Perth

Stolen Property, het liedje van The Triffids dat aan de basis lag van de blogpost ‘David McComb’, is me nog een tijdje blijven achtervolgen. Dat heeft het volgende gedicht opgeleverd.

 

Perth

Schotland, stelt de auto voor.
Ik heb geen zin in discussie.
Mijn knie leunt tegen de luidspreker in de deur,
De bas kruipt in mijn lijf.

Ik open mijn mond, het is niet mijn stem.
Licht en lucht bezetten de ruimte, stof waait binnen,
De wind doet maar wat met mijn tranen,
Wat ik wil doet niet ter zake.

Australië, roep ik, en rijd weer verder.
De blauwe pijl op de kaart is onverstoorbaar.
Ook de tijd heb ik maar ergens gestolen
Waar, van wie, niemand die het nog weet.

 

Jazz

Jazz

De pianist kromt zijn vingers rond de toetsen.
Zachtjes, zoals alleen een oude man dat kan,
roerend postcoïtaal.

De zon helpt. En de wind. En de regen die niet valt.
Het moet teder zijn geweest. Haar handen
Op zijn brokkelig lijf, zijn lippen droge wolken, dansend.

Het stuk dateert uit de jaren zestig, of daaromtrent, zegt hij.

Net als ik, denk ik, en kijk naar mijn handen,
De insectenbeten, de eerste lentigo. Streelhanden, nooit
Het hout van meubels, de stenen van muren, het gruis van grond.

Toen leek alles nog moeiteloos, behalve misschien
De coïtus zelf, en het genot van free jazz.

 

Over dit gedicht schreef de jury van de Turing wedstrijd 2015 het volgende:

Wat een nostalgie ademt dit gedicht. Het is jouw jazz improvisatie met woorden. Het beeld van vingers die zich rond toetsen krommen is verwarrend, maar tegelijk kan ik me een perfect beeld vormen van wat je wil zeggen. Voor de rest alleen maar stilte en genot voor je woorden.

Maar dat was niet voldoende om het bij de beste 100 te klasseren … Deze jazz strandde in de tweede ronde.

De zwaan

De zwaan

In de fabriekshal waar God aan het leven knutselt,
Staan ze op een rij.
Een dozijn prototypes van wat zou kunnen worden,
De zwaan.

Sommige kregen de kleuren van een papegaai,
andere hebben streepjes
(God vindt de zebra zeer geslaagd).

Een paar hebben er trappers en een ketting,
Te betalen per half uur.
De rest heeft vleugels en een nek,
Die je nog kan breken, een half leven later.

Aan tafel zit Hij met zijn assistenten.
De discussie verloopt niet sereen en de knopen zijn lastig.
Wit van ver, zo begint het zeker, maar dan.
Een herinnering, of toch maar een souvenir?

 

Dit gedicht verscheen in de oktober editie van het gezeefde gedicht. De site heeft trouwens een nieuwe en geslaagde lay-out. http://www.hetgezeefdegedicht.be

Writer’s block

Het is al laat op de avond, en we hebben wat gedronken. De wereld is een ingewikkelde plek, zucht ik. Aan de toog wordt instemmend geknikt. En dan heb ik het niet eens over de toestand in Syrië, zeg ik, of de nieuwe James Bond, of over alle business modellen die dreigen disrupted te worden.

De toog neemt gemakshalve aan dat er een verhaal over een vrouw zal volgen, maar dat is niet waar mijn geest mee bezig is. Want er is één ding waar ik nog minder van begrijp.

Koperdraad.

Dat wondere materiaal waar alle energie en data door stroomt.

Zolderkamers, die begrijp ik wel. Schaars verlicht als ze zijn, met enkel een dakraam en een peertje dat ondertussen buiten de wet is gesteld, geven ze toegang tot het dak, en iets als omgekeerde zwaartekracht zorgt ervoor dat spullen er zich terugtrekken voor ze transformeren tot vintage, of besluiten definitief te ontbinden.

Een grote held ben ik niet, tijdens wilde stormen kruip ik niet door dat dakraam om een overlopende dakgoot te ontstoppen. Liever warm ik me op zo’n regenherfstdag aan dat gloeiend lampje. Ik zet me dan op een afgedankte keukenstoel, snuif de houtgeur op, en luister naar het huis dat zijn opgespaarde gekraak lost in diepe zuchten.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Daar zit ik dan, met gesloten ogen, zelf heel en al koperdraad en medium, verbonden met de geschiedenis van het huis. Deze zolder is al zo vaak helemaal leeg gemaakt. Mensen hebben hier afscheid genomen, hun herinneringen voorzichtig van de muren los geweekt.

En af en toe, terwijl ik daar zo zit, stroomt er gedicht door mijn koperen aderen. De woorden rollen dan in mijn mond, haken achter de huig, en stuiteren tegen de oude spullen. Enfin, dat geldt toch voor sommige gedichten, vooral die over jazz.

Het was op zo’n moment, ik had net een eerste strofe klaar

De pianist kromt zijn vingers rond de toetsen.
Zachtjes, zoals alleen een oude man dat kan, roerend postcoïtaal.

dat het peertje het met een zachte plop begaf. Het was al donker buiten. Ik dacht me een weg naar de deur, maar struikelde onderweg toch over een stofzuiger die pas ziek was geworden.

Een lamp vervangen lukt me doorgaans nog wel. Ik vond er de volgende ochtend een paar, maar ze weigerden allemaal dienst. Elders waren ze verblindend helder, er was dus iets anders aan de hand. Had de antieke gloeilamp de fitting mee gesleurd in zijn ondergang? Heel de elektrische voorzieningen op het hoogste niveau van het huis onklaar gemaakt?

Writer’s block. Een tweede strofe schrijven zou zo niet meer lukken.

Het stopcontact bleek nog in staat het amechtig gepiep van de stofzuiger te voeden. Oef. Maar toen ik me met krakende knieën over de stofdraad boog die in grote lussen tot aan de fitting leidde, bleek links en rechts wat dof koper te zien, het plastic helemaal verduurd.

Ik kwam met een grote glimlach weer beneden. Er moet een nieuwe draad komen, zei ik. En een nieuwe fitting. En een lamp. Meer dan gefrons leverde het me niet op. En de mededeling dat de Brico open was.

Ik heb een bloedhekel aan die winkel. Als een analfabeet in een boekwinkel, zo voel ik me daar.

Allez, zegt de toog. Wij vinden dat net plezant, het is één van de weinige plekken waar je nog te hard mag lachen.

Ik sluip er voorbij de verfafdeling, waar een mooie vrouw een pot sepia bestudeert, en kom bij de elektriciteit. Een bak wurgnippels. Echt. Zo’n mooi woord. En zeven soorten draad. Ik kies er willekeurig eentje uit, beslis dat ik er negen meter van nodig heb, én maak gebruik van de speciale aanbieding: een kabelknipper. Een beetje beschamend aan de kassa – een vent van mijn leeftijd die zo’n basisstuk niet in huis heeft – maar de inspiratie moet in goede banen worden geleid.

In een hoekje staat designverlichting, en ik kies er een grote bol uit, met fitting. Veel te duur, maar de start van de definitieve inrichting van de zolder. Dat moet nu maar eens, anders komt die roman er nooit.

Terug thuis ga ik meteen aan de slag. Ik verzamel kaars en een opgeladen smartphone, schakel onder luid protest de hele elektriciteit uit, en pruts de contactdoos open. Nog meer koper. Ingewikkeld. Ik neem een foto, en begin aan de operatie. Een uur later sta ik weer beneden.

Een knal zeker?  De toog heeft al leedvermaak.

Nee, zeg ik. Niets.

Geen knal, alles in huis werkt nog. Behalve die lamp op zolder. En het stopcontact. Dat doet het nu ook niet meer.

Badminton

Badminton

Men roepe het af en zegge het voort,
Bij tent zeventien is een pluim uit de boom gevallen.
Uit een gat, of daar ooit geslagen,
Door een machtige arm aan een racket.

Je stelt je voor hoe plots doorbroken,
Het ritme van twee lijven stokt,
Die pluim aan ei verkleven,
Smash, en set.

Op dit terrein zijn we eerlijk,
Speuren naar billen waar de pluim in past.
En roepen het af en zeggen het voort,
Bij tent zeventien is een pluim geplant.

 

Dit gedicht is opgenomen in de ‘zeef van de maand’, oktober 2015, op http://www.hetgezeefdegedicht.be  En zoals steeds zijn ook de andere gedichten zeer de moeite waard.

 

Bij de oogst

Bij de oogst

Je denkt, straks is het avond
En warme lente en alles rustig.

Er brandt een lamp en je denkt,
Dat ben ik, met al mijn wijsheid.

Je denkt, ook toen was het avond,
En warme lente en alles wit.

Er brandt verlangen en je voelt
Dat ben ik, dat is hij, dat zijn wij.

Er moest gezaaid en zijn blik
Schatte de oogst veel en rijp.

En dan is het avond en is je plaats
Aan de voet van de tafel.

Alles praat behalve jij, jij denkt
Aan het verlangen en kijkt.

Naar de steekvliegen die twijfelen
Tussen de lamp en jij.

 

 

Dit gedicht is opgenomen in de ‘zeef van de maand’, september 2015, op http://www.hetgezeefdegedicht.be.  Lees zeker ook de andere gedichten, ze zijn zeer de moeite waard.

Gesprek over lineaire vs circulaire tijd

Omdat het zomer is, of gewoon omdat er ik zin in heb. Een geheel poëtische, lichtjes breedsprakige bijgekleurd, deze keer.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

 

Gesprek over lineaire vs circulaire tijd

Wat te denken? 

Het woord retromingent ken je niet, het bestaat niet eens.

Achterwaarts plassen, als man?
Met een boogje over je schouder,
Door de knieen gezakt, tussen de benen door,
Steunend op één hand en twee voeten, zorgvuldig,
Vanop paard of fiets, met een behoorlijke snelheid,
Of doen alsof, en je omdraaien?

Zij lacht een druppel in haar slipje.
Wasbeer, zegt ze, is een voorbeeld.
Een neushoorn kan het ook.
Jij niet.
Alle vrouwen kunnen het,
Maar wij kunnen dan ook meer.

Een aanfluiting, weerleg je,
Ik ben toch je washand en je eenhoorn?

En elke waarheid die uit je lekt 
Vang en vat ik
Stilstaand en aandachtig, steunend op mijn andere hand, 
Zonder te kijken over mijn schouder of
Diep door de knieën te gaan.

Wat te doen?

Tussen het geroezemoes van roes en roede stroopt het bloed zich op
Ze kronkelt cirkels in rood krijt op mijn borst.
Het gaat alleen maar voorwaarts, jouw leven, houdt ze vol,
Een kwestie van tijdigheid en tijdelijkheid
Niet van eb en vloed en maan en zon.

Belachelijk, spreek je tegen,
Sterren en planeten bepalen jouw koers
Net zo min als de mijne, wij zijn gelijk 
Maar niet hetzelfde, ook jij streeft naar de strepen
Die kometen nalaten, en ik verlang naar zwarte gaten 
Om me op te slorpen, hier onder de rode kornoelje.

Wanneer, heeft ze het laatste woord, en niet zozeer waar 
We stil zijn en zwijgen, en met het hart op de tong,
Ik jou een zoen offer, en jij
Mij de oorsprong van het leven verklaart,
Alleen dan weten we,

Wat te voelen.