op boodschappenlijstjes), een uitgeperste citroen, en een flinke scheut witte wijn.

Eerlijk? Niets deugt aan dit gerecht. Het kalfsvlees is een bijproduct van de melkveehouderij – melkkoeien hebben nu eenmaal elk jaar een vers kalfje nodig. Na een paar dagen wordt dat van de moeder weggenomen, om met andere overtolligen opgesloten te worden in donkere stallen – ze zien het daglicht nooit. Eenzijdige voeding bezorgt ze bloedarmoede én de juiste vleeskleur voor onze piccata. Acht maanden duurt dat ellendige leven.

Maar on passe.

Voor kappertjes en citroenen is het in onze contreien nog niet warm genoeg, die worden dus van ver aangevoerd, witte wijn hebben we wel, maar nog te duur om in een pan vol zuur en vet te laten verdampen.

Ik had er zin in, er waren geen gasten, gewoon wij tweeën, en de fles had ik bij thuiskomst, zonder kijken en het hoofd nog vol besognes, snel meegegraaid uit de kelder. Een glas drinken uit de fles die in het eten gaat, doe ik niet meer, ik ben tegenwoordig gedisciplineerd. Ze stond daar, donker glas met een witte capsule, wist ik veel dat ze twijfelde aan haar gender.

Eigenlijk werd ik misleid.

Excuses.

Het was de schuld van de côte du Rhone wijnbouwers. De schuld van de wegenwerken die mijn reistijd verdubbelden om geluidsoverlast voor verkavelingsbewoners te halveren. De schuld van mijn opdrachtgever die meetings liet uitlopen, enkel om vast te stellen dat niets nog vooruitgaat. De schuld van mijn partner, en haar blind vertrouwen (hoe naïef kan je zijn?) in mijn onfeilbaarheid. De schuld van de politiek, die niets doet aan de klimaatopwarming, en toelaat dat ik Italiaanse gerechten klaarmaak op een Belgisch winterse dag, die toelaat dat Vlamingen in verkavelingen gaan wonen, makkelijk en praktisch, dicht bij de oprit van de snelweg. De schuld van het grote publiek, dat eigenlijk ook wel weet dat het zo niet goedkomt met onze maatschappij, maar liever denkt dat hoe meer migranten uit het zuiden, hoe warmer het hier wordt, dus daar moeten ze wat aan doen. Steek een kaarsje aan voor de warmste week (op die naam zit straks ook een houdbaarheidsdatum). Te lam en te tam om eindelijk eens iets echt te veranderen. Revolutie! Een groene! Een zwarte! Weg met de wetenschap! Weg met de vrouwen! Weg met de fascisten in een schaapsvel! Weg met de elite! Weg met alles! Weg met mij!

Ja.

Weg met mij. Dat zou nog eens een oplossing zijn. Ik check even snel mijn bankrekeningen, maar helaas, er is niets veranderd. Zo makkelijk stap ik er niet uit, uit dit systeem.

En zo kon het dus gebeuren. Het kalfsvlees warm in een lauwe oven, boter, sissende kappertjes, citroensap dat van mijn vingers druipt, en dan. Dus.

De fles had een witte capsule, echt, en was donker, ter mijner verontschuldiging. Misschien vergiste ik me, maar eigenlijk werd ik misleid, edelachtbare. Kalfspiccata in rode wijn, het was een interessant experiment.

 

Gebrek nr 6: de kunst om niet op tijd naar bed te gaan

Het gebeurt niet elke avond.

Of misschien wel, maar de meeste avonden ontsnapt het precieze moment je, want het is er telkens maar één, welbepaald, dat weet je dan weer wel, daar ben je heel zeker van.

Misschien heb je er een trigger voor nodig. Een liedje bijvoorbeeld, dat al jaren ongemerkt in je favourites sluimert, en nu in al zijn naaktheid weer ontroert, als was het de eerste keer dat je het hoorde, maar ook weer niet, want dan had het de diepgang van dat echt ingeslepene nog niet, het is een vreemde mengeling van nieuw en toegeëigend.

Het is niet dat de tijd stilstaat op dat ene moment – ze lijkt eerder uitgewist, weggepoetst, met in je ooghoek nog de nazinderende ting glinstering van Mr. Proper, je hebt zijn knipoog net gemist.

In elk geval is het al laat, je bent alleen in de huiskamer maar niet in huis, er moet iemand zijn die zich veilig waant door jouw aanwezigheid, dat net jij het bent, daar in die huiskamer, alleen, in alle rust terwijl je god weet wat doet, en het is onmogelijk om op net dit moment te gaan slapen, ook al weet je dat je dat beter wel zou doen, want tegelijk met dit ene moment, hangend in het niets, glijdt de tijd als ijs onder water – we spreken over minuten, een kwartier maximum, ik weet dat het woord tijd langer suggereert, maar dat is omdat die wegglijdende tijd rechtstreeks leidt naar een slapeloze nacht, al valt dat uiteindelijk altijd wel mee, wordt het enkel een zware en vermoeiende droom waardoor je ’s morgens naar slapeloosheid verlangt, terwijl die veilige anderen, verkwikt en monter, opstaan van de ontbijttafel om ook voor jou koffie te maken en je toe te lachen.

Maar zover is het nog lang niet, nu kijk je op wanneer dat liedje gedaan is, en alle voorwerpen grijnzen dankbaar naar je, ze hebben hun alledaagsheid even afgeschud, het is het licht dat het hem doet, misschien ben jij het wel die licht geeft, en je sluit je ogen even om zoveel onzin maar het licht blijft.

Een nieuw liedje vangt aan, naast je ligt een boek, en er was een zin die meer betekende dan ooit, elk voorwerp heeft zijn onbetwistbare reden om in jouw blikveld te staan, een particuliere geschiedenis die haar woord aan je opdringt, al die voorwerpen tegelijk en nu pas zie je hoeveel dat er wel niet zijn. Een enorme dadendrang verlamt je – er is niets wat je niet kan, dit moment wordt niet geremd door doordeweeksheid of vermoeidheid, je moet dit opschrijven, nu, een gitaar nemen en meespelen, de dingen verplaatsen zodat eindelijk alles in een plooi valt, en je op kan stijgen, recht het bed in, dansend en met je vingers ongemerkt trommelend op de slapende rug die daar ligt.

Je houdt je adem even in, er is alweer een nieuw liedje, nu al, en dan is er enkel nog de koude, en een volle blaas, de droogkast die piept vanuit de kelder, en je komt toch maar recht, knipt de lichten uit.

 

Gebrek nr 5: de kunst van de idolatrie

Terwijl ik dit schrijf, maakt een man in een pak en een streepjesdas de winnaars van de Nobelprijs Literatuur bekend.

Dat was een heel gedoe op facebook deze ochtend, een beetje vrolijk en ironisch want we maken als taalgebied toch geen kans, en we houden een zekere afstand – en dat kan ik weten want ik zit te zwoegen en te ploeteren op een stukje tekst waarvan ik niet zie hoe het ooit gaat passen in die tweede roman, en het is waardeloos bovendien, het gaat nergens over en het is lelijk, lelijk!

Wanneer ik zo zwoeg, kan ik aan de verleiding van internet in het algemeen en facebook in het bijzonder niet weerstaan. Uiteraard zoek ik ook mezelf op – sinds Morgenster in de boekwinkels ligt / heeft gelegen ben ik ook een beetje een publieke naam. Zondag trad ik nog op, in Bergen-op-Zoom, voor een gezelschap aspirant schrijvers. Het deed mijn ego deugd, ik vertelde er dat discipline allernoodzakelijkst is als je een roman wil schrijven. Ha. Zie me hier nu zitten, ten lange leste gevlucht naar Bijgekleurd, mijn veilige haven.

De kansen dat ik ooit word geroemd for an influential work that with linguistic ingenuity has explored the periphery and the specificity of human experience zijn onbestaande. De lof die mij wordt toegezwaaid, ook ergens op facebook, is dat iemand na het lezen van het boek naar het huis Morgenster is gaan kijken, op een druilerige zaterdag in oktober, en daar iemand anders aantrof, een onbekende. Een goed boek, vonden ze allebei, en dronken nog een koffie samen.

Ik weet niet of deze ontmoeting tussen twee mensen die ik niet ken, influential is, of ik daarvoor bewonderd zou moeten worden, op een schild worden gehesen. Het is een kwestie van schaal, allicht. Bij dichte drommen, en de politie die de straat moet afzetten, ja dan. Als het vaker gebeurt, toch. Of als er een mooie vriendschap uit groeit, misschien zelfs een liefde, dan ja.

Ondertussen, alweer op facebook, worden de winnaars van vandaag bewonderd en verguisd. Het gaat nauwelijks over literatuur, maar over links vs rechts, en dat politiek nu eenmaal deel uitmaakt van de specificity of human experience, een samenleving moet worden georganiseerd, en ik weet het, ik wéét het – dat mag je echt niet enkel aan politici overlaten. Daar zijn stemmen in de breedte en de diepte voor nodig – ook Morgenster is een politiek boek.

Maar mij lukt het niet, dat eindeloos bewieroken respectievelijk afkraken van helden, dat doorgedram en geanalyseer over goed of fout, beter of écht slaapverwekkend. Wat doet dat met die mensen? Eén aspect van je leven, je karakter dat tot boven je hoofd uitgroeit, alles wat verder in de periphery van jouw human experience is negerend.

Wees maar eens Trump, of Greta Thunberg. Of Romelu Lukaku. Of Bart De Wever, Zwangere Guy, het maakt niet uit. In alle gevallen: een held voor velen.

Hoe kun je dat iemand aandoen, hoe doe je dat jezelf aan?

Weet je wat, misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven. Over heldinnen en helden, larger than life. En dan twee mensen die mekaar ontmoeten, achteloos.

Zo. Ik kan weer verder.

(Ik weet het, eigenlijk had Bob Dylan hier moeten figureren, maar zeg nu zelf – dit is toch een geweldig aanstekelijke jonge Bruce. Kijk, die bewonderde ik dus echt, in mijn apenjaren.)

Gebrek nr. 4: De kunst van de middelmatigheid

Alles van waarde is weerloos, en niets is voor altijd.

Zo overleed tijdens de vakantie David Berman. U hoeft hem niet te kennen, dat deed ik ook nauwelijks. Van mijn leeftijd, maar hij zat wel in dezelfde klas als Stephen Malkmus (Pavement, dat kent u dan misschien weer wel), en zelf dichter, cartoonist, zanger en songwriter van Silver Jews.

Zo’n band die enkel door wat muziekjournalisten en een paar toevallige fans wordt gesmaakt, wegens. Ja, waarom eigenlijk? Er zitten goeie hooks in de songs, de teksten zijn geweldig (en vaak hilarisch – luister maar eens naar How can I love you (if you won’t lie down), de muzikanten prima.

En toch.

Niemand is echt geïnteresseerd. Er is geen markt voor. Zeker, het is makkelijk de muziek weg te zetten als doorsnee Americana, de teksten als obscuur en te ver gezocht, de Silver Jews een vriendendienst van Stephen Malkmus. Berman maakte het je ook niet gemakkelijk. Drugsgebruik, onwillig, ongeinteresseerd en onbetrouwbaar wanneer het op promotie aankwam. I always said we would stop before we got bad, schreef hij toen hij in 2009 stopte met de Silver Jews. If I continue to record I might accidentally write the answer song to ‘Shiny Happy People.’

Kortom, naar de normen van de tijdsgeest vandaag de middelmaat zelve.

Geen eendimensionaal genie dat door de megafoons van de sociale media uitgeroepen kan worden tot dé stem van een generatie, geen verwevenheid met de grote problemen van de tijd, laat staan dat hij oplossingen zou aanbrengen. Geen marketable verhaal.

Niets van dat alles. Enkel een man die worstelde met zijn afkomst (zijn vader was een succesvol lobbyist van alles wat fout was in de vorige eeuw – tabak, rijden en drinken, slavenlonen, … ), zijn demonen (drugs en depressies) en zijn artistieke drive. Een twijfelaar. Een man van dertien talenten, die steeds bleef proberen. Omdat dat nu eenmaal moet, creëren.

Een meesterwerk zat er nooit echt in, maar dat maakte niet uit. Hij moet wel de overtuiging hebben gehad dat wat hij maakte de moeite waard was om gehoord te worden. Niet vanzelfsprekend. Velen zijn immers geroepen, en weinigen uitverkoren. Als commerciëel succes niet de maatstaf mag zijn, wat dan wel?

Wanneer ik weer eens een zin doorstreep in het manuscript van mijn tweede boek, zucht en recht sta, klaar om iets *nuttigs* te doen met de rest van de dag, de rest van mijn leven, is dat de vraag die ik niet onder ogen wil zien. Hoe uitverkoren denk ik wel dat ik ben?

Pretentie, niets dan pretentie …

Eerder dit jaar maakte Berman na lange tijd weer zijn opwachting, onder een nieuwe naam, Purple Mountains. De plaat klinkt net als de laatste van Silver Jews. Er bleek geen ontsnappen aan. En misschien kon hij het enkel weer met de ultieme deadline in het achterhoofd.

Deze zomer pleegde hij zelfmoord.

One more hero down.

Friends are warmer than gold when you’re old
And keeping them is harder than you might suppose
Lately, I tend to make strangers wherever I go
Some of them were once people I was happy to know

uit All my happiness is gone, de eerste single van Purple Mountains

Ps de wikipedia post over Richard Berman, de vader, is langer dan die over David Berman, de zoon. Zo gaat dat, in deze wereld.

 

 

 

Gebrek nr 3: De kunst van de handoplegging

De geur van vers gesneden pompoen snijdt door het aroma van mijn koffie. Het is nog vroeg, en ik zit in een etablissement dat zich een neocanteen noemt. Het ligt in een chique buurt, ouderwets beschaafd en jong van geest. Dat de laatste gebeden van Leonard Cohen op endless repeat staan, merk ik pas wanneer een vrouw van middelbare leeftijd binnenkomt.

Ze kijkt me even onderzoekend aan, maar ik zit hier niet voor een blind date. Ik werk. Ik beantwoord ijverig mails, vul mijn agenda met nieuwe afspraken, en bedenk nieuwe plannen om mijn nieuwe business als executive en life coach te boosten. Ook zij bestelt een koffie met groentenaroma – achterin worden nu wortelen in diverse kleuren versneden – en beschermd door haar winterjas gaat ze zo onopvallend mogelijk naar de deur zitten staren. Het is negen na iets. Ze geeft hem zes minuten, denk ik, en dan zal ze deze ochtend opbergen in het vakje teleurstellingen.

Mooie jonge mensen bestellen ondertussen een bord huisgemaakte granola, of vegen zachtjes de snor van warme chocolade van de lippen van hun geliefde. Ach. Het lukt me niet meer me te concentreren, en uit gewoonte kijk ik even naar de bezoekerscijfers van Bijgekleurd. Ze dalen. Ik probeer een dichtregel, en schrap hem weer. Niets lijkt nog te lukken. Misschien moet het volgende gebrek wel over de kunst van succesvol bloggen gaan, maar ik jaag die gedachte weg door even mijn ankerplaats voor positieve gevoelens aan te raken, net boven mijn linkerheup.

Dat moet ik misschien even voor u voordoen.

Roep een moment van gelukzaligheid bij u op. U kan dat best, sluit even de ogen, ga met uw aandacht naar binnen en roep dat moment op toen iemand de chocolade van uw lippen veegde, dat ene moment waarop uw leven perfect was en helemaal vervuld. Dwaal desnoods een beetje rond in uzelf, er is meer ruimte dan u denkt. Voelt u het? Doe dan een eenvoudige beweging op uw lichaam. Raak uw rechterpols aan, of uw hart, of draai eens met een ring, eender wat. Verbind het gevoel met de beweging. Oefen een paar keer. Klaar. Vanaf nu kan u de gelukzaligheid oproepen door de beweging te maken, ook en vooral wanneer het echte leven u weer eens tegenzit.

Het is nu zeventien na iets. De vrouw staat op, en vertrekt. Ze ziet er niet uit alsof ze alleen maar tegenslagen heeft gehad in haar leven, maar een meevaller lijkt ze nu wel te kunnen gebruiken. Dat zou ik kunnen zijn, denk ik. Daar zijn life coaches voor. Een vriendelijk knikje, oogcontact, een eenvoudige vraag, en dan oprechte bereidheid naar haar antwoord te luisteren.

Opnieuw tast ik naar mijn anker, want echt helpen deed het eerst niet, maar ik mis, en raak mijn blaas. Ik sta op, en terwijl ik plas, stel ik me voor hoe de vrouw daarbuiten op een gehaaste man botst. ‘Ben jij?’, ‘de metro stond stil’, ‘ik dacht dat je’, en ze dan terug binnengaan, en hun verlegen gelach de ruimte vult. Ik houd mijn handen lang onder de kraan, probeer de druppels in de straal elk apart te voelen.

Natuurlijk verloopt het zo niet. Wanneer ik terug binnenkom, maakt ook het chocoladekoppel aanstalten om te vertrekken. Ik zal alleen achterblijven, met een nieuwe koffie, wachtend op een volgend idee, een volgende kans. Terwijl hij afrekent, houdt het meisje haar hand op zijn billen. Het is een intiem gebaar, bezitterig noch seksueel. Ik kijk hoe ze met haar vingertoppen zachtjes putjes drukt in zijn jeans.

Handoplegging, denk ik. De simpelste manier om te zeggen dat alles goed komt, dat je intenties zuiver zijn, en dat je niet oordeelt. Ik herlees mijn tekst, en laat de vrouw van daarnet buiten struikelen over een loszittende tegel. Een man schiet haar ter hulp, legt zijn hand op haar arm. ‘Is alles ok?’

Ja, zo zou het wel kunnen gaan, de heling van de wereld. Met een simpele aanraking. In afwachting blaas ik mijn nieuwe koffie zachtjes koud. Pastinaak, nu.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Gebrek nr 2: De kunst van het ziek zijn

De voortekenen waren niet bijster goed.

De eerste dag van november struikelde ik bij het hardlopen. Over een opkrullend ijzer dat een keldergat in de Antwerpse Brederodestraat afdekt. Gekneusde rib, kapotte knie. Eigen fout natuurlijk, er was geen reden om zo dicht tegen de huizen te lopen. Het was een mooie herfstochtend en de plaatselijke burgeroorlog tussen Turken en Koerden was een avondevenement. Er was eigenlijk ook geen reden om door die straat te lopen, ik wou enkel weten of de bloemenwinkel open was. Ik had nog een graf te bezoeken, die dag.

Maar wij negeren de voortekenen, lachen de samenhang tussen de werelden weg, en wie zich richt op de energie van het universum vinden wij maar een rare kwiet. Bijgelovig. En toch. Ex diris hoorde wel niet tot het officiële takenpakket van de Romeinse augures, niezen en struikelen werden wel als belangwekkende signalen gezien.

Soit, de bloemenwinkel hield herfstvakantie. Mankend vervloekte ik de teloorgang van tradities, en lachte vervolgens mezelf uit. Zie me daar. Een oude mopperaar. Een zielepoot in een loopshirt van zijn ex-werkgever.

Ik sloeg me door die herdenkingsdag en de rest van de herfstvakantie, om dan, één voor één, al mijn naasten te zien uitvallen. Kent u dat? Het besef dat je karma tegenzit, dat elk ongemak een voorbode is voor de volgende ramp, dat er geen einde aan lijkt te komen? Op zo’n moment word je tot grote verantwoordelijkheden geroepen, je neemt alle taken over terwijl je de koorstige gram van iedereen trotseert.

’s Avonds, in de zetel, veroorloof je je dan een zucht. Het is labeur, en op het moment zelf krijg je er niets voor terug, maar het besef dat je nodig en nuttig bent maakt zo veel goed. Alleen, deze keer zuchtte ik niet. In plaats daarvan begon ik te klappertanden. En vervolgens te rillen. Dat werd even later beven. Oncontroleerbaar. Het is niet makkelijk om al bevend een Dafalgan forte uit een blister te drukken. Een glas water in te schenken. Terug naar de zetel te strompelen zonder over speelgoed te struikelen.

Twee uur later was de koortsaanval voorbij, en ging ik hoofdschuddend naar bed. Een goede nacht, en alles zou vergeten zijn. Daarvan was ik ook nog de volgende ochtend overtuigd. Mind over matter, door een mysterieuze koortsaanval zou ik me niet uit het lood laten slaan, en ik vertrok. Naar een cursus waarin me zou uitgelegd worden hoe ik magie zou kunnen bedrijven met belemmerende overtuigingen. Dat je gezond moet zijn om te presteren, bijvoorbeeld.

Halverwege de namiddag was ik weer thuis.

Tegen de avond bleef er van mijn branie niks meer over. Ik maakte een afspraak met de dokter en werd daarvan al bijzonder moe. Ok, één dag niets doen kon ik nog wel inpassen in mijn agenda. Boeken genoeg om te lezen, en er was wat administratie te doen.

Verder dan het beantwoorden van berichtjes als ‘Laat je verwennen! Netflix! Thee en gember!’ kwam ik niet die eerste dag. Ook niet de tweede. Op de derde werd iedereen stil, en daarna, twee bloedonderzoeken en een scan van de longen verder, liep ik verloren in de stad die ik blindelings ken. Had ik er de energie voor gehad, ik zou vloeken.

Ik kan dat niet, ziek zijn. Vertrouwen hebben dat het weer goed komt. Genieten van de time out. Mijn leed dragen met waardigheid. In plaats daarvan tel ik de verloren uren en dagen, die nooit meer in te halen zijn, panikeer ik over de oorzaak van al dat ongemak (die ene zeldzame ziekte, uitzonderlijk moet het wel zijn), en ben ik in ’t algemeen onuitstaanbaar voor mijn omgeving. Ziek zijn is een competentie die ik niet beheers.

Ergens in die dagen kon ik niet anders dan besluiten dat november mislukt was. Tot op de laatste dag. Toen sneeuwde het, stond de wereld een beetje stil, en werd weer mooi. Ach, dat universum en zijn samenhang.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com