Daisy Johnson

Klas, bel, speelplaats, refter, opvang, meester, bankje. Juffrouw.

Ik moet er zelf terug aan wennen, aan de woorden die bij school horen. De stap der stappen is immers gezet, Vosje gaat naar school.

Tijdens het eerste oudercontact – je bent daar buiten proportie nerveus voor, het is de eerste keer dat een ander, een derde, een expert, iemand die niet vanuit genetische voorbestemdheid Vosje geweldig en fantastisch vindt, een oordeel zal uitspreken over die jongen, je bent dan ook met twee (bloednerveus, zei ik dat al?), klaar om elke niet passende mening weg te rationaliseren, te catalogeren onder vooringenomenheid en selectieve blindheid – tijdens dat eerste oudercontact dus, staat Vosje rustig te strijken in een hoek van de klas.

Het woord strijkijzer heeft hij thuis nog niet uitgeprobeerd, dat is ook niet zo eenvoudig, nieuwe woorden hebben een werkelijkheid nodig om aan te kleven, en strijken is hier ten huize Vos nu eenmaal iets wat met dienstencheques weggefilterd wordt. Doorgaans proeft hij zijn nieuwe woorden voorzichtig, van de ene hoek van de mond naar de andere, over de tong, tussen de tanden. Ze sissen en klinken, stuiteren dan weer naar buiten.

Zo wordt werkelijkheid dus gemaakt, in den beginne was het woord, en Vosje die dagelijks sjort om de losse band tussen waarneming en taal aan te spannen. In Fen, de bundel verhalen waarmee Daisy Johnson debuteerde, is dat vastsjorren nooit echt gelukt. Haar jongvolwassen personages groeien op in claustrofobische huizen, die vooral dienen om te schuilen tegen het grote geweld dat buiten heerst: water, bos, veen. Kleine woorden die nooit aan kracht inboeten. Die wonen in korte zinnen. Maar het wil niet lukken, er is geen ontkomen aan, het echte gevaar woont binnen. Het schuilt in taboes en nog onbenoembare ontluikende sexualiteit, die niet met woorden te temmen is.

Net als bij Vosje is alles bezield in Johnson’s animistische wereld, het onderscheid tussen leven en dood flinterdun. Wanneer een voorheen zwijgzame echtgenoot louter door de kracht van liefde weer tot leven komt, gebeurt dit:

She felt the rise of him against her leg, held him in her fist and moved her hand. A little later, feeling the comfortable known of his hips against hers, she tought that his time away had lost them nothing, had given them only a perspective of loss. A knowledge of absence. Except, when he arched back his head, mouth open, and let out a one-syllabled word, there was a sharp pain in the roof of her mouth.

The impact of Harrow’s language on Sarah seemed much worse than on her – a single syllable eliciting vomiting, sentences starting nosebleeds.

Daisy Johnson, Language (uit Fen)

Van deze donkere, vochtige wereld is niets te merken tijdens de small talk na afloop van het onvolprezen Kort verhalenfestival. In het verhaal dat ze daar voorlas – spoiler alert – sturen opgegeten mannen vanuit hun verteerde toestand woorden naar de mond van hun vrouwelijke beulen, als schuimspetters op een rotskust. Ik had een beetje schrik voor haar, maar het is een vriendelijke, jonge vrouw.

Alles gaat over taal, zegt ze. Elk woord is telkens opnieuw een ontdekkingstocht, ook wanneer je volwassen bent. Het doet deugd nog eens een schrijver te ontdekken voor wie woorden zo belangrijk zijn, iemand die de zinnen die ze maakt ernstig neemt.

Wanneer alles gestreken is, wil Vosje dat we boodschappen komen doen in zijn winkel. Wat een fijne klas, zeggen we tegen de juffrouw, die zit te glimmen van trots. Over Vosje heeft ze weinig te vertellen, en al helemaal niets wat we niet weten. Niks derde, niks expert.

Vosje is hier veilig, de band tussen waarneming en taal wordt hier soepel gehouden.

Naar huis gaan we met twee virtuele paprika’s. Hebben we wat te eten.

 

Advertenties

Een echt boek

Een echt boekDat is al genoeg. Eén waarvan de puzzelstukken kloppen, waarin iets gebeurt, waarin de personages zich ontwikkelen en de stijl je dwingt om verder te lezen. Gewoon. Een echt boek.

Ja, dat zei ik dan, bij de derde Duvel, of de tweede latte. Moya en de anderen van ons schrijversclubje lachten een beetje met die lome ambitie. Je moet toch iets toevoegen aan de literaire canon, iets brengen wat nog nooit is gebracht! Echte boeken zijn er al genoeg! En bovendien, was die niet dood, de roman?

Het was een magische avond, maandag 17 februari, in zaal 7 in de Cogels-Osylei. Harold leidde in, Johan interviewde, Moya las voor en vertelde. Over wat dat is, schrijven. Zes keer dat eerste hoofdstuk. Zes keer luisteren naar detailkritiek. Jezelf dwingen om je ambitie scherp te krijgen. Wat wil je nu precies zeggen? Wat is daarvoor de beste vorm?  Blijven twijfelen. Aan de kwaliteit van het idee, aan de kwaliteit van de uitvoering. Weten dat het niet deugt, eigenlijk, en toch doorgaan. Totdat het een beetje acceptabel wordt. En dan nog.

Het is net het als het leven, schrijven. Je kan geen acht suikerklontjes eten als er maar zes op je bord liggen. Het moet kloppen, iemand moet de tafel dekken en iemand moet gedachteloos met tang en suikerpot aan de slag.

Zonder het schrijversclubje, waar Moya (het zijn trouwens haar suikerklontjes, op de koffie van een begrafenis, waar met het eten van suiker iets moois en vreemds begint – die onuitgegeven surrealistische roman dus) deel van uitmaakt, samen met Hilde en Jelle (en in het begin ook Lenny Peeters, maar die was te snel klaar met Dochter), zou Morgenster er niet gekomen zijn.

Najaar 2015: tien nieuwe studenten melden zich aan voor de proza-afdeling van de schrijversacademie in Antwerpen. Ik ben de jongste van de groep, Dirk de op één na oudste. We mogen zelf kiezen met wie we in een ‘clubje’ zitten, wiens werk en groeiend schrijverschap we vanaf de eerste rij zullen volgen, voorzichtig bekritiseren, grenzeloos toejuichen. In wie we zullen geloven op de momenten dat het een beginnend schrijver zwaar valt in zichzelf te geloven.

Dat hebben ze gedaan. En kijk, nu ben ik trots op dit boek, op deze materialisatie van droom en denkwerk. Wat er ook gebeurt, zelfs als al het overige in het water valt, dit neemt niemand me nog af.

 

cursieve tekst: Moya De Feyter

Dit is overigens de laatste keer dat mijn schrijversego en Morgenstertrots Bijgekleurd overnemen. U vindt ze voortaan hier, neem eens een kijkje. Vosje gaat straks voor het eerst naar school, dat is pas belangrijk.

http://www.morgensterhetboek.wordpress.com

Doen!

Ik was slechts één keer eerder in Malle. Op bezoek bij May Claerhout, in het begin van de eeuw een bekend en goed benetwerkt beeldhouwer. Sic transit gloria mundi en zo, want ze overleed in 2016 en ook de link naar haar website is ondertussen uitgedoofd.

Op een maandagochtend in december reed ik er opnieuw door de hoofdstraat. Eigenlijk had ik geen tijd, de laatste deadline voor Morgenster, begrijpt u. Maar ik wilde toch. De oudste zus van mijn vader werd begraven. Tante nonneke. Ik kende haar nauwelijks, weet bijna niets van haar leven. Een jeugd in dienst van een eindeloze stroom broertjes en zusjes, en in 1945, toen de lucht wat opklaarde, naar het klooster. Daar werd ze schooljuf.

De overblijvende nonnen, mager en ongeschonden, vulden de ene helft van de kapel van het nonnenbejaardentehuis, de familie de andere. De sfeer was vreugdevol, de kant van de nonnen ademde dankbaarheid uit, en blijde verwachting. De broers en zussen, al bij al nog talrijk, hadden zich neergelegd bij het late en langzame sterven van hun generatie – tante nonneke werd 93. Ook zij herinnerden zich weinig van hun oudste zus, het grootste deel van haar leven was ze door haar kloosterorde vakkundig afgezonderd.

Het bezoek aan May Claerhout destijds diende als bronmateriaal voor een toespraak. Plechtige inhuldiging van een beeld bij een federaal overheidsgebouw. Geen idee of gebouw, beeld en ambtenaren er nog zijn, maar ergens in Morgenster – het huis, niet het boek – slingert nog een beeldje van Claerhout rond. Een vrolijk meisje, zittend op haar poep, in beschilderd terracotta. Cadeau gekregen op het einde van het gesprek.

Tante nonneke, zo blijkt uit de lezingen van pastoor en abdis, was uiteraard een bescheiden vrouw geweest, in dienst van de gemeenschap en van de kinderen – die ze hielp waar en wanneer ze kon, ook toen ze al lang met pensioen was. Een vrouw met een roeping, en de overtuiging en de groothartigheid om die roeping ook compromisloos te volgen.

Met de eerste proefdruk van Morgenster op mijn schrijftafel viel het me die dag makkelijk om mijn cynisme te onderdrukken. Het kon echt, het hoefde niet groots te zijn, er bestonden mensen die met een opdracht in het leven stonden, en die opdracht simpelweg uitleefden.

May Claerhout had me net hetzelfde verteld. Doen!  zei ze, toen ik haar schoorvoetend over mijn literaire ambities vertelde. ‘Je zal nooit gelukkig zijn als je die drang blijft onderdrukken.’

Terug thuis, en nog voor ik de drukproef ter hand neem, zoek ik het op. Vocation. En waarom het zo lang geduurd heeft voor Morgenster er is.

No one is just an artist and nothing else, and in so far as one approximates that condition, he is so much the less developed human being; he is a kind of monstrosity. He must, at some period of his life, be a member of a family; he must have friends and companions; he must either support himself or be supported by others, and thus he has a business career. He is a member of some organized political unit, and so on. We naturally name his vocation from that one of the callings which distinguishes him, rather than from those which he has in common with all others. But we should not allow ourselves to be so subject to words as to ignore and virtually deny his other callings…

John Dewey in 1916, met dank aan het rijke archief van Brain Pickings.

De nonnen hadden geen gelijk. Een ééndimensioneel leven is maar wat het is. May Claerhout wel. Vele jaren na haar advies landt Morgenster deze week in de boekwinkels, en ik maak – voor ik het leven weer verder zet alsof er niets is veranderd, want een boek, ach, dat is toch maar een boek zoals al die andere boeken – een vreugdedansje. 

Doet u mee?

Na de zomer

Jaren heb ik met enige huiver de zomer tegemoet gekeken. De zomer, dat is immers het seizoen waarin je je colbert aan de haak moet hangen, en waar blijf je dan als man met al je spullen? Portefeuille in de achterzak van je broek. Sleutels vastgehaakt aan je riem. Alles dumpen in de handtas van je vrouwelijke gezel. Of toch – bibber en beef – de mannenhandtas.

Pest en cholera.

Het probleem drong zich de afgelopen zomer erg op. Ook in de nazomer lag ik nog onbeweeglijk in de schaduw van een boom, zo schaars gekleed als de omstandigheden het maar toelieten. Zweten deed ik toch, en nadenken uiteraard. Over het juiste einde voor Morgenster – dat, zo weet u ondertussen, is mijn debuutroman die in februari in de winkels zal liggen – u komt toch ook naar de boekvoorstelling op 18 februari in Antwerpen? – maar vooral over de oorsprong van al die stellige en belemmerende overtuigingen die me zo kwellen.

Zoals. Uitpuilende mannenbroekzakken zijn even erg als witte mannensokken. Of. Ik heb niet het zitvlees om een roman te schrijven.

Moest ik dat nu echt denken?

Die mannenbroeken. Op het moment van overpeinzen droeg ik er geen, wat de gedachtengang erover sterk bemoeilijkte. Maar die vestimentaire keuze hielp dan weer wel om dat zitvlees wat nader te beschouwen.

Een roman zonder explosief einde, is dat al een roman? Een roman die wel geschreven is maar niet gedrukt, is dat een roman? Vanaf hoeveel woorden is een roman écht?

Ik kwam er niet uit, schudde de zweetdruppels van mijn hoofd, en kleedde me weer aan. Portefeuille, sleutels, een handdoekje, ik sleepte ze in afwachting van een echte oplossing mee in een tote bag van Passa Porta bookshop – noblesse oblige.

Mijn telefoon verdween in de linkerzak van mijn short.

Dat kon dus. En eigenlijk deed ik dat altijd al, ergens in de loop van de jaren was die telefoon verhuisd van de binnenzak van het colbert naar de linkerbroekzak. Er was geen besluit aan te pas gekomen, geen bewuste keuze.

Broekzakken hoeven niet leeg te zijn.

Dat einde van Morgenster herschreef ik net, op de drukproef al, een allerlaatste keer, en de onzekerheid over die roman blijft, ook in de zuiverende kou van december. Wat een pretentie om zelfs maar te overwegen zo’n grootse onderneming aan te vatten. De literaire kritiek zal meedogenloos zijn, en het boek doodzwijgen. Voor vrienden en kennissen wordt het onderwerp taboe, ze gaan me meewarig en sussend toespreken, het woord hobby zorgvuldig vermijdend, en onder elkaar fluisteren over de belachelijke seksscènes. Historici – het boek speelt in 1904 – zullen geheel terecht op alle foute slakken zout strooien.

Als ik er nog iets van wou maken, dan was het einde van deze eeuwig durende zomer het moment om het boek terug te trekken en helemaal opnieuw te beginnen.

In de rechterzak van mijn short vind ik een fopspeen, en een miniatuurversie van een Dacia Duster, de nieuwe auto die Vosje tijdens de zomervakantie van een Frans kindje heeft gekregen. Het is zijn zak, die rechter.

Ik buig even door de knieën, en het valt niet te ontkennen. Die broekzak puilt uit. Ik sluit het kofferdeksel van de Duster, maar het verschil is miniem. Voor iedereen is het duidelijk: deze broekzak is niet leeg, hij puilt uit. Ik voel me naakter dan daarnet onder mijn boom, angstzweet breekt me uit.

Straks ligt dat boek dus in de winkel, mijn woekerend zitvlees, mijn eindeloos gepieker, mijn amechtige poging om op een elegante manier mijn demonen te bezweren.

Het is wachten op de pocketuitgave.

 

 

 

 

Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.

 

Georges Saunders

Waar het vandaan komt, weet ik niet, want mijn moeder was de netheid zelve, ze stond erop elke dag het huis aan de kant te hebben. Maar ik hou van rommel. Laat je mij doen, dan laat ik overal losse eindjes achter, in de vorm van stapels boeken (natuurlijk! het laatste echte statussymbool in deze gespotifyde wereld, zeker wanneer het meervoud u een labyrint van boeken suggereert, waarin een peinzende blogschrijver niet anders kan dan zichzelf en zijn lezers verliezen), ambtelijke post, veel te laat aangespoelde kerstkaarten, een lekkere fles kriek die ik maar niet drink, wat gladde keien met een vage betekenis, een hoop kussens, whiskyglazen en whiskyflessen, en foto’s van Vosje. Ik hou niet zo van het tentoonstellen van foto’s waarop mensen staan waarvan ik hou, maar voor Vosje maak ik graag een uitzondering. Hij mag zelfs in goed gezelschap zijn, met zijn grote broer, met zijn moeder, en zelfs – quelle horreur! – met mij. Niets is ijdeler dan foto’s van jezelf openlijk tentoonspreiden, en ijdelheid is des duivels, maar voor foto’s van Vosje en mij geldt dat niet, zo blijkt (net zo min trouwens als voor de foto’s van Spencer Tunick waarop ik ook ergens figureer, zij het onzichtbaar of toch spoorloos, terwijl ik er echt wel was destijds, in Brugge, en vele jaren later in Gaasbeek, telkens op een godsonmogelijk vroeg uur, maar dat telt dus niet echt).

In mijn wanorde heb ik de vrijheid telkens opnieuw een andere werkelijkheid te herkennen, zonder dat ik daarvoor het hele huis door elkaar moet halen, of anderszins uit mijn zetel hoef te komen, een zetel van waaruit ik staar naar de stapels boeken, en, uiteraard, naar de foto’s. Die vrijheid is me dierbaar, en ik was blij dat Vosje, al sinds hij kan lopen, dingen oppakken en weer laten vallen, me trouw volgde in het maken van wanorde.

Heerlijk, zo’n kind in huis.

Hij begon met het uit en weer inladen van keukenladen vol tupperware, nu alweer maanden geleden. Daarna, bijna stiekem, ging hij aan de slag met zijn kleerkast, om vervolgens, elke ochtend opnieuw, de boeken die papa ’s avonds achteloos in de zetel had laten slingeren, op de juiste stapel terug te leggen. Toen stond ik nog vol bewondering voor zijn vermogen om de juiste wanorde telkens opnieuw te creëren.

De juiste wanorde. Dat wordt, zo denk ik, ooit nog eens de titel van de verhalenbundel waarvan ik het eerste verhaal, de eerste zin, nog moet schrijven. In korte verhalen mag en kan alles, telkens weer een flits die de grote chaos van de wereld belicht, absurd en toch hyperrealistisch. Dat zou ik ook willen kunnen, denk ik, wanneer Vosje Georges Saunders’ Tenth of December terug op de stapel legt.

Have been sleepwalking through life, future reader. Can see that now. Scratch-Off win was like wake-up call. In rush to graduate college, win Pam, get job, make babies, move ahead in job, forgot former feeling of special destiny I used to have when tiny, sitting in cedar-smelling bedroom closet, looking up at blowing trees through high windows, feeling I would someday do something great.

Hereby resolve to live life in new and more powerful way, starting THIS MOMENT (!)

Georges Saunders, The Semplica Girl Diaries uit Tenth of December

Het kraslot waarvan sprake levert de man voldoende op om, net voor de verjaardag van zijn oudste dochter, hun braakliggende tuin in te richten en een schitterend verrassingsfeest voor haar te organiseren. Blikvanger zijn de semplica girls uit de titel, denk daarbij aan levende tuinkabouters uit verre landen.

Uiteraard gaat het op het einde van het verhaal helemaal mis met de man, de tuin, en zijn kinderen. Het gaat altijd mis in de verhalen van Georges Saunders, en met Vosje weet ik het ook niet meer zo. Hij herstelt niet alleen mijn zo dierbare wanorde, hij ruimt spontaan ook alles op, zeker de keukenla met tupperware (en het is, dat kan ik u verzekeren, een complexe 3D-puzzel om die la zo weer in te laden dat ze dicht kan – ja, Vosje is een slim kind). Hij zet lege glazen op het aanrecht (op het randje, want hij kan er nog niet goed bij), zet ieders linkerschoen weer netjes op zijn plek naast de rechter, en, ik durf het haast niet op te schrijven, maakt een nette rij van zijn autootjes. Geparkeerd van groot naar klein, gesorteerd op kleur, of op eender welke regelmaat die hij maar kan bedenken. Het is zelfs al gebeurd dat hij, na gedane arbeid en het lezen van zijn nieuwste boekje (over het herkennen van billen van dieren, een echte hit, ik wou dat ik het zelf had verzonnen, want ik hou best van billen, maar dat is weer een ander verhaal), terugkijkt naar de rij, spiedend, de paar stappen zet die nodig zijn, en corrigeert. Dan wil hij een koekje. De jongen houdt, het is niet anders, van orde.

Ik kan het daarbij niet laten, dat begrijpt u.

Elke ochtend, voor dag en dauw, neem ik hem nu bij mij op de schoot, en vertel, herhaal, repeteer, zeg hem dat de enige orde die een jongen nodig heeft in zijn leven, die van het juiste woord is. Voor alles, zo houd ik hem voor, is er een woord. Voor wat je ziet, wat je denkt, wat je doet, voor wat je voelt. Vergeet dat niet, en misschien dat jij dan, straks, die verhalenbundel De juiste wanorde zal schrijven, over een vader die worstelt met alles op een rij te zetten, en voortdurend denkt THIS MOMENT (!)

Maar Vosje, als je dat dan straks doet, schrijf je het dan met liefde, wil je?

PS Ik kon het niet laten, en kocht na het lezen van The Semplica Girls voor het eerst sinds jaren een kraslot. Alleen als ik niet zou winnen, zou mijn leven – min of meer – op de rails blijven. Nu vraag ik u, 20€ (twintig euro), is dat winnen, of verliezen?