Vosje en de tweeëntwintigste eeuw

Hoe oud?  De moeder kijkt ons aan. Twee weken. De baby huilt zachtjes in haar wiegje. Dat mag ze, zegt de moeder. Ze heeft honger.  We staan in de smalle gang van een Hema. En jij? Voor wanneer is het?

Nog één week, lachen we. We smokkelen een dag, zo overtuigd zijn we dat de bevalling elk moment kan beginnen. 

De jongen van vijf die aan haar arm trekt wordt vriendelijk maar kordaat terecht gewezen. Ja, we gaan een pannenkoek eten. Straks. Dat hebben we zo afgesproken, dan hoef je er niet meer over te zeuren. Ze ziet er merkwaardig fris en uitgeslapen uit. En onbekommerd efficiënt.

Vandaag is het dus echt zondagochtend, 28 augustus 2016. De dag die in mijn agenda al maanden staat aangeduid met ‘Neo’. Afspraak met het nieuwe leven, dat mijn vriendin en ik samen hebben gemaakt. Maar voorlopig is ze nog een vrouw uit één stuk, een en al platgedrukte blaas, strakgespannen zenuwen en zeurende liesligamenten. Niet eens geboren heeft Vosje, zo noemen we hem, nu al lak aan conventies.

Vaderlijke trots komt snel en gemakkelijk.

Zonder brute pech gaat Vosje het feest van de volgende eeuwwisseling nog uitgebreid vieren. Dartel en speels als een jong veulen misschien, met dank aan de voortschrijdende medische wetenschap. De twintigste eeuw, waarin ik zo diep geworteld ben, zal voor hem onwerkelijk zijn, niet te begrijpen. Een generatiekloof van meer dan een eeuw.

Alles van waarde wordt ondertussen – opnieuw! – bedreigd, mededogen teruggebracht tot een gevoel wat je alleen in bed nog mag koesteren, beschaamd en privé, en dan nog. Beschavingen Gaan Ten Onder, met Grote Woorden en Veel Gedruis.

Maar, zo zal ik Vosje leren, dat hebben ze altijd al gedaan, het einde der tijden is immer nakend. Het is dat sommigen menen dat het niet snel genoeg kan gaan, en in hun haast struikelen over de onschuldigen en de niet-zo-onschuldigen, die ze dan achteloos aan de kant schuiven. Gebroken mensen. En dat anderen daar dan de schouders over ophalen, en eigen schuld mompelen.

Daar moet je voor opletten, Vosje, zal ik zeggen, en met mijn oude wijsvinger zwaaien. Zo mag je niet worden. Maar ik heb daar natuurlijk niets over te zeggen. Niet over zijn kwetsbaarheden, niet over zijn strijd.

Tenen Vosje

Woensdagavond, 30 augustus. In de elleboog van mijn linkerarm ligt Vosje te slapen. Ik tik het vervolg van deze bijzondere Bijgekleurd met één hand, op de telefoon.

Schrijven op dichterstempo.

Vosje blijkt een gewichtloze baby. Tenger en fijn, met grote ogen die nieuwsgierig rondkijken vanaf het moment dat hij voor het eerst op de buik van zijn moeder lag, dinsdagavond. Voortdurend in beweging, zoals hij al was voor hij werd geboren.

Nu ligt hij hier in mijn arm, en mijn zorgen over de grote wereld maken plaats voor die over de kleinste van alle werelden. Eet hij goed? Is hij echt, en dan bedoelen we échtentecht helemaal gezond en ok? Moet hij niet haast wakker worden? Is de mama gelukkig?

Het is nietigheid, natuurlijk, maar voor ons is het allesheid, en daar leeft Vosje nu van. Dat hij allesheid mag zijn. Straks pas laten we de wereld toe in zijn leven. Goed gedoseerd, in handpicked brokjes en beetjes, zoals ouders dat dromen te doen.

Maar zo werkt het natuurlijk niet. De wereld zal binnensijpelen langs alle kieren en gaten, geen bezorgdheid die dat tegen kan houden. Zo moet het ook, en ik kan alleen maar hopen dat hij me dat later niet verwijt – dat ik zijn gewichtloosheid niet met mijn zwaarmoedigheid besmet.

Hij opent zijn ogen en ik neurie een vrolijk melodietje, dat maakt hem rustig, zo hebben we al geleerd. Net als het strelen van zijn voetzolen, en zijn hele grote tenen. Ook ik word daar zen van – we gaan het leren, naar elkaar luisteren, begrijpen wat we van elkaar nodig hebben, samen gelukkig zijn.

Minstens voor even, voor dit moment, is er vrede in de wereld. Nu, hier, met dit nieuwe leven.

 

Naschrift. 

Bijgekleurd bestaat nu exact drie jaar. Elke twee weken een stukje, 750 woorden, een schitterende foto van Ria Aerts. Ik prijs me gelukkig met een trouw en gestaag groeiend lezerspubliek, en de vele ‘likes’ en commentaren. Heel veel dank daarvoor.

De komende maanden ga ik me focussen op mijn kleine grote roman, en vooral op de grote kleine man in mijn leven. Even geen tweewekelijkse Bijgekleurd meer dus, maar wel een experimentje af en toe, en op ’t onverwachts.

Stay tuned!

Drie minuten

De wekker staat drie minuten voor. Het maakt mij niet uit, hij resideert in een andere hoek van de slaapkamer dan ik, en zonder bril kan ik toch niet zien hoe laat het is. De drie minuten hebben ook geen verhaal tegen de dag die begint. Het is onomkeerbaar, net als dat andere leven, van werken en ingehouden geknarsetand, dat vandaag weer begint.

Weg is de tent in het zuiden op plaats zeventien, weg de geur van gras en zweet en vuile lakens. Weg de vakantie die dreef in de tijd, zonder begin en zonder eind. Weg is ook mijn geliefde, en de alledaagse geheimen die we deelden. Haar dag begint vroeger, ze stommelt beneden in de keuken. Ik dommel weer in, en dan knielt ze naast me op het bed, strijkt met haar hand door mijn krullen, en fluistert goedemorgen liefje. We kussen, en dan hoor ik hoe ze haar auto start.

Ik sta op. Een nieuw begin, een nieuw werkjaar. Ik heb geen zin om me te haasten, en ik vraag me af waarom het zo moeilijk is me los te maken van de verwachtingen van anderen. Het zouden natuurlijk ook mijn verwachtingen kunnen zijn, dat hou je niet zo makkelijk uit elkaar.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Letter en Geest, een spookverhaal van Frans Kellendonk, was het het laatste wat ik las, voor de tent, bij het licht van de gaslamp. Alles heeft altijd alles met jezelf te maken. Je wilde niet meer zo belangrijk zijn. Je wilde jezelf verliezen en je leven redden. Je bent gekomen om een mens onder de mensen te worden, in de hoop dat die stolp van ijdelheid aan scherven zou barsten. Het is je niet gelukt. Je denkt dat het je nooit zal lukken.

Zou ik dat kunnen? Die stolp van mijn ijdelheid een harde mep verkopen? Positie en carrière opgeven, weg van het schimmenspel van de macht? Of zou ik dat zachtjes moeten doen, zoals ik in de schemer van de tent alle donshaartjes op het lijf van mijn lief één voor één heb gestreeld, tot ze helemaal vloeibaar werd, en we samen klonken, het glas en de wijn, op het nieuwe leven?

Er kan veel in drie minuten. Ik snijd fruit, maak koffie, neem een besluit. Of nee. Ik neem me voor een besluit te nemen, straks, wanneer ik de prut uit mijn ogen heb gewassen en weer recht voor me uit kan kijken. Eerst moet ik naar het toilet, die darmen zijn zo kwetsbaar. Het kon zo mooi donker zijn, aan die tent, wanneer iedereen zijn gaslampje had uitgedraaid. Er waren sterren. Ik zag ze niet, zonder bril, maar zoals mijn lief ze beschreef waren ze stuk voor stuk uniek, anders. Er was leven op de planeten er rond, vertelde ze. Het hing allemaal van het licht af. Van de warmte. En een beetje van de vorm. Ze kroop dan dicht bij me. Rond mij.

Ik wil dichter bij mezelf leven. Het water van de douche bevestigt mijn ja-knikkend hoofd. Er moet een manier zijn om mezelf toe te laten. De kop die me door het waas van de spiegel aangrijnst, spreekt me tegen. Zou ik niet beter beginnen met anderen toe te laten? Is er niet al veel te veel ik in mijn zinnen?

Ik kleed me aan. Sokken, die voelen vreemd rond mijn voeten. En schoenen. Die geven als vanzelf de richting aan. Alsof er maar één waarheid is die meetelt, en alsof je kan weten welke dat is. Ik ga weer mails beantwoorden straks, een to-do lijst opmaken, en afvinken. Ik ga onderhandelen, mijn ideeën verkopen en als blijkt dat ik die niet heb, dan veins ik ze. Men gaat me aankijken, onderzoekend, om te zien of het wel echt is, of ik hen niet in het gezicht sta uit te lachen. Ik snap niet wat de mensen zo belangwekkend vinden aan de waarheid. De waarheid kun je ook opzoeken op Wikipedia. Maar in een leugen legt iemand zijn hele ziel bloot. Ook dat komt min of meer uit Kellendonk’s Letter en Geest.

De dag zal snel voorbijgaan. Eerste dagen doen dat. Ik zal terugkomen straks, ik zal ging wel mompelen tegen mijn lief en me schikken in de avond, die als vanouds veel te kort zal zijn. Zij zal vrolijk zijn en lachen, en pas ’s nachts, in de tuin, wanneer ik de gaslamp daar aandraai, zal ze zeggen verander mij, lief. Ik wil niet meer zijn wie ik was. Ik zoek leven, lief, maak mij leven.

Buikgevoel

Het zuiden in de zomer is geen paradijs. De hitte overdag is onverdraaglijk, de zon te fel en het blauw van de lucht te diep. Schaduw. Daaraan hou ik me vast, daarom hou ik toch van de zon. Maar zelfs in mijn hangmat tussen twee bomen puf en zweet ik nu, en voel ik me ongemakkelijk. Lezen lukt niet, niets doen is de enige optie, en dat stoort me. Bij normale temperaturen veroorloof ik me zinloos tijdverlies, maar het genot van dat schuldgevoel wordt me nu ontnomen. Het is gewoon te warm, en mijn lijf op leeftijd krult aan de randen op van de hilte. Ik ruik al de eerste brandgaten. ’s Ochtend heb ik nog tien kilometer gelopen, maar toen al voelde ik dat mijn spijsvertering de handdoek in de ring zou gooien.

Het is mijn zwakke punt. Anderen hebben last van kapotte knieën, een gezwollen lever, of een vasthoudende kortzichtigheid, bij mij slaat alle onheil op maag en darmen, alsof die zelf niet goed weten hoe het samenspel tussen al die buikholteorganen nu eigenlijk zou moeten klinken. Ik maak me zorgen, wetenschap beweert dat de darmen en hun flora ons denken bijna meer beïnvloeden dan de hersenen zelf.

Naast me ligt ‘Sex is Forbidden’, een roman van Tim Parks uit 2013. Het verhaal speelt zich af in een boeddhistisch centrum, waar mensen tien dagen komen om te zwijgen en te mediteren. De recensies van het boek zijn slecht, het algemeen oordeel van de literaire wereld is dat Parks in dit boek één enkel idee net iets te breed heeft uitgesmeerd. De constructie van het verhaal, de stelling waaraan het doek van de voorstelling is vastgemaakt, is te zichtbaar. Men verwijt hem luiheid. Voor mij een reden om het toch te kopen en te lezen. Geen beter studieobject dan het mislukt werk van een goed schrijver.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Hoofdpersonage is Beth, een vrouw in haar twintiger jaren, met ‘big eyes, big tits, big teeth, and a ton of frizzy hair’. Wanneer ze niet op de vlucht is voor het leven is ze de frontvrouw van een rockgroep. Het kind heeft (uiteraard) allerlei problemen, gulzigheid is daarvan niet het minste, en ze is wanhopig op zoek naar evenwicht. Dat hoopt ze te vinden door in het klooster als hulpje aan de slag te gaan. Een paradijs. Tot de oudere man met het dagboek langs komt.

De eerste pagina’s las ik gisteren op het strand. Leek me wel leuk. Een boek met die titel hoog geheven, tussen de blinkende blote lijven. Een waarschuwing en een uitnodiging tegelijk. Maar ik viel al snel in slaap, en vandaag raak ik ook niet verder.

Het is tijd voor een pastis, maar dat gaat net als een bezoek aan het strand niet lukken. Het leven is ellendig, de vingerafdruk van de schepper te nadrukkelijk aanwezig. Wel knap, wat Tim Parks probeert. Als zestigjarige man in het hoofd en het leven kruipen van een jonge vrouw.

Het is wat ik ook probeer te doen, in de ochtend, wanneer iedereen nog slaapt en de temperatuur te verdragen is. Ik ga naar buiten, en schrijf aan mijn grote kleine roman. Ook mijn hoofdpersonage is een jonge vrouw, al heb ik haar geen big tits meegegeven. Ze praat ook. Veel zelfs. En ze heeft seks. Niets wat Beth ook niet doet. De onvermijdelijke oudere man is bij mij een Duitse immigrant.

Wanneer ik niet meer weet hoe het verhaal verder moet, trek ik mijn loopkleren aan. Ik loop langs de waterlijn, en ben me meer dan bewust van het grote aantal onafgewerkte grote kleine romans dat in de cloud rondzweeft, of in nauwelijks leesbaar handschrift ligt te wachten op definitieve vergankelijkheid. Meer schrijvers dan lezers.

Allemaal ijdelheid. Slechts een deel dwarrelt neer op het bureau van een uitgever, die met een vermoeide zucht ruimte probeert te scheppen voor dat ene meesterwerk, die ene bestseller, en liefst van al de twee in één klap. Wat heb ik daar aan toe te voegen? Niets. Wanneer ik die gedachte toelaat, beginnen mijn darmen te protesteren.

Het boek van Tim Parks heeft een afdruk nagelaten op mijn buik. Waar het lag, is het vel nog bleek, de zonnemelk is in de opengeslagen pagina’s gedrongen. Zo’n symbiose tussen boek en lezer, zo’n onverwachte alomtegenwoordigheid van de schrijver. Vanaf morgen, denk ik. Dan ga ik er weer voor. Met discipline en volharding.

De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, maar het paradijs houdt zich schuil in de kronkelige zijpaadjes onderweg. Moeizaam sta ik recht uit mijn hangmat. Ik moet weer.

Grenscontrole

De wachtrij aan de grens is lang. Wanneer het eindelijk aan ons is, manen de militairen ons met hun wapens tot snelheid aan. Zij lijken nog meer verveeld dan wij, en dat begrijp ik wel, veel nut heeft het allemaal niet en zij staan hier al zo lang. De gekken komen van overal, en vaak ook gewoon uit hetzelfde dorp als de soldaten zelf. Hoe zouden ze er één kunnen herkennen? Erg lastig voor hij gekke dingen doet. Misschien zegt hij wel eens gekke dingen, maar dan zeker niet hier. Misschien schrijft hij ze op, is er instemmend geknik op facebook. Dat is er altijd, maar de soldaten vragen hoogstens af naar een paspoort, nooit naar een smartphone.

Of misschien denkt de gek gewoon gekke dingen, maar, zo weten we omdat we dat zelf ook wel eens doen, dat lucht vooral op. Niets om ons voor te schamen. Echt gevaarlijk wordt het pas als we gekke dingen beginnen te dromen, maar dat was deze nacht niet het geval, en we kijken de soldaten dan ook vrank en vrij aan. Ze zijn jong, en dragen zware wapens. Elke keer wanneer ik ze zie, in de stad of nu aan de grens, vraag ik me het af. Zouden zij gek dromen? Zij die weten hoe ze zo’n wapen uit elkaar moeten halen, verzorgen, weer in elkaar zetten en laden?

Maar dat gebeurt natuurlijk nooit. Gek worden zij pas achteraf, net als alle anderen, daar hoef je geen soldaat voor te zijn geweest, wanneer je voelt dat je echt niks meer te zeggen hebt. Dat het niet goed is, zoals het nu gaat. Dat je uitgepraat bent. Tegen jezelf. Tegen je gezin, waarvan je dacht dat je het had, maar dat verkruimelt waar je bij staat. Je dacht dat ze erbij hoorden, je partner, je kinderen, je hond, ze hoorden bij jou, maar nu hoor je ze praten over hun gezin. Dat gezin blijkt helemaal niet van jou, het is van iedereen die er deel van uitmaakt. Allemaal verschillende gezinnen bovendien, ieder vanuit eigen perspectief, terwijl jij er zo van overtuigd was dat het het jouwe was, het jouwe alleen.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com
En dan snap je niks meer, niet de buren en de wijk, niet het internet en de tv die je toeschreeuwt. En je verliest het allerdierbaarste, je begrijpt niet langer wat dat is, iemand graag zien. Een ander. En dan wordt het nog erger. Je gaat twijfelen. Heb je het eigenlijk ooit geweten, ooit gekend, de liefde? Maar dat kan je jezelf niet toegeven. Zo’n twijfels moet je overschreeuwen, van dat gat in jezelf word je woest, zo eindeloos diep is het. Dromen van de dood is dan nog een stapje van niets.

Dat moeten die jonge soldaten dus herkennen, zo’n gevoel, terwijl die eindeloze colonne gelaten en geërgerde auto’s voorbij schuifelt. Ieder heeft voor de dag een bestemming uitgekozen, er is een doel dat moet worden bereikt. Vastgesteld in overleg, een plan dat past in het grote plan, of een ingeving van het moment, dat maakt nu niet uit – alles wordt voor even lam gelegd door de onderzoekende blikken van jonge soldaten met zware wapens.

Het echte werk gebeurt in de controlekamers en de gekoelde datacenters van de macht. Dat weten we. Daar worden nummerplaten gescand en telefoonnummers gevolgd, en alles aan elkaar geknoopt. Dat weten we, maar we kunnen het niet zien, het is het constante gezoem op de achtergrond dat klinkt alsof er krekels in onze oren wonen. Zij sturen de colonne aan, net zozeer als ze instructies geven aan de jonge soldaten. We willen het ook liever niet weten, hoe ze ook stukjes van onze plannen, onze kleine dromen, flarden van onze levens aan mekaar knopen, en het allemaal maar van hun dromen en plannen afhangt of de onze nog door de beugel kunnen.

Want het bestaat. Dromen die met mannen en vrouwen aan de haal gaan, en hen gek maken, zodat ze zich eerst zelf krabben tot bloedens toe, en dan ons. Tot zelfs onze meest onschuldige dagdromen, vol vredigheid en goede whisky, voor dood in een hoekje gaan liggen.

Maar nu zijn we er voorbij, en terwijl de snelweg zich beloftevol voor ons opent, zeggen we tegen elkaar, twee zielen die aan mekaar zijn blijven haken en de lavendel onder elkaars oksels zoeken, wat fijn dat er weer niets is gebeurd, dat in dit rusteloze leven dat we leiden, waarin zoveel gebeurt, dat er nu even niets is gebeurd.

Minnestreel

Het is bijna negen uur ’s avonds, en we dwalen door Bolzano, op zoek naar een café waar we kunnen zien hoe het Belgische elftal Wales in de pan gaat hakken. Het is hier druk. De hipste locals hebben hun tattoo’s opgeblonken en iets elegants aangetrokken, en hun gelach en getater vult de nauwe straatjes. Uiteindelijk belanden we op de Waltherplatz. Voluit Piazza Walther von der Vogelweide – hier in Zuid-Tirol, net over de Oostenrijkse grens, mengen ze Duits en Italiaans met de vanzelfsprekendheid die eeuwen haasje over springen met landsgrenzen met zich meebrengt.

Er staat een groot scherm. Een donker scherm.

De afstandsbediening is nergens te bespeuren. Morgen, wanneer Italië Duitsland de duvel zal aandoen, dan zal dat hier vonken geven. Maar nu beheerst stil gekeuvel het plein. Walther zelve kijkt weg, richting kathedraal.

Hij is de beroemdste van alle middeleeuwse dichter en zangers, de man die het in ons collectief onderbewustzijn heeft geschopt tot prototype van een minnestreel. Verarmde adel, talent ontwikkeld dankzij de bescherming van een lokale vorst en een oude leermeester, en dan, zodra de lokale vorst overlijdt, een leven lang rondzwerven. Op zoek naar eeuwige roem, eten en drinken, en wat liefde af en toe (dat hoofse hoeven we niet te overdrijven). Zoals  een hedendaagse popzanger.

We hebben nog tien minuten voor de match begint, ons hotel is een kwartier wandelen ver. Toch maar terug de straatjes in. Zo belangrijk is voetbal nu ook weer niet.

Maar dan. Een poort naar een binnenkoer staat open, een geplastificeerd A4’tje wijst de weg. België – Wales. In een theater. Sfeer! Landgenoten! Welshmen misschien wel, dan kunnen we verbroederen.  Zo zie je maar, wanhopen hoeft echt niet. Het is nog even zoeken naar de ingang van het theatertje. Het is er ook verdacht stil. Maar na nog een deur zijn we er.

Er is niemand.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Dan horen we gestommel. Een jonge kerel komt op ons af. Ja hoor, hij toont ook vandaag voetbal. Maar het is niet zo’n belangrijke match, dus verwacht hij niet veel volk. Morgen, ja, dan. Hij zet zijn projector aan. Nu kunnen we niet meer terug. We halen wat te drinken en zetten ons in een sofa op de eerste rij.

De jonge kerel dooft de neonlampen, en tweeëntwintig jonge kerels beginnen aan hun arbeid. De eerste tien minuten gaan prima, en we kloppen ons al zelfvoldaan op de borst. Het lelijkst versierde opdondertje van linkeroever trapt hem erin, en we zijn zeker. Dat gaan we hier nog goed doen. Tijdens de rust onderbreekt de RAI de reclame voor een extra tv journaal. Er is een gijzeling aan de gang in Bangladesh, en er zijn Italianen bij betrokken.

Ons optimisme was niets dan hybris, zo blijkt in de tweede helft. We falen. Beter: zij falen, de trainer op kop. We drinken ons laatste glas leeg, halen de schouders op en wensen de theatereigenaar meer succes morgen. Falen is eigenlijk helemaal niet zo erg, het laat perspectief voor later. Op succes kan je alleen maar terugkijken.

De dag erna staat het Waltherplein vol. Met Italiaanse vlaggen getooide kerels spreken er Duits met elkaar en drinken pils. Er zijn ook wat aanhangers van de Mannschaft op het plein. Wij besluiten om voor de Italianen te supporteren.

Alweer een foute keuze, blijkt na achttien penalties. Walther von der Vogelweide zou er een gedicht hebben over geschreven, in zijn Zuidtirools dialect. Een hekelgedicht ongetwijfeld, want de man had een bittere geest en een scherpe pen. Hij paste eigenlijk nergens, overal werd hij na een tijdje weer buiten gegooid.

Pas toen hij al eeuwen dood was, en definitief onschadelijk, werd hij door de Duitse romantici gerecupereerd. Zij gebruikten hem om een verleden dat ze zelf verzonnen hadden in te kleuren, projecteerden hun idealen in zijn teksten. Ook Wagner had wat met de man. En met dat standbeeld op een plein in Italië zou hij eens flink hebben gelachen. Net zoals alle profeten in wiens naam vandaag geweld wordt gepleegd, verbaasd het hoofd zouden schudden bij het zien van zoveel domheid en geweld.

De Duitstalige Italianen in Zuid-Tirol hebben er geen last van. Bij het begin van de penalty reeksen laten ze een flessen prosecco aanrukken. Te vieren valt er zeker iets. En ach, dat er daarna nog wat hommeles ontstaat op één van de terrasjes? De meisjesstemmen laten er geen twijfel over bestaan. Dat gaat om wat echt belangrijk is.

Hoofse liefde.

Niets is voor altijd

Het appartement ligt op de tweede verdieping. Een drukke weg, nog net binnen het bereik van de tram. Wanneer je naar buiten kijkt, zie je in de verte een Van den Borre, gevestigd in wat ooit een trotse garage moet zijn geweest. Vanop de ingang priemen drie vlaggenstokken modernistisch omhoog. Elke dag gegarandeerd de laagste prijs, geen wonder dat er geen geld is om vlaggen te hangen of het beton op te kalefateren.

Ik heb gereageerd op een tweedehands zoekertje. Nog goedkoper. Ik ga voor een tweede leven.

Er wonen hier alleen nog maar Polen, zegt de Vlaamse vrouw die me ontvangt. Ze zegt het op exact dezelfde toon als ze vroeger er wonen hier alleen nog maar Marokkanen zou hebben gezegd. Ik woon hier zelf nog maar een jaar. Dit is dichter bij mijn vriend. Die woont daar. Ze wijst naar een brede zijstraat. Niet echt een goede buurt, ’t schijnt dat ze daar in drugs doen. Vanop zijn balkon zwaaide hij soms naar hier. 

De doos met boeken staat op de grond, voor een massieve notelaren kast. Ja, ik ruim alles op, zegt ze. Mijn vriend heeft drie weken geleden een beroerte gekregen. Zijn linkerkant is helemaal verlamd. Daarom doe ik ook de tapijten weg. Interesseren die je niet?

De tapijten zijn geelbruin, en zonder twijfel van onberispelijke kwaliteit. En alle spullen die een bomma verzamelt, he, zegt ze, die mogen ook weg. De kleinkinderen zijn er uit gegroeid. En ge koopt veel te veel, als bomma. Ge ziet dat graag, kleinkinderen. Ze wijst naar een doos babyspeelgoed, en wat blitse jassen. Maar ze geven zoveel terug. 

De jongste heeft een open ruggetje. Daar heb ik zo’n McLaren voor gekocht, een grote, die gaat mee tot haar twaalfde.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Ze moet er zelf even bij slikken. Er zijn ook chique kleedjes. Nooit gedragen. Ze duwt me een eigeel mantelpakje van Dior in de handen. Ik probeer stiekem naar de maat te kijken. Vroeger was ik veel smaller. Maar ja, twee keer kanker gehad, en een trombose, en dan al die pillen. Vijfentwintig kilo. 

Ik kom voor de boeken. Alleen voor de boeken. Ze heeft een eerste druk van Pieter Magerman’s Trekvogels. Uit 1931. Dat kent u niet. Dat is normaal, ik kende het ook niet, maar een paar Bijgekleurds geleden moest ik wat opzoeken over vogels, en al dwalend door google kwam ik de man tegen. Actief tussen de twee wereldoorlogen, schrijver van pessimistische toneelstukken. Ellende.

Ik ben pas van stijl veranderd, zegt ze. Ik zie dat graag tegenwoordig, die Scandinavische meubels. Ik heb ze overgenomen van een vriendin. Die is gestorven. Ze was nog jong. Kanker. Vindt gij nu dat die grote kast daar nog bij past?  Het zijn mooie Scandinavische meubels. En dan moet er nog een jukebox bij.

Pak die doos boeken zelf maarIk heb geen kracht meer in mijn armen. Mijn rechterarm is zeven keer geopereerd, die is nooit meer helemaal goed gekomen.

Trekvogels gaat over het harde leven van Vlaamse seizoensarbeiders, in het onherbergzame Noord-Frankrijk, waar de luchten nog lager hangen dan bij ons, en de grond nog drassiger is. Het boek zit helemaal onderin de doos.

Hoe kom je aan dit boek, vraag ik.

Mijn vader heeft die schrijver nog gekend. Het was zijn baas op het ministerie. Die deelde dat uit, die boeken. Ik heb het opgezocht, ze zijn wat waard nu. Niemand heeft het ooit gelezen. Ik ben nu elke dag in de kliniek, bij mijn vriend. Van ’s middags tot ’s avonds, ik heb niet zo veel tijd om alles hier verder op te ruimen. Ze leidt me naar een andere kamer, waar ook alles te koop is.

Dank je wel, zeg ik, en ik haal mijn portefeuille boven om de Magerman te betalen. Ook ik ga het ongetwijfeld niet lezen.

Op het kastje in de hal staat een glimmende helm. Ik heb tickets gekocht voor de Grand Prix in Nederland dit weekend, zegt ze. Dat is de passie van mijn vriend, zijn lang leven. Zijne moto. Maar dat gaat nu niet meer lukken. Ik heb een brief geschreven naar Agostino, dat is zijn grote held. Niet dat die tot in de kliniek zal komen, maar ge weet nooit. Zo’n legende.

Allez, ge weet het, als ge nog iemand kent die hier iets van kan gebruiken, zeg het door. 

En dan is er geen ontkomen meer aan. Ze kijkt me aan, haar ogen een beetje vochtig. Feiten en fictie binden ons, voor altijd.

Natte kussen. Zonder raak ik hier niet buiten.

Overwerk

Een harde tik, gevolgd door een beetje ruis. De helft van de verlichting dooft.

Het moet zeven uur zijn, stipt. Ik zucht, sta op en rek me luidruchtig uit. Ik blijk de laatste te zijn op de verdieping. Alle mensen zijn weg, op de tafels ligt hoogstens een verdwaald potlood of een leeg blad, maar verder is het een dorre woestijn. Dat hoort zo, de clean desk  maakt deel uit van de flexplek strategie, die het aan medewerkers verbiedt om zich te nestelen. Iedereen nomade. Een bedrijf met bindingsangst. Er moet een procedure zijn om verlichting te verkrijgen wanneer je het nodig hebt, maar ik laat het zo.

Een tic nerveux teistert mijn linkeroog. Stress, of te lang naar een scherm gekeken vandaag. Ik zoek het toch nog even op, voor de zekerheid. Een myoclonus heet dat. Onheilspellend voorteken van vele aandoeningen van het zenuwstelsel.

Mijn spreadsheet is verre van klaar. Ik ben op zoek naar schoonheid, en dat duurt even. Er zit een patroon verborgen in de cijfertjes, ik weet het zeker, en wanneer ik het kan bovenhalen, zal de oplossing voor het probleem, en bij uitbreiding voor mijn leven en het universum in ’t algemeen, zich in al zijn schitterende eenvoud aan mij vertonen.

Een beetje zoals gisteren, voor we ruzie maakten, en nadat mijn vriendin en ik samen klaar waren gekomen.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Ik ben er bijna, ik voel het. Maar eerst moet ik naar het toilet, aan de andere kant van de verdieping. Het is een verre tocht, en de stilte weegt zwaar. Het plafond hangt laag en dreigend in de schemer. Geen stemmen meer, en ook het eeuwige gezoem van de airco is stilgevallen. Eerst sluip ik, geniepig als een vos, voorbij de kasten en de bureau’s. Maar met het heldere waaklicht van de toiletten in zicht trek ik een spurtje.

Ik ga voor de damestoiletten. Ik wil me inleven, mijn empathisch vermogen verhogen, beter mijn best doen. Uit de kale, treurige en reglementair gedesinfecteerde en ontzielde plek valt niets af te leiden. Ik plas zittend en met de deur open, maar dat helpt niet. Niet echt. Niet spannender dan de twijfel of de deur in mijn rug op slot moet, wanneer ik in een pot plas, gezicht en piemel voorwaarts gericht.

Het was hooghartig van me om gitaar te willen spelen. Net op dat moment. Ik ben er helemaal niet goed in, en weet dat ik het alleen in complete afzondering mag doen. Ik had echt niet als eerste mogen rechtstaan, alsof ze al vertrokken was. En beginnen neuriën, vals uiteraard, alsof ik me alles kon veroorloven.

Dan maar terug naar de cijfers en formules. Ik moet een hypothese opstellen, advies formuleren. Ook wanneer de dingen niet zo samen blijken te hangen als ik zou willen. Klaarkomen schrijf je aan mekaar, maar kwam klaar, in zijn verleden tijd, zijn twee aparte woorden, de unie verbroken. Zie, zelfs de Nederlandse grammatica geeft me subtiele hints.

Ik snap niks van het vrouwelijk orgasme, had ik gezegd. Wees blij, antwoordde ze. We lagen nog naast elkaar en ze lachte er warm bij. Het laatste wat we willen is doelgerichtheid. Of misschien toch wel. Enfin, dat hangt er van af. Ik zuchtte, stond op, en rekte me luidruchtig uit.

Het richtingloos getokkel op de gitaar was er daarna te veel aan.

Ik ben een volhouder. Deze spreadsheet zal ik afmaken, deze rekening zal kloppen, al moet ik van dit onherbergzaam kantoorlandschap een slaapzaal maken. Morose, zei een Franstalige collega daarstraks. Doods. Het is hier zo morose. Waarom is dat geen Nederlands woord? Het klinkt zoals ik me voel.

Creutzfeld-Jacob. De gekke koeien ziekte. Treedt op vanaf je vijftigste, ongeveer. Myoclonus is één van de eerste symptomen. Dat moet het zijn.

Ik ben een gekke koe, sms ik.

Ik probeer een nieuwe pivot table, met één oog op de gsm naast me.

Onnozelaar.

Yes! Het heeft geen vijf minuten geduurd.

Ik antwoord onmiddellijk. Dat is een symptoom, inderdaad. 

Nu blijft het stil. Ik had er misschien kusje aan toe moeten voegen. Ook al heb ik nu helemaal geen zin in een kus, die verdomde spreadsheet moet af.

Kusje.

Ik heb het toch maar verstuurd. Ik weet het, ik ben een sukkelaar.

Wanneer kom je?

Ik sluit mijn pc af en zoek de nachtuitgang. Vijf minuten later kan ik de securitas agent goeiedag zwaaien. De zomeravond is mild. Ik heb het gevonden, sms ik. Kusje.

Zo slecht voelt dat niet, een gekke koe zijn.