Edward St. Aubyn

Exact één jaar mag een staat van genade duren. Daarna slaat de werkelijkheid toe. Onverbiddelijk.

In Vosjes geval kwam ze in de vorm van een gevecht, de dag na zijn eerste verjaardag. Tegenstrever: een meisje, één maand ouder. Inzet: een speelgoedje. Resultaat: een gezwollen wang, en een blauwe plek onder de kin. De nederlaag was compleet.

U leest het goed. Vosje, dat prachtige, schitterende, in alle opzichten superieure wezen, heeft het moeten afleggen in zijn eerste echte gevecht. Volgens de medewerkster van de crèche heeft hij zichzelf niet eens verdedigd. Het ontbreekt hem, aldus die medewerkster, aan assertiviteit.

Nu al. Daar zijn we even stil van.

Stel dat het andersom zou zijn geweest, zeg ik tegen zijn verontruste moeder. Stel dat hij als een bulldozer te keer zou gaan, onschuldige meisjes zou molesteren en anderszins van een overmatige geldingsdrang blijk geven, zou dat niet veel erger zijn? De jongen wil gewoon niet dat de wereld pijn heeft! Hij is nog altijd perfect!

Ze schudt haar hoofd.

De wereld is niet veilig, zegt ze. Met woorden alleen red je het niet. Er zijn grenzen af te bakenen, posities in te nemen, je moet vermijden dat je een slachtoffer wordt. Ik wil niet dat Vosje straks gepest wordt, dat hij door de bullebakken van de speelplaats als boksbal wordt gebruikt. Of uitgelachen omdat een klasgenoot op het web heeft ontdekt dat hij zich als baby niet kon verweren. Schrijf er niet over! Hij moet rechtstaan, de borst vooruit en met priemende blik. En pootje lap als het echt nodig is.

Ik kan haar niet tegenspreken. ’s Avonds, wanneer de jongen in zijn dromen draken temt, word ik rusteloos, en schrap en onschrap deze tekst telkens opnieuw. Zelf heb ik nooit gevochten – ik maakte toch geen schijn van kans, maar ergens onderweg ben ik, poef!, toch veranderd in een wereldwijze klootzak. Wanneer het moment daar om vraagt, natuurlijk.

Wat draagt het meeste bij tot geluk? Streven naar een betere wereld? Of streven naar een betere plek in de wereld? Het lijkt alsof ik, ijsberend door de huiskamer en met een voortdurend leeg glas, de politiek opnieuw uitvind, de wereld met een zweepslag in twee deel. Ha!

Het gaat niet om de wereld, zegt de moeder van Vosje. De wereld is te groot. Het gaat om Vosje. Ik wil niet dat hij gekwetst wordt. Punt. Dat willen toch alle moeders? Waarom snappen vaders dat nooit? Mijn kind zal gelukkig zijn.

Ze windt zich op, wordt woedend en jaloers op het kleine meisje dat haar zoon zo heeft toegetakeld, en ik voel de afkeer voor mijn naïeve vredeswens. En ga zitten, zegt ze, je maakt me nerveus met al dat gedruis.

Goh, zucht ik, en staar dan zwijgend voor me uit, het lege glas in één hand, de andere op de vele centimeters dikke The Patrick Melrose Novels. 

Mind you, I don’t know why people get so fixated on happiness, which always eludes them, when there are so many other invigorating experiences available, like rage, jealousy, disgust, and so forth.

Edward St. Aubyn, Some Hope

De volgende ochtend is Vosje weer vrolijk als altijd, en hij bladert in één van zijn eerste boekjes. Ik kijk hem aan en vraag me af wat ik kan doen om hem zijn plaats te laten vinden in wereld, zonder wrok of haat.

Zou hij daar uit groeien? Vosjes moeder kijkt me fronsend aan.

Natuurlijk, zeg ik. Het gaat niet lang meer duren of hij leest echte boeken, in plaats van die kleine met één prent per pagina.. Het zou fijn zijn als hij dichter wordt.

Haar ogen bliksemen me neer.

Advertenties

J.M.A. Biesheuvel

Het houten gebinte van het koor ziet eruit alsof het pas gisteren is herschilderd. In het beige, met pilasters in groen, geel, oranje, rood en misschien nog een paar andere fletse tinten, ik ben niet zo goed in het herkennen van kleuren. Het ziet er in elk geval vreemd vrolijk uit.

Een maand geleden, bij de begrafenis van mijn moeder, heb ik niet op de kerk gelet. Mijn aandacht ging toen naar de urne voor me, en de plavuizen aan mijn voeten. Maar nu zit ik naast mijn vader in een gewone misviering. Aan het begin ervan werd mijn moeder genoemd, samen met die ene andere overledene van de parochie. Straks krijgen we een kaars mee naar huis.

Ik prevel zonder aarzelen de vaste formules, al is het meer dan dertig jaar geleden dat ik nog een mis bijwoonde. Deze rituelen blijken in mijn ziel te zijn verankerd, het maakt niet uit dat ik ze ooit uit het diepste van mijn hart heb verfoeid. Rechtstaan, weer gaan zitten, de priester die zijn armen spreidt, niets is veranderd. Het doet me denken aan de verhalenbundel van J.M.A. Biesheuvel, ook dertig jaar oud, die ik gisteren kocht.

Wij zijn een goddeloos volk en wij zijn daar trots op, misschien juist te meer omdat we vroeger niet goddeloos waren. Nu kan het zijn dat iemand ons vanuit de hoogte beschermt en zo iemand schijnt er inderdaad onder ons volk te zijn. Er is een man in de hoofdstad en die gaat soms aan zijn raam staan, de legende zegt dat het raam altijd open is, midden in de nacht komt die man uit bed en gaat aan het raam staan en geeft ons de zegen. (…) Niemand heeft de man ooit gezien terwijl hij zegende en velen van ons menen dat wij een dergelijke zegen niet nodig hebben.

J.M.A. Biesheuvel, Over de moeilijkheid van het zegenen (uit De Angstkunstenaar)

Ik behoor tot een minderheid, zei de tweedehandse boekenman, bijna niemand hier in Vlaanderen kent Biesheuvel. Het is een cadeau, zei ik. Voor iemand die zich nog meer minderheid voelt dan ik.

Ook de mensen in de kerk zijn nog dezelfde, vermoed ik, al zijn ze net zo goed dertig jaar ouder. Destijds waren ze nog de wankelende zekerheid van de macht waar ik moedeloos tegenaan schopte, nu een groepje dat zichzelf probeert heruit te vinden. Ik hoor nederigheid in de preek, compassie in de voorbeden, en een voorzichtig maar zelfzeker pleidooi voor een vrije kerk, los van het instituut. Nog even, en ik vind deze mensen sympathiek.

’s Namiddags, op een terras in de Antwerpse binnenstad, kijken we naar de mensen, op deze laatste dag van de Antwerp Pride nog net iets kleurrijker dan anders. Vosje lacht gewoontegetrouw naar iedereen. Hij gaat zich later van deze periode niets herinneren, de eerste jaren leef je van moment tot moment, van dag tot dag. Hoe hij zijn eerste stapjes probeert te zetten, door zijn eerste boekjes bladert, het bestaat alleen maar in het nu. Hij is een absolute minderheid, alleen maar zichzelf, beschermd door een warme kring van liefde.

Mijn vader vindt het onnatuurlijk, zo alleen te moeten leven, zegt hij, zonder schild tegen de werkelijkheid. Er zijn meer manieren waarop zijn vrouw hem mankeert, dan hij zich eerst kon indenken. Hij heeft het nodig, denk ik. Minderheden hebben het nodig. Genegenheid en compassie, en iemand die ’s nachts, wanneer iedereen slaapt, Biesheuvel leest en aan zijn open raam gaat staan en de wereld zegent.

Simonne

We zijn in Normandië. Het weer is er wisselvallig en het licht onbestendig, maar de oesters lekker en het is niet ver. We zijn vertrokken met als enige plan om even weg te zijn, toerist in onze eigen levens. In mijn bagage zit het rouwboek dat Roland Barthes schreef na het overlijden van zijn moeder, mij toegestuurd door een onzichtbare vriendin na het overlijden van de mijne, nu twee weken geleden.

In het begin is de dood een gebeurtenis, een avontuur, iets wat je mobiliseert, tot daden aanmaant en verkrampt. En dan, plots, is het dat niet meer, is de tijd alleen nog duur, samengebald, onbetekenend, niet verteld, grauw, zonder enig mededogen: echte rouw is niet vatbaar voor woord- en tegenwoord, wordt geen verhaal.

Roland Barthes, rouwdagboek, 15 november (eigen gebrekkige vertaling, waarvoor mijn excuses)

We zijn op dat moment. Er valt niets meer te doen. Het leven van mijn moeder is opgeruimd, opgevouwen en bijgezet. Voordien, toen ze nog leefde, was het makkelijk: haar fysieke aanwezigheid volstond, ze praatte en bewoog altijd, ze had geen tijd om oud te zijn.

Terwijl wij luisteren naar de branding, en staren naar de oneindigheid van het water, ziet Vosje alleen maar klam zand en ronde keien. Hij vindt de zee maar niks. Het is kil, er zijn geen mensen om naar te lachen, en niets om zich aan op te trekken. We zijn een zomer te vroeg. Misschien volgend jaar, dat hij dan putten graaft, zijn gele kipwagen uitput en water naar de zee emmert.

We rijden het binnenland in, weg van de gebaande paden. We zijn er al voorbij voor we het zien, het bescheiden bordje naar de abdij van Grestain. We keren om. Het terrein is één en al glooiend grasveld, op een nieuw huis na, en een beetje verder een Normandisch gebouw. De deur staat open, binnen wacht een oudere man ons op. In wat zijn woonkamer lijkt liggen brochures op een grote tafel, er hangt een wandtapijt en in een kamer links, wat hogerop, zit een man alleen te eten. Een karakterkop.

Deze ruimte is al wat overblijft van de abdij, legt de oudere man uit. Terwijl het ooit, in de elfde en twaalfde eeuw, één van de meest glorieuze abdijen van zijn tijd was. De moeder van Willem de Veroveraar ligt hier begraven, onder één van deze glooiingen, waarschijnlijk ongeveer waar wij de auto hebben geparkeerd. Elke eeuw bewoning zorgt voor extra twintig cm aarde, je wandelt hier op geschiedenis.

Geluk is een kwestie van tijdigheid, bedenk ik me, van volgorde, en opgeruimdheid. Van lagen die mekaar toedekken. Ik heb daar geen talent voor, ik leef in gelijktijdigheid en hak op de tak, en tref daar geheel per ongeluk ook soms de eeuwigheid aan, weggestopt in een kreukel van een vuil laken, of de lach van Vosje in de armen van zijn moeder.

Geen relatie gaat ooit dieper, is moeilijker, dan die met je moeder. Je dankt alles aan haar, wat je bent, en wat je niet bent, en dat voel ik hier en nu, met zicht op de meanderende Seine, sterker dan ooit. Ik moet ze in mij laten wonen, mijn moeder, zoals ze in mijn broers woont, en in mijn vader. Het voelt als een opdracht, maar misschien is het gewoon gemis.

Ze heette Arlette, de moeder van Willem de Veroveraar. Roland Barthes’ maman Henriette. De mijne Simonne.

 

The Boss

Vakantie! Tijd voor Bijgekleurd om weer eens wat anders te tonen. In februari nam ik deel aan een wedstrijd (erg korte) erotische verhalen. Ik haalde de longlist niet. Aan jullie om te beoordelen of dat terecht was …  

Warning: explicit content

 

The Boss

‘Zwijg even.’ Ortwin houdt zijn hoofd schuin. ‘Dit is het beste liedje dat Springsteen ooit heeft gemaakt.’

Roy Orbinson singing for the lonely,
Hey that’s me and I want you only.

Hij is al op een andere planeet. Echt meezingen doet hij niet, gelukkig, dat zou Christina niet kunnen verdragen. Het is meer eerbiedig prevelen, de ogen gesloten, geconcentreerd. Hij kijkt op net dezelfde manier als deze nacht, toen hij klaarkwam. Dat hij zijn stem maar niet verheft bij you ain’t a beauty, but hey you’re allright. 

Ze weet het eerst nooit zeker.

Zijn ze blij eindelijk een vrouw gevonden te hebben die hen wil bevredigen, mag een curiosum als zij niet in hun trofeeënkast ontbreken, of zijn het freaks die kicken op haar manke been, de ontbrekende hand, en de littekens op haar hoofd?

Het ontbijt maakt het altijd duidelijk. Dan zijn ze nuchter. Ze zorgt voor sterke koffie en fel licht. Het maakt niet uit of de seks goed was, hij snurkte of scheten liet in bed. Het gesprek, daar gaat het haar uiteindelijk om.

Deze hier was een twijfelgeval. In het café al praatte hij de hele tijd, een woordenbrij was het, zonder begin of eind. Zij kon niet weg van haar kruk in het halfduister. Daar, en daar alleen, zag ze er nog best appetijtelijk uit. Hij betaalde haar een witte wijn die ze in haar hand warm liet worden – de weg naar het toilet was een helletocht. Pas na een tijdje begonnen zijn woorden aan haar te kleven. Antwoorden hoefde ze niet, hij sprak al in dialogen, hij had enkel nood aan een publiek.

Ze hoorde namen van schrijvers en modeontwerpers langs komen. Politici en hun rol in Netflix series. Alleen voetballers leek hij te verwarren met wielrenners.

‘Kom je mee, ik wil naar huis,’ had ze na een uurtje gezegd. ‘En ik ben gehandicapt, maar ik pijp graag en goed.’ Hij was in lachen uitgebarsten.

Terwijl zij haar broek al uit had en de littekens op haar linkerdij net zichtbaar werden, zei hij dat zijn tienerdochter maar een truttebel was, al die paniek om één slecht cijfer voor Latijn. Bijna had ze hem een slag in het gezicht gegeven, maar haar ene hand zat al in zijn broek. ‘Je borsten zijn ok,’ zei hij wat later, wat wel lief was, want die waren erg verschillend. Ze stak de stomp van haar rechterarm onder zijn oksel, en ging met haar hand door het spaarzame borsthaar. Ortwins vlees was zacht, en zijn huid droog, maar zijn erectie was hard en leek oprecht. Hij nam het initiatief over, draaide haar op haar buik, trok haar kont omhoog en likte haar met lange halen van klit tot aars. ‘Zo belangrijk is Latijn niet, toch,’ zei hij, terwijl hij haar terug op haar rug legde en zich in een 69 positie boven haar manoevreerde. ‘Als het nu nog over wiskunde zou gaan.’

Ze werkten zich samen in het zweet. Terwijl hij haar neukte en zij een vinger in zijn kont probeerde te duwen, kon ze de gedachte niet onderdrukken dat het wel leek alsof ze in de keuken stonden, werkend aan een feestmaal voor vrienden. Ontspannen, maar geconcentreerd.

Bij dat warme gevoel van huiselijkheid kwam ze plots klaar. Hij schrok, en ze noteerde een plus, dat hij het merkte, ze had er geen lawaai bij gemaakt. Het had daarna allemaal wat lang geduurd, uiteindelijk, en zijn zaad bleef maar nadruppen. Vreemd, want hij had maar één teelbal.

I’m pulling out of here to win!

Ze schenkt hem nog een koffie in. Vragen hoeft ze het niet.

Ruimte

Ik hou van de zomer.

Dan slaan ze hier de terrasdeuren open, spreiden een Sole Mio deken uit op het gras, en zetten me neer. Een gloednieuwe parasol beschermt me tegen de zon, en ik krijg wat blokjes en een treintje om mee te spelen. Braafjes, dan kan papa ongestoord zijn stukje schrijven.

Hij zit wat verderop,  in shorts en een afgewassen t-shirt vol kevers. Uit de boombox op tafel komt jazz, hij kijkt geconcentreerd naar een scherm, en grabbelt af en toe in een doos nootjes van de Colruyt. Veel meer heeft hij niet nodig, lijkt het.

De deken – ze moet oud zijn, er zit een gat in – het gras, de tuin, voor mij is dit een nieuwe plek. Een uitbreiding. In huis heb ik een box en een speeltapijt, en ook het verzorgingskussen is van mij. Mijn ruimte, waar de dingen gebeuren op mijn voorwaarden.

Het zijn nog losse vlekken, die ik niet kan verbinden. Kruipen is moeilijk. Mijn benen zijn sterker dan mijn armen, of andersom, in elk geval beweeg ik makkelijker achteruit dan vooruit. Of misschien zit het in mijn hoofd, nu al: dat terrein veroverd moet worden, en daarna verdedigd. Maar het begint me te lukken. Nog even, en ik sluip, dicht tegen de grond, overal naartoe, ga kasten opentrekken en de orde verstoren.

Papa staart nu voor zich uit, alsof hij het gevaar voorvoelt. Ik stop met mijn blokjes tegen elkaar te slaan, en zoek oogcontact. Ik moet hem intens aanstaren, dan gaat hij naar mij kijken. Hij glimacht naar me, zie je wel dat die truuk werkt. Ik rol me op mijn buik en trek aan de grassprietjes langs de deken. Je moet dat ook eens proberen. Het is zacht, een beetje fluwelig, met een scherp randje.

Ik verveel me.

Gelukkig schijnt de zon ondertussen op een hoek van mijn deken. Die lichtplek is een mooi doel, maar papa staat recht en pakt me op. Wat gaan we doen? Hij weet het zelf niet goed, we wandelen even door de tuin en dan maar weer naar binnen, het is te warm voor hem, en hij zet me neer op mijn speeltapijt.

Daar heb ik absoluut geen zin in. Soms wordt een vertrouwde plek in één keer beklemmend, en wil je er weg.  De open tuindeuren en de gordijnen vooraan, dicht om de warmte buiten te houden, maken het verschil. Ik begin te wenen. Het is moeilijk om me te laten vallen hier tussen al mijn rommel, ik heb hulp nodig. Papa legt me op mijn buik, gezicht naar de open ruimte. Hij blijft in de buurt, en ik doe mijn best. Ik wil naar hem toe kruipen.

Misschien moet ik eerst wat eten voor het me lukt. Misschien lukt het me nooit, al steekt hij zijn armen naar me uit. Ik zweet hier binnen al even erg als buiten, en wil wenen wanneer hij opstaat. Hij gaat een flesje voor me maken, ik hoor hem bezig. Ik draai rond mijn as en neem een autootje van mijn tapijt. Het komt allemaal goed.

We eten buiten, aan de tafel waar zijn scherm nog staat. Ik word helemaal zen van de warmte van de melk, zijn geur van geroosterd zweet, en de vogels die ik nu pas voor het eerst hoor. Wanneer het flesje bijna op is, sluit ik mijn ogen. Papa leest voor wat hij heeft geschreven.

Het gaat over mij, is het laatste wat ik begrijp. Dan val ik in slaap, en verdwijn in een ruimte die nog groter is, vol met zacht gras, snelle auto’s, en op de achtergrond een beetje jazz.

Ik hou van de zomer.

Liefs,
Vosje

Kompas

Ik herinner me de de toespraak van Colin Powell voor de Verenigde Naties als was het gisteren. Weapons of mass destruction.

Het was februari 2003, en een hersenvliesontsteking kluisterde me aan een ziekenhuisbed. Er gebeurde verder niets, het virus had mijn lijf in zijn greep en de tijd stond stil, als in een kinderfantasie waarin je even rond kan wandelen terwijl alle anderen,  de vlieg op het raam inbegrepen, in een freeze gevangen zitten. Even ademruimte, om de werkelijkheid van alle kanten te bekijken en een tikje te geven. Niet te hard, niemand mag weten van jouw magische truuk. Maar verder is mijn ijzeren gezondheid legendarisch.

Tot Vosje. Bron van geluk en vreugde, maar ook overdrager van heel veel ziektekiemen, waar ik op mijn gevorderde leeftijd blijkbaar erg bevattelijk voor ben. Maanden ben ik zo al kwijtgeraakt in 2017, en het jaar is niet eens halfweg. Afgelopen week was het weer zover. Buikgriep. Ik mag dan koppig zijn, na twee slapeloze nachten buig ik toch deemoedig het hoofd. Er zit niks anders op dan uitzieken. Eén dag wil ik me toestaan. Een dag als een groot gapend gat waarin ik de krachten die door mijn lijf gieren vrij spel zal geven. Verzet is nutteloos, ik kom er toch aan de andere kant weer uit, gelouterd en als nieuw.

Er valt verder niks te klagen. Het wordt gewoon een luie, vormeloze dag, soezend in de zetel naast de boekenkast. Er zijn half en helemaal niet gelezen romans, filosofen in hapklare pockets, hermetische dichtbundels en kortverhalen. Het recentste Liegend Konijn ligt bovenaan, maar voor poëzie blijkt mijn hoofd niet helder genoeg, en bovendien, ik moet toch weer rechtstaan, de laatste krachten sijpelen uit mijn lijf.

Het is al middag wanneer ik Jamal’s Herinneringen in aluminiumfolie probeer. Te droog en te dichtbij schuif ik het opzij, samen met die ene niet opgegeten boterham, mijn optimistische poging tot lunch. Even proef ik nog van Mathias Enard’s Kompas, een leven in de Oriënt en de liefde, samengebald in één slapeloze nacht. Maar eerst moet ik naar de apotheek. Echt.

Terug voel ik de koorts opkomen. Met een dafalgan nestel ik me opnieuw in de zetel, en drie uur dwaal ik tussen Parijs, Wenen, Istanbul, Damascus en Aleppo, tussen muziek en kunst, West en Oost en de vage grenzen ertussen, de negentiende eeuw en vandaag. Dat ik zelf ril van de koorts merk ik pas wanneer ik met bevende hand dit aanduid:

Ik wil me niet verdiepen in de namen van ziekten; dokters en astronomen dopen hun ontdekkingen graag met hun eigen naam, botanici met die van hun vrouw – à la rigueur is het misschien te begrijpen dat iemand dolgraag peetvader wordt van een asteroïde, maar waarom hebben die grote chirurgijnen huiveringwekkende en, wat meer is, ongeneeslijke ziekten naar zichzelf genoemd, hun achternaam is heden synoniem met falen, falen en onmacht, charcot, creutzfeld, pick, huntington, stuk voor stuk esculapen die (in een merkwaardige metonymie: de genezer voor het ongeneeslijke) uitgroeiden tot de ziekte zelf (….). 

Mathias Enard, Kompas

Wat weten we weinig! Wat weet ik weinig! Van het Midden-Oosten, die rijke wereld die Mathias Enard beschrijft al zo goed als niks – en nu is het onherroepelijk te laat, na Powells toespraak is geweld er de dominante kracht geworden. En wat leef ik zuinig! Ik kleur binnen de lijnen, risicoschuw als ik ben. Wat zal ik zeggen, straks, wanneer ik net als Franz Ritter, het hoofdpersonage van het boek, terminaal ziek zal zijn? Dat moment komt, het komt voor iedereen. Zal ik dan zeggen dat ik echt heb geleefd, dat ik er alles heb uitgeperst? Zal ik tevreden kunnen zijn met al mijn falen?

Maar eerst moet ik opstaan, een vlaag van misselijkheid treft me midscheeps. Het doet pijn, en even, even maar, terwijl de thermometer me vertelt dat de koorts maar blijft stijgen, veertig bijna, denk ik dat het al zover is.

Een lauw bad helpt. Ik kijk hoe mijn ouder wordend lichaam rimpelt, de tijd stil zetten is me na 2003 nooit meer gelukt. Het water ontspant me, ik val bijna in slaap. Ik beef niet meer, en terwijl het water koud wordt, wint mijn hoofd aan helderheid. Het is alweer voorbij. Ik sta recht, droog me zorgvuldig af.

De woonkamer is een puinhoop. Ik zet de radio aan, leg de stapels boeken recht en laat de gewone wereld weer binnen.

 

Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum

Sinds een maand of twee heeft Vosje een identiteitskaart. Een formaliteit, ter bescherming van het kind en de maatschappij, dat snappen we wel. Beveiligd en geplastificeerd bovendien, mét foto. Dat is vakwerk, want afmetingen, pose, achtergrond, alles ligt reglementair vast. En een kind van zes maanden zit nog niet echt stil voor de fotograaf – sterker nog, dat zit helemaal niet zonder een helpende hand die niet mee op de foto mag.

De kaart, babysnapshot incluis, is vijf jaar geldig.

We tonen ze trots aan de gate richting Napoli, waar de medewerker van de luchtvaartmaatschappij ze straal negeert. Vanuit zijn buggy lacht en brabbelt Vosje hem toe. Voorlopig volstaat dat nog om overal binnen te geraken. Als het ooit anders wordt, zal ik hem het volgende voorlezen:

Iedereen ging waar hij wilde, en bleef zolang als hij wilde. Er bestonden geen verblijfsvergunningen, geen reispapieren, en ik geniet steeds weer van de verbazing van jonge mensen als ik hun vertel dat ik naar India en Amerika reisde zonder een pas te bezitten of er zelfs ooit maar één gezien te hebben.

Al de vernederingen die vroeger alleen voor misdadigers waren uitgevonden, werden nu voor en tijdens het reizen opgelegd aan de reiziger. Je moest je van links en rechts laten fotograferen, en profil en en face, je haar zo kort geknipt dat ze je oren konden zien.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Ach, jij en je goede oude tijd, zal Vosje me dan zeggen. Je hebt ze niet eens zelf meegemaakt. En dat klopt. Stefan Zweig schrijft over het begin van de twintigste eeuw, toen vooruitgang nog een zaak van publiek debat was, waar mensen in geloofden. Een beetje naïef, dat zeker, maar de verbetering van het lot van alle volkeren was een ernstig onderwerp.

Misschien dat Vosjes generatie dat opnieuw ter hand neemt, maar voorlopig lijkt het erop dat we vinden dat er genoeg verbeterd is, dat het tijd is om af te bakenen en te verdedigen, dat iedereen meer te verliezen heeft dan hij een ander gunt.

Ook wij nemen in Napels extra voorzorgen. Met slechts één kredietkaart de straat op, en een beetje cash. Maar de Napolitanen schurken zich nog warm in hun winterjassen, het jachtseizoen op toeristen is nog niet geopend. We voelen ons onmiddellijk thuis, alles hier was ooit in aanbouw of restauratie, bijna niets is ook afgeraakt. Een volk van dromers en planners, met ongeduld kauwend op weer nieuwe ideeën voor deze zomer.

We wandelen van winkel naar palazzo, Vosje baant ons de weg, de oehs en ahs die met zijn verschijnen gepaard gaan met valse bescheidenheid wegwuivend. Ja, ook de jongen past hier, in het spoor van de vele Vlaamse, Franse en Duitse notabelen die hier ooit hof hebben gehouden.

Maar we willen nog verder terug in de tijd. De trein richting Pompeï – een nauwelijks aangeklede metalen doos, volgepropt met fris gewassen cultuurconsumenten en zwetende locals – is geen succes, en we stappen uit bij Ercolano. Ook hier ligt een antiek stadje dat met één zucht van de Vesuvius van de aardbol is weggeblazen.

Aan het begin van de Via IV Novembre wacht Lorenzo ons op. Hij prijst pizza’s, koffie en ijsjes aan, want je weet maar nooit waar die rare toeristen zin in hebben. We wuiven hem vriendelijk weg, straks misschien, eerst willen we terzake komen, de oude Romeinse cultuur wacht op ons. De straat is stoffig, oude mannen drinken koffie en spuwen fluimen tabak in de goot. We houden toch maar halt, we hebben honger en dorst. Panilandia klinkt als een groots opgezet broodjeszaakplan, maar met Alessandro’s beperkte middelen ziet het eruit als een ouderwetse Vlaamse frituur. Hij prijst burgers aan, maar je moet gaan voor de broodjes caprese, die zijn echt heerlijk.

De zon is mild, het stadje arm en vredig en we beelden ons in hoe het hier 1.938 jaar geleden was, net voor de uitbarsting. Niet veel anders dan nu, denken we, er zijn de rijke Romeinen die in grote villa’s wonen aan de prachtige kust, en de gewone man die zijn dagen slijt aan de kant van de weg, kijkend naar wat voorbijkomt, nadenkend over de nietigheid van het leven.

Een voortdurend toeterende vrachtwagen verstoort onze rust. Vanuit de laadbak verkoopt een jonge kerel kisten rijpe aardbeien. Acht bakjes voor maar drie euro. Een koopje. Wanneer de Italianen zijn uitgekocht stap ik op hem toe. Ik moet maar één bakje, zeg ik. Hij grijnst. Alleen de hele cassa zegt hij. En dat hij geen Engels spreekt. Ik kan zo’n cassa niet dragen, zeg ik, en dat we uit België komen, want dat wou hij ook weten. Hij heeft geen idee waar dat ligt, is nooit echt naar school geweest. In zijn blik ligt berusting en wat afgunst. Uiteindelijk kiepert hij de inhoud van de cassa, bakjes inbegrepen, in een plastic zakje en betaal ik hem zijn drie euro. Als de wereld dan toch nog mag verbeterd worden, kan ik net zo goed beginnen met méér aardbeien.

We laten een bakje achter voor Alessandro, eten zelf tot we buikpijn krijgen, en sleuren de drie resterende kilogram aarbeien mee naar de opgravingen. Het wordt warm, de aardbeien beginnen te gisten en nemen hand over hand in gewicht toe. Het lot van de mensheid verbeteren blijkt weer eens moeilijker dan verwacht. Plichtsbewust zoeken we elk nog één aardbei uit, de rest verdwijnt roemloos in een vuilbak.

Op de weg terug is Lorenzo nog even vrolijk als deze morgen. Hij prijst nu ook een coppa di fragole aan.