Gebrek nr 6: de kunst om niet op tijd naar bed te gaan

Het gebeurt niet elke avond.

Of misschien wel, maar de meeste avonden ontsnapt het precieze moment je, want het is er telkens maar één, welbepaald, dat weet je dan weer wel, daar ben je heel zeker van.

Misschien heb je er een trigger voor nodig. Een liedje bijvoorbeeld, dat al jaren ongemerkt in je favourites sluimert, en nu in al zijn naaktheid weer ontroert, als was het de eerste keer dat je het hoorde, maar ook weer niet, want dan had het de diepgang van dat echt ingeslepene nog niet, het is een vreemde mengeling van nieuw en toegeëigend.

Het is niet dat de tijd stilstaat op dat ene moment – ze lijkt eerder uitgewist, weggepoetst, met in je ooghoek nog de nazinderende ting glinstering van Mr. Proper, je hebt zijn knipoog net gemist.

In elk geval is het al laat, je bent alleen in de huiskamer maar niet in huis, er moet iemand zijn die zich veilig waant door jouw aanwezigheid, dat net jij het bent, daar in die huiskamer, alleen, in alle rust terwijl je god weet wat doet, en het is onmogelijk om op net dit moment te gaan slapen, ook al weet je dat je dat beter wel zou doen, want tegelijk met dit ene moment, hangend in het niets, glijdt de tijd als ijs onder water – we spreken over minuten, een kwartier maximum, ik weet dat het woord tijd langer suggereert, maar dat is omdat die wegglijdende tijd rechtstreeks leidt naar een slapeloze nacht, al valt dat uiteindelijk altijd wel mee, wordt het enkel een zware en vermoeiende droom waardoor je ’s morgens naar slapeloosheid verlangt, terwijl die veilige anderen, verkwikt en monter, opstaan van de ontbijttafel om ook voor jou koffie te maken en je toe te lachen.

Maar zover is het nog lang niet, nu kijk je op wanneer dat liedje gedaan is, en alle voorwerpen grijnzen dankbaar naar je, ze hebben hun alledaagsheid even afgeschud, het is het licht dat het hem doet, misschien ben jij het wel die licht geeft, en je sluit je ogen even om zoveel onzin maar het licht blijft.

Een nieuw liedje vangt aan, naast je ligt een boek, en er was een zin die meer betekende dan ooit, elk voorwerp heeft zijn onbetwistbare reden om in jouw blikveld te staan, een particuliere geschiedenis die haar woord aan je opdringt, al die voorwerpen tegelijk en nu pas zie je hoeveel dat er wel niet zijn. Een enorme dadendrang verlamt je – er is niets wat je niet kan, dit moment wordt niet geremd door doordeweeksheid of vermoeidheid, je moet dit opschrijven, nu, een gitaar nemen en meespelen, de dingen verplaatsen zodat eindelijk alles in een plooi valt, en je op kan stijgen, recht het bed in, dansend en met je vingers ongemerkt trommelend op de slapende rug die daar ligt.

Je houdt je adem even in, er is alweer een nieuw liedje, nu al, en dan is er enkel nog de koude, en een volle blaas, de droogkast die piept vanuit de kelder, en je komt toch maar recht, knipt de lichten uit.

 

Gebrek nr 5: de kunst van de idolatrie

Terwijl ik dit schrijf, maakt een man in een pak en een streepjesdas de winnaars van de Nobelprijs Literatuur bekend.

Dat was een heel gedoe op facebook deze ochtend, een beetje vrolijk en ironisch want we maken als taalgebied toch geen kans, en we houden een zekere afstand – en dat kan ik weten want ik zit te zwoegen en te ploeteren op een stukje tekst waarvan ik niet zie hoe het ooit gaat passen in die tweede roman, en het is waardeloos bovendien, het gaat nergens over en het is lelijk, lelijk!

Wanneer ik zo zwoeg, kan ik aan de verleiding van internet in het algemeen en facebook in het bijzonder niet weerstaan. Uiteraard zoek ik ook mezelf op – sinds Morgenster in de boekwinkels ligt / heeft gelegen ben ik ook een beetje een publieke naam. Zondag trad ik nog op, in Bergen-op-Zoom, voor een gezelschap aspirant schrijvers. Het deed mijn ego deugd, ik vertelde er dat discipline allernoodzakelijkst is als je een roman wil schrijven. Ha. Zie me hier nu zitten, ten lange leste gevlucht naar Bijgekleurd, mijn veilige haven.

De kansen dat ik ooit word geroemd for an influential work that with linguistic ingenuity has explored the periphery and the specificity of human experience zijn onbestaande. De lof die mij wordt toegezwaaid, ook ergens op facebook, is dat iemand na het lezen van het boek naar het huis Morgenster is gaan kijken, op een druilerige zaterdag in oktober, en daar iemand anders aantrof, een onbekende. Een goed boek, vonden ze allebei, en dronken nog een koffie samen.

Ik weet niet of deze ontmoeting tussen twee mensen die ik niet ken, influential is, of ik daarvoor bewonderd zou moeten worden, op een schild worden gehesen. Het is een kwestie van schaal, allicht. Bij dichte drommen, en de politie die de straat moet afzetten, ja dan. Als het vaker gebeurt, toch. Of als er een mooie vriendschap uit groeit, misschien zelfs een liefde, dan ja.

Ondertussen, alweer op facebook, worden de winnaars van vandaag bewonderd en verguisd. Het gaat nauwelijks over literatuur, maar over links vs rechts, en dat politiek nu eenmaal deel uitmaakt van de specificity of human experience, een samenleving moet worden georganiseerd, en ik weet het, ik wéét het – dat mag je echt niet enkel aan politici overlaten. Daar zijn stemmen in de breedte en de diepte voor nodig – ook Morgenster is een politiek boek.

Maar mij lukt het niet, dat eindeloos bewieroken respectievelijk afkraken van helden, dat doorgedram en geanalyseer over goed of fout, beter of écht slaapverwekkend. Wat doet dat met die mensen? Eén aspect van je leven, je karakter dat tot boven je hoofd uitgroeit, alles wat verder in de periphery van jouw human experience is negerend.

Wees maar eens Trump, of Greta Thunberg. Of Romelu Lukaku. Of Bart De Wever, Zwangere Guy, het maakt niet uit. In alle gevallen: een held voor velen.

Hoe kun je dat iemand aandoen, hoe doe je dat jezelf aan?

Weet je wat, misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven. Over heldinnen en helden, larger than life. En dan twee mensen die mekaar ontmoeten, achteloos.

Zo. Ik kan weer verder.

(Ik weet het, eigenlijk had Bob Dylan hier moeten figureren, maar zeg nu zelf – dit is toch een geweldig aanstekelijke jonge Bruce. Kijk, die bewonderde ik dus echt, in mijn apenjaren.)

Gebrek nr. 4: De kunst van de middelmatigheid

Alles van waarde is weerloos, en niets is voor altijd.

Zo overleed tijdens de vakantie David Berman. U hoeft hem niet te kennen, dat deed ik ook nauwelijks. Van mijn leeftijd, maar hij zat wel in dezelfde klas als Stephen Malkmus (Pavement, dat kent u dan misschien weer wel), en zelf dichter, cartoonist, zanger en songwriter van Silver Jews.

Zo’n band die enkel door wat muziekjournalisten en een paar toevallige fans wordt gesmaakt, wegens. Ja, waarom eigenlijk? Er zitten goeie hooks in de songs, de teksten zijn geweldig (en vaak hilarisch – luister maar eens naar How can I love you (if you won’t lie down), de muzikanten prima.

En toch.

Niemand is echt geïnteresseerd. Er is geen markt voor. Zeker, het is makkelijk de muziek weg te zetten als doorsnee Americana, de teksten als obscuur en te ver gezocht, de Silver Jews een vriendendienst van Stephen Malkmus. Berman maakte het je ook niet gemakkelijk. Drugsgebruik, onwillig, ongeinteresseerd en onbetrouwbaar wanneer het op promotie aankwam. I always said we would stop before we got bad, schreef hij toen hij in 2009 stopte met de Silver Jews. If I continue to record I might accidentally write the answer song to ‘Shiny Happy People.’

Kortom, naar de normen van de tijdsgeest vandaag de middelmaat zelve.

Geen eendimensionaal genie dat door de megafoons van de sociale media uitgeroepen kan worden tot dé stem van een generatie, geen verwevenheid met de grote problemen van de tijd, laat staan dat hij oplossingen zou aanbrengen. Geen marketable verhaal.

Niets van dat alles. Enkel een man die worstelde met zijn afkomst (zijn vader was een succesvol lobbyist van alles wat fout was in de vorige eeuw – tabak, rijden en drinken, slavenlonen, … ), zijn demonen (drugs en depressies) en zijn artistieke drive. Een twijfelaar. Een man van dertien talenten, die steeds bleef proberen. Omdat dat nu eenmaal moet, creëren.

Een meesterwerk zat er nooit echt in, maar dat maakte niet uit. Hij moet wel de overtuiging hebben gehad dat wat hij maakte de moeite waard was om gehoord te worden. Niet vanzelfsprekend. Velen zijn immers geroepen, en weinigen uitverkoren. Als commerciëel succes niet de maatstaf mag zijn, wat dan wel?

Wanneer ik weer eens een zin doorstreep in het manuscript van mijn tweede boek, zucht en recht sta, klaar om iets *nuttigs* te doen met de rest van de dag, de rest van mijn leven, is dat de vraag die ik niet onder ogen wil zien. Hoe uitverkoren denk ik wel dat ik ben?

Pretentie, niets dan pretentie …

Eerder dit jaar maakte Berman na lange tijd weer zijn opwachting, onder een nieuwe naam, Purple Mountains. De plaat klinkt net als de laatste van Silver Jews. Er bleek geen ontsnappen aan. En misschien kon hij het enkel weer met de ultieme deadline in het achterhoofd.

Deze zomer pleegde hij zelfmoord.

One more hero down.

Friends are warmer than gold when you’re old
And keeping them is harder than you might suppose
Lately, I tend to make strangers wherever I go
Some of them were once people I was happy to know

uit All my happiness is gone, de eerste single van Purple Mountains

Ps de wikipedia post over Richard Berman, de vader, is langer dan die over David Berman, de zoon. Zo gaat dat, in deze wereld.

 

 

 

Gebrek nr 3: De kunst van de handoplegging

De geur van vers gesneden pompoen snijdt door het aroma van mijn koffie. Het is nog vroeg, en ik zit in een etablissement dat zich een neocanteen noemt. Het ligt in een chique buurt, ouderwets beschaafd en jong van geest. Dat de laatste gebeden van Leonard Cohen op endless repeat staan, merk ik pas wanneer een vrouw van middelbare leeftijd binnenkomt.

Ze kijkt me even onderzoekend aan, maar ik zit hier niet voor een blind date. Ik werk. Ik beantwoord ijverig mails, vul mijn agenda met nieuwe afspraken, en bedenk nieuwe plannen om mijn nieuwe business als executive en life coach te boosten. Ook zij bestelt een koffie met groentenaroma – achterin worden nu wortelen in diverse kleuren versneden – en beschermd door haar winterjas gaat ze zo onopvallend mogelijk naar de deur zitten staren. Het is negen na iets. Ze geeft hem zes minuten, denk ik, en dan zal ze deze ochtend opbergen in het vakje teleurstellingen.

Mooie jonge mensen bestellen ondertussen een bord huisgemaakte granola, of vegen zachtjes de snor van warme chocolade van de lippen van hun geliefde. Ach. Het lukt me niet meer me te concentreren, en uit gewoonte kijk ik even naar de bezoekerscijfers van Bijgekleurd. Ze dalen. Ik probeer een dichtregel, en schrap hem weer. Niets lijkt nog te lukken. Misschien moet het volgende gebrek wel over de kunst van succesvol bloggen gaan, maar ik jaag die gedachte weg door even mijn ankerplaats voor positieve gevoelens aan te raken, net boven mijn linkerheup.

Dat moet ik misschien even voor u voordoen.

Roep een moment van gelukzaligheid bij u op. U kan dat best, sluit even de ogen, ga met uw aandacht naar binnen en roep dat moment op toen iemand de chocolade van uw lippen veegde, dat ene moment waarop uw leven perfect was en helemaal vervuld. Dwaal desnoods een beetje rond in uzelf, er is meer ruimte dan u denkt. Voelt u het? Doe dan een eenvoudige beweging op uw lichaam. Raak uw rechterpols aan, of uw hart, of draai eens met een ring, eender wat. Verbind het gevoel met de beweging. Oefen een paar keer. Klaar. Vanaf nu kan u de gelukzaligheid oproepen door de beweging te maken, ook en vooral wanneer het echte leven u weer eens tegenzit.

Het is nu zeventien na iets. De vrouw staat op, en vertrekt. Ze ziet er niet uit alsof ze alleen maar tegenslagen heeft gehad in haar leven, maar een meevaller lijkt ze nu wel te kunnen gebruiken. Dat zou ik kunnen zijn, denk ik. Daar zijn life coaches voor. Een vriendelijk knikje, oogcontact, een eenvoudige vraag, en dan oprechte bereidheid naar haar antwoord te luisteren.

Opnieuw tast ik naar mijn anker, want echt helpen deed het eerst niet, maar ik mis, en raak mijn blaas. Ik sta op, en terwijl ik plas, stel ik me voor hoe de vrouw daarbuiten op een gehaaste man botst. ‘Ben jij?’, ‘de metro stond stil’, ‘ik dacht dat je’, en ze dan terug binnengaan, en hun verlegen gelach de ruimte vult. Ik houd mijn handen lang onder de kraan, probeer de druppels in de straal elk apart te voelen.

Natuurlijk verloopt het zo niet. Wanneer ik terug binnenkom, maakt ook het chocoladekoppel aanstalten om te vertrekken. Ik zal alleen achterblijven, met een nieuwe koffie, wachtend op een volgend idee, een volgende kans. Terwijl hij afrekent, houdt het meisje haar hand op zijn billen. Het is een intiem gebaar, bezitterig noch seksueel. Ik kijk hoe ze met haar vingertoppen zachtjes putjes drukt in zijn jeans.

Handoplegging, denk ik. De simpelste manier om te zeggen dat alles goed komt, dat je intenties zuiver zijn, en dat je niet oordeelt. Ik herlees mijn tekst, en laat de vrouw van daarnet buiten struikelen over een loszittende tegel. Een man schiet haar ter hulp, legt zijn hand op haar arm. ‘Is alles ok?’

Ja, zo zou het wel kunnen gaan, de heling van de wereld. Met een simpele aanraking. In afwachting blaas ik mijn nieuwe koffie zachtjes koud. Pastinaak, nu.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Gebrek nr 2: De kunst van het ziek zijn

De voortekenen waren niet bijster goed.

De eerste dag van november struikelde ik bij het hardlopen. Over een opkrullend ijzer dat een keldergat in de Antwerpse Brederodestraat afdekt. Gekneusde rib, kapotte knie. Eigen fout natuurlijk, er was geen reden om zo dicht tegen de huizen te lopen. Het was een mooie herfstochtend en de plaatselijke burgeroorlog tussen Turken en Koerden was een avondevenement. Er was eigenlijk ook geen reden om door die straat te lopen, ik wou enkel weten of de bloemenwinkel open was. Ik had nog een graf te bezoeken, die dag.

Maar wij negeren de voortekenen, lachen de samenhang tussen de werelden weg, en wie zich richt op de energie van het universum vinden wij maar een rare kwiet. Bijgelovig. En toch. Ex diris hoorde wel niet tot het officiële takenpakket van de Romeinse augures, niezen en struikelen werden wel als belangwekkende signalen gezien.

Soit, de bloemenwinkel hield herfstvakantie. Mankend vervloekte ik de teloorgang van tradities, en lachte vervolgens mezelf uit. Zie me daar. Een oude mopperaar. Een zielepoot in een loopshirt van zijn ex-werkgever.

Ik sloeg me door die herdenkingsdag en de rest van de herfstvakantie, om dan, één voor één, al mijn naasten te zien uitvallen. Kent u dat? Het besef dat je karma tegenzit, dat elk ongemak een voorbode is voor de volgende ramp, dat er geen einde aan lijkt te komen? Op zo’n moment word je tot grote verantwoordelijkheden geroepen, je neemt alle taken over terwijl je de koorstige gram van iedereen trotseert.

’s Avonds, in de zetel, veroorloof je je dan een zucht. Het is labeur, en op het moment zelf krijg je er niets voor terug, maar het besef dat je nodig en nuttig bent maakt zo veel goed. Alleen, deze keer zuchtte ik niet. In plaats daarvan begon ik te klappertanden. En vervolgens te rillen. Dat werd even later beven. Oncontroleerbaar. Het is niet makkelijk om al bevend een Dafalgan forte uit een blister te drukken. Een glas water in te schenken. Terug naar de zetel te strompelen zonder over speelgoed te struikelen.

Twee uur later was de koortsaanval voorbij, en ging ik hoofdschuddend naar bed. Een goede nacht, en alles zou vergeten zijn. Daarvan was ik ook nog de volgende ochtend overtuigd. Mind over matter, door een mysterieuze koortsaanval zou ik me niet uit het lood laten slaan, en ik vertrok. Naar een cursus waarin me zou uitgelegd worden hoe ik magie zou kunnen bedrijven met belemmerende overtuigingen. Dat je gezond moet zijn om te presteren, bijvoorbeeld.

Halverwege de namiddag was ik weer thuis.

Tegen de avond bleef er van mijn branie niks meer over. Ik maakte een afspraak met de dokter en werd daarvan al bijzonder moe. Ok, één dag niets doen kon ik nog wel inpassen in mijn agenda. Boeken genoeg om te lezen, en er was wat administratie te doen.

Verder dan het beantwoorden van berichtjes als ‘Laat je verwennen! Netflix! Thee en gember!’ kwam ik niet die eerste dag. Ook niet de tweede. Op de derde werd iedereen stil, en daarna, twee bloedonderzoeken en een scan van de longen verder, liep ik verloren in de stad die ik blindelings ken. Had ik er de energie voor gehad, ik zou vloeken.

Ik kan dat niet, ziek zijn. Vertrouwen hebben dat het weer goed komt. Genieten van de time out. Mijn leed dragen met waardigheid. In plaats daarvan tel ik de verloren uren en dagen, die nooit meer in te halen zijn, panikeer ik over de oorzaak van al dat ongemak (die ene zeldzame ziekte, uitzonderlijk moet het wel zijn), en ben ik in ’t algemeen onuitstaanbaar voor mijn omgeving. Ziek zijn is een competentie die ik niet beheers.

Ergens in die dagen kon ik niet anders dan besluiten dat november mislukt was. Tot op de laatste dag. Toen sneeuwde het, stond de wereld een beetje stil, en werd weer mooi. Ach, dat universum en zijn samenhang.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Gebrek nr 1: De kunst van het alleen zijn

Dinsdagavond. Ik zit alleen aan mijn tafeltje en bestudeer de menukaart, een paar blaadjes vastgeklemd op een houten bordje. Schrijvers en filosofen hebben het me op het hart gedrukt: als je de kunst van het alleen zijn niet beheerst, dan ben je geen compleet mens, dan ben je niet af. Bedoelen ze dan dat ik ook een voorgerechtje moet nemen, om te bewijzen dat ik het kan, of volstaat een hoofdschotel?

Kortom, deze avond is een experiment.

Misschien overdrijf ik, maar in mijn binnenzak zit enkel een notitieboekje. De smartphone ligt thuis, en ik ben nerveuzer dan voor eender welke eerste date ooit. Hoe breek je het ijs met jezelf? Een gin tonic?

Ik bestel. Garnaalkroketten, en daarna rundstartaar op Italiaanse wijze. Een beetje comfortfood mag ik me wel veroorloven, vind ik. En spuitwater met een glas rode wijn. De ober neemt de menukaart weer mee, en daar zit ik dan. Niets in mijn handen, niets te doen. Iedereen is toch voortdurend alleen, denk ik. In de auto, onder de douche, aanschuivend bij de bakker. Hoe moeilijk kan het zijn. Loslaten, galmt door mijn hoofd, en ik vervloek mezelf – zo’n vreselijk woord op een eerste date.

Het is geen populair restaurant, toch niet op dinsdag. Wat verderop zit een tafel met vier luidruchtige vriendinnen de herwonnen vrijheid te vieren. Ze lijken opgelucht. Achter me een ouder koppel. En dat is het. Staren is ongepast, en een man alleen sowieso verdacht. In plaats van de vriendinnen bestudeer ik mijn onberispelijk verzorgde vingernagels. Daar vallen geen nieuwe voornemens over te maken. Ik merk dat mijn mond droog is. De ingeslikte woorden, allicht. En ik heb het warm, zweet breekt mij uit.

Daar zijn de garnaalkroketten. Met gefrituurde peterselie en een kunstig gesneden stukje citroen. De twee stuks zien er niet helemaal hetzelfde uit. Handgemaakt. Ik ontspan, mijn schouders zakken een beetje. Terwijl ik kauw zie ik hem. Er is nog een man. Helemaal alleen, net als ik. Hij was me niet opgevallen, zo weggecijferd ziet hij er uit.

Hij heeft een boek uit zijn tas gehaald. Die beweging heb ik gezien. Witte cover, foto van een zich concentrerende Chinese vrouw erop. Motor Control and Learning. Ondertitel: A behavioral emphasis. Ik heb geen idee waar het over zou kunnen gaan. Zelfrijdende auto’s? Artificiële intelligentie? Het boek is dik, groot en stevig, en de man koestert het alsof hij zich verheugt op zoveel wijsheid, allemaal nog op te doen, straks, wanneer de tijd er rijp voor is. Hij drinkt zijn koffie in één teug leeg, en vraagt de rekening.

Het kan dus, denk ik. Verdwijnen in jezelf zonder sporen na te laten, je energieveld als een warme deken rond je heen geslagen. Deze man is niet verward, zoals ik, heeft zichzelf niet aan zijn lot overgelaten. Het heeft misschien iets te maken met wachten. Dat moet je niet doen. Niet op de Italiaanse tartaar, niet op de komst van de ander, niet op je eigen inzichten. Ik denk ver-wachten en vraag me af of ik in gezelschap even flauw ben, maar dan zonder het te beseffen.

Als ik er nu echt zou zijn, met ruimte in mezelf voor het hier en nu, niet denkend, open en toegankelijk, dan zou ik de titel van dat boek al uit mijn hoofd kennen.

Ik sluit mijn ogen.

Van de cover zie ik alleen de witte vlek.

Verdomme. Ik neem mijn notitieboekje en kribbel de titel neer. Mijn avond is mislukt.

foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Naschrift

Motor control and learning blijkt het standaardwerk te zijn over hoe het brein de spieren leert aansturen.  En is zo de naadloze brug tussen deze nieuwe reeks in Bijgekleurd en Vosje, dat zalige godenkind. Want dat is wat hij voltijds doet. Leren hoe hij al die stukjes Vosje samen kan laten werken.

Hij stapt alvast als de beste, ondertussen. En vallen kan hij ook.

Maar dat is een verhaal voor de volgende Vosjespapa.