Gebrek nr 5: de kunst van de idolatrie

Terwijl ik dit schrijf, maakt een man in een pak en een streepjesdas de winnaars van de Nobelprijs Literatuur bekend.

Dat was een heel gedoe op facebook deze ochtend, een beetje vrolijk en ironisch want we maken als taalgebied toch geen kans, en we houden een zekere afstand – en dat kan ik weten want ik zit te zwoegen en te ploeteren op een stukje tekst waarvan ik niet zie hoe het ooit gaat passen in die tweede roman, en het is waardeloos bovendien, het gaat nergens over en het is lelijk, lelijk!

Wanneer ik zo zwoeg, kan ik aan de verleiding van internet in het algemeen en facebook in het bijzonder niet weerstaan. Uiteraard zoek ik ook mezelf op – sinds Morgenster in de boekwinkels ligt / heeft gelegen ben ik ook een beetje een publieke naam. Zondag trad ik nog op, in Bergen-op-Zoom, voor een gezelschap aspirant schrijvers. Het deed mijn ego deugd, ik vertelde er dat discipline allernoodzakelijkst is als je een roman wil schrijven. Ha. Zie me hier nu zitten, ten lange leste gevlucht naar Bijgekleurd, mijn veilige haven.

De kansen dat ik ooit word geroemd for an influential work that with linguistic ingenuity has explored the periphery and the specificity of human experience zijn onbestaande. De lof die mij wordt toegezwaaid, ook ergens op facebook, is dat iemand na het lezen van het boek naar het huis Morgenster is gaan kijken, op een druilerige zaterdag in oktober, en daar iemand anders aantrof, een onbekende. Een goed boek, vonden ze allebei, en dronken nog een koffie samen.

Ik weet niet of deze ontmoeting tussen twee mensen die ik niet ken, influential is, of ik daarvoor bewonderd zou moeten worden, op een schild worden gehesen. Het is een kwestie van schaal, allicht. Bij dichte drommen, en de politie die de straat moet afzetten, ja dan. Als het vaker gebeurt, toch. Of als er een mooie vriendschap uit groeit, misschien zelfs een liefde, dan ja.

Ondertussen, alweer op facebook, worden de winnaars van vandaag bewonderd en verguisd. Het gaat nauwelijks over literatuur, maar over links vs rechts, en dat politiek nu eenmaal deel uitmaakt van de specificity of human experience, een samenleving moet worden georganiseerd, en ik weet het, ik wéét het – dat mag je echt niet enkel aan politici overlaten. Daar zijn stemmen in de breedte en de diepte voor nodig – ook Morgenster is een politiek boek.

Maar mij lukt het niet, dat eindeloos bewieroken respectievelijk afkraken van helden, dat doorgedram en geanalyseer over goed of fout, beter of écht slaapverwekkend. Wat doet dat met die mensen? Eén aspect van je leven, je karakter dat tot boven je hoofd uitgroeit, alles wat verder in de periphery van jouw human experience is negerend.

Wees maar eens Trump, of Greta Thunberg. Of Romelu Lukaku. Of Bart De Wever, Zwangere Guy, het maakt niet uit. In alle gevallen: een held voor velen.

Hoe kun je dat iemand aandoen, hoe doe je dat jezelf aan?

Weet je wat, misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven. Over heldinnen en helden, larger than life. En dan twee mensen die mekaar ontmoeten, achteloos.

Zo. Ik kan weer verder.

(Ik weet het, eigenlijk had Bob Dylan hier moeten figureren, maar zeg nu zelf – dit is toch een geweldig aanstekelijke jonge Bruce. Kijk, die bewonderde ik dus echt, in mijn apenjaren.)

Een echt boek

Een echt boekDat is al genoeg. Eén waarvan de puzzelstukken kloppen, waarin iets gebeurt, waarin de personages zich ontwikkelen en de stijl je dwingt om verder te lezen. Gewoon. Een echt boek.

Ja, dat zei ik dan, bij de derde Duvel, of de tweede latte. Moya en de anderen van ons schrijversclubje lachten een beetje met die lome ambitie. Je moet toch iets toevoegen aan de literaire canon, iets brengen wat nog nooit is gebracht! Echte boeken zijn er al genoeg! En bovendien, was die niet dood, de roman?

Het was een magische avond, maandag 17 februari, in zaal 7 in de Cogels-Osylei. Harold leidde in, Johan interviewde, Moya las voor en vertelde. Over wat dat is, schrijven. Zes keer dat eerste hoofdstuk. Zes keer luisteren naar detailkritiek. Jezelf dwingen om je ambitie scherp te krijgen. Wat wil je nu precies zeggen? Wat is daarvoor de beste vorm?  Blijven twijfelen. Aan de kwaliteit van het idee, aan de kwaliteit van de uitvoering. Weten dat het niet deugt, eigenlijk, en toch doorgaan. Totdat het een beetje acceptabel wordt. En dan nog.

Het is net het als het leven, schrijven. Je kan geen acht suikerklontjes eten als er maar zes op je bord liggen. Het moet kloppen, iemand moet de tafel dekken en iemand moet gedachteloos met tang en suikerpot aan de slag.

Zonder het schrijversclubje, waar Moya (het zijn trouwens haar suikerklontjes, op de koffie van een begrafenis, waar met het eten van suiker iets moois en vreemds begint – die onuitgegeven surrealistische roman dus) deel van uitmaakt, samen met Hilde en Jelle (en in het begin ook Lenny Peeters, maar die was te snel klaar met Dochter), zou Morgenster er niet gekomen zijn.

Najaar 2015: tien nieuwe studenten melden zich aan voor de proza-afdeling van de schrijversacademie in Antwerpen. Ik ben de jongste van de groep, Dirk de op één na oudste. We mogen zelf kiezen met wie we in een ‘clubje’ zitten, wiens werk en groeiend schrijverschap we vanaf de eerste rij zullen volgen, voorzichtig bekritiseren, grenzeloos toejuichen. In wie we zullen geloven op de momenten dat het een beginnend schrijver zwaar valt in zichzelf te geloven.

Dat hebben ze gedaan. En kijk, nu ben ik trots op dit boek, op deze materialisatie van droom en denkwerk. Wat er ook gebeurt, zelfs als al het overige in het water valt, dit neemt niemand me nog af.

 

cursieve tekst: Moya De Feyter

Dit is overigens de laatste keer dat mijn schrijversego en Morgenstertrots Bijgekleurd overnemen. U vindt ze voortaan hier, neem eens een kijkje. Vosje gaat straks voor het eerst naar school, dat is pas belangrijk.

http://www.morgensterhetboek.wordpress.com

Doen!

Ik was slechts één keer eerder in Malle. Op bezoek bij May Claerhout, in het begin van de eeuw een bekend en goed benetwerkt beeldhouwer. Sic transit gloria mundi en zo, want ze overleed in 2016 en ook de link naar haar website is ondertussen uitgedoofd.

Op een maandagochtend in december reed ik er opnieuw door de hoofdstraat. Eigenlijk had ik geen tijd, de laatste deadline voor Morgenster, begrijpt u. Maar ik wilde toch. De oudste zus van mijn vader werd begraven. Tante nonneke. Ik kende haar nauwelijks, weet bijna niets van haar leven. Een jeugd in dienst van een eindeloze stroom broertjes en zusjes, en in 1945, toen de lucht wat opklaarde, naar het klooster. Daar werd ze schooljuf.

De overblijvende nonnen, mager en ongeschonden, vulden de ene helft van de kapel van het nonnenbejaardentehuis, de familie de andere. De sfeer was vreugdevol, de kant van de nonnen ademde dankbaarheid uit, en blijde verwachting. De broers en zussen, al bij al nog talrijk, hadden zich neergelegd bij het late en langzame sterven van hun generatie – tante nonneke werd 93. Ook zij herinnerden zich weinig van hun oudste zus, het grootste deel van haar leven was ze door haar kloosterorde vakkundig afgezonderd.

Het bezoek aan May Claerhout destijds diende als bronmateriaal voor een toespraak. Plechtige inhuldiging van een beeld bij een federaal overheidsgebouw. Geen idee of gebouw, beeld en ambtenaren er nog zijn, maar ergens in Morgenster – het huis, niet het boek – slingert nog een beeldje van Claerhout rond. Een vrolijk meisje, zittend op haar poep, in beschilderd terracotta. Cadeau gekregen op het einde van het gesprek.

Tante nonneke, zo blijkt uit de lezingen van pastoor en abdis, was uiteraard een bescheiden vrouw geweest, in dienst van de gemeenschap en van de kinderen – die ze hielp waar en wanneer ze kon, ook toen ze al lang met pensioen was. Een vrouw met een roeping, en de overtuiging en de groothartigheid om die roeping ook compromisloos te volgen.

Met de eerste proefdruk van Morgenster op mijn schrijftafel viel het me die dag makkelijk om mijn cynisme te onderdrukken. Het kon echt, het hoefde niet groots te zijn, er bestonden mensen die met een opdracht in het leven stonden, en die opdracht simpelweg uitleefden.

May Claerhout had me net hetzelfde verteld. Doen!  zei ze, toen ik haar schoorvoetend over mijn literaire ambities vertelde. ‘Je zal nooit gelukkig zijn als je die drang blijft onderdrukken.’

Terug thuis, en nog voor ik de drukproef ter hand neem, zoek ik het op. Vocation. En waarom het zo lang geduurd heeft voor Morgenster er is.

No one is just an artist and nothing else, and in so far as one approximates that condition, he is so much the less developed human being; he is a kind of monstrosity. He must, at some period of his life, be a member of a family; he must have friends and companions; he must either support himself or be supported by others, and thus he has a business career. He is a member of some organized political unit, and so on. We naturally name his vocation from that one of the callings which distinguishes him, rather than from those which he has in common with all others. But we should not allow ourselves to be so subject to words as to ignore and virtually deny his other callings…

John Dewey in 1916, met dank aan het rijke archief van Brain Pickings.

De nonnen hadden geen gelijk. Een ééndimensioneel leven is maar wat het is. May Claerhout wel. Vele jaren na haar advies landt Morgenster deze week in de boekwinkels, en ik maak – voor ik het leven weer verder zet alsof er niets is veranderd, want een boek, ach, dat is toch maar een boek zoals al die andere boeken – een vreugdedansje. 

Doet u mee?

Na de zomer

Jaren heb ik met enige huiver de zomer tegemoet gekeken. De zomer, dat is immers het seizoen waarin je je colbert aan de haak moet hangen, en waar blijf je dan als man met al je spullen? Portefeuille in de achterzak van je broek. Sleutels vastgehaakt aan je riem. Alles dumpen in de handtas van je vrouwelijke gezel. Of toch – bibber en beef – de mannenhandtas.

Pest en cholera.

Het probleem drong zich de afgelopen zomer erg op. Ook in de nazomer lag ik nog onbeweeglijk in de schaduw van een boom, zo schaars gekleed als de omstandigheden het maar toelieten. Zweten deed ik toch, en nadenken uiteraard. Over het juiste einde voor Morgenster – dat, zo weet u ondertussen, is mijn debuutroman die in februari in de winkels zal liggen – u komt toch ook naar de boekvoorstelling op 18 februari in Antwerpen? – maar vooral over de oorsprong van al die stellige en belemmerende overtuigingen die me zo kwellen.

Zoals. Uitpuilende mannenbroekzakken zijn even erg als witte mannensokken. Of. Ik heb niet het zitvlees om een roman te schrijven.

Moest ik dat nu echt denken?

Die mannenbroeken. Op het moment van overpeinzen droeg ik er geen, wat de gedachtengang erover sterk bemoeilijkte. Maar die vestimentaire keuze hielp dan weer wel om dat zitvlees wat nader te beschouwen.

Een roman zonder explosief einde, is dat al een roman? Een roman die wel geschreven is maar niet gedrukt, is dat een roman? Vanaf hoeveel woorden is een roman écht?

Ik kwam er niet uit, schudde de zweetdruppels van mijn hoofd, en kleedde me weer aan. Portefeuille, sleutels, een handdoekje, ik sleepte ze in afwachting van een echte oplossing mee in een tote bag van Passa Porta bookshop – noblesse oblige.

Mijn telefoon verdween in de linkerzak van mijn short.

Dat kon dus. En eigenlijk deed ik dat altijd al, ergens in de loop van de jaren was die telefoon verhuisd van de binnenzak van het colbert naar de linkerbroekzak. Er was geen besluit aan te pas gekomen, geen bewuste keuze.

Broekzakken hoeven niet leeg te zijn.

Dat einde van Morgenster herschreef ik net, op de drukproef al, een allerlaatste keer, en de onzekerheid over die roman blijft, ook in de zuiverende kou van december. Wat een pretentie om zelfs maar te overwegen zo’n grootse onderneming aan te vatten. De literaire kritiek zal meedogenloos zijn, en het boek doodzwijgen. Voor vrienden en kennissen wordt het onderwerp taboe, ze gaan me meewarig en sussend toespreken, het woord hobby zorgvuldig vermijdend, en onder elkaar fluisteren over de belachelijke seksscènes. Historici – het boek speelt in 1904 – zullen geheel terecht op alle foute slakken zout strooien.

Als ik er nog iets van wou maken, dan was het einde van deze eeuwig durende zomer het moment om het boek terug te trekken en helemaal opnieuw te beginnen.

In de rechterzak van mijn short vind ik een fopspeen, en een miniatuurversie van een Dacia Duster, de nieuwe auto die Vosje tijdens de zomervakantie van een Frans kindje heeft gekregen. Het is zijn zak, die rechter.

Ik buig even door de knieën, en het valt niet te ontkennen. Die broekzak puilt uit. Ik sluit het kofferdeksel van de Duster, maar het verschil is miniem. Voor iedereen is het duidelijk: deze broekzak is niet leeg, hij puilt uit. Ik voel me naakter dan daarnet onder mijn boom, angstzweet breekt me uit.

Straks ligt dat boek dus in de winkel, mijn woekerend zitvlees, mijn eindeloos gepieker, mijn amechtige poging om op een elegante manier mijn demonen te bezweren.

Het is wachten op de pocketuitgave.

 

 

 

 

Morgenster

Het waaide een beetje, de eerste avond, op een idyllische manier, net genoeg om de bladeren zachtjes te laten ruisen. Daar doorheen klonk een ijl geluid. We konden het eerst niet thuisbrengen, een bekende melodie, leek het. We spitsten onze oren, slaagden erin de klank te volgen, verbaasd dat we die vaardigheid in het lawaai van alledag niet kwijt waren geraakt. La vie en rose.

Het was geen radio, geen menselijke stem.

‘Mooi,’ zei Vosje, en toen wisten wij het ook. Het was mooi.

We installeerden ons verder, beloofden mekaar en Vosje een minstens gedeeltelijke digitale detox, en vroegen ons af, ieder in het eigen hoofd, wat we hier de komende twee weken in hemelsnaam zouden gaan doen.

Over de maaltijd, te ambitieus voor een tweepits gasvuur, zeker zonder verse look, een sjalotje en een scheutje witte wijn, waren we het eens: toch heerlijk! Daarna babbelde Vosje in zijn bed nog een beetje tegen apie, het schaap, bébé, en zijn vosje, en keken wij buiten hoe de schemering inzette.

In onze bagage, geklemd tussen handdoeken en stickerboeken, schuilt de nulversie van Morgenster. Jaren heb ik aan die roman gewerkt, moeizaam en traag, schrijvend en luisterend naar het verhaal tegelijkertijd, en altijd was hij fictie in een dubbele betekenis. Geloven dat ik ooit *** EINDE *** zou kunnen schrijven, deed ik pas eind juni, toen het laatste hoofdstuk zich opdrong.

Gelukkig is er de zekerheid dat het nog maar de nulversie betreft, dat er nog alle tijd van de wereld is om de zwakheden in het verhaal te verbeteren, de onregelmatigheden recht te trekken, en het boek op een niveau te tillen dat het daglicht verdient.

Maar eerst is er dus vakantie.

Het is jaren geleden dat we nog op een camping waren, het duurt een paar dagen voor we de charme daarvan herontdekken. Het ochtendritueel dat duurt tot de middag, de siësta die naadloos de avond aankondigt. Boodschappen doen in het dorpje verderop het meest spannende moment van de dag.

Maar in de vooravond is het geluid er weer. ‘Mooi,’ zegt Vosje, en we gaan op zoek. Ineengedoken in zijn caravan wat verderop, deur dicht, speelt een man trompet, en sourdine. Een beetje aarzelend af en toe. ‘Trompet,’ herhaalt Vosje. ‘Mooi.’

Na de bescheiden maaltijd hult mijn lief zich in doeken en dekens tegen de oprukkende avondkoelte, en nestelt zich met de nulversie in de transat. Ik ga de afwas doen.

Wanneer we naar bed verhuizen gaat het boek mee. Ik probeer iets te zeggen, maar ze legt me het zwijgen op, mijn fictie is boeiender dan ik. Ik lees dan maar verder in Noem het liefde, vraag me af waarom Daan Heerma Van Voss in godsnaam dat vierde deel dacht nodig te hebben. Een slecht goed boek, concludeer ik streng wanneer het uit is, en de schrik slaat me om het hart – dat gaan lezers waarschijnlijk ook zeggen van Morgenster, gesteld dat er al lezers zullen zijn, andere dan die ene die nu naast me ligt en mijn onrust met een kus kalmeert.

Met Vosje verlegen lachend op de arm complimenteren we de volgende ochtend de trompetspeler. Zo goed is hij niet, zegt hij, hij is maar een amateur, zijn dochter, ja, die speelt cello en is professioneel muzikante, hij heeft veel te lang niet gespeeld. ’t Was een eis van zijn verloofde, hij moest kiezen tussen haar en zijn trompet. Maar nu, met het leven zo goed als volbracht, mag het weer. ‘Au revoir,’ zegt Vosje, ‘si mignon,’ zegt de man, meer tegen ons dan tegen Vosje.

’s Namiddags slaat mijn lief de nulversie dicht en kijkt me aan, één en al zachte ogen. Dit trage leven maakt mensen tolerant, denk ik, maar nee, ze vindt het een goed boek met nog wat mankementen, ze heeft het met plezier gelezen. Ik slaak een zucht, en wanneer mijn telefoon oplicht, zie ik dat een andere eerste lezer, wiens oordeel ik erg respecteer, het boek ook erg de moeite vindt.

Die avond is de kilte wat later, en de klank helderder. De man zit nu in zijn voortent, de flap staat open. ‘Trompet,’ zegt Vosje, en lacht. ‘Mooi.’ We kijken elkaar aan. Meer hoeven we hier niet te doen.

 

Trouw!

Eindelijk zijn we van Vosje verlost. Twaalf weken al heeft dat jonge leven onze dagen en nachten beheerst, nu is het tijd om alles achter ons te laten en nieuwe horizonten te verkennen. Afscheid nemen duurt een half uur, en dan kunnen we eindelijk instappen. Zwaaien kan hij nog niet, dat maakt oma wel weer ruimschoots goed.

Eens op de snelweg draaien we onze kont comfortabel in de zetels, ik zet mijn voet zwaar op het gaspedaal, en draai de muziek op maximaal volume. We zuchten en lachen luid, en maken een afspraak: we gaan het niet over Vosje hebben. Nee, voor even is hij taboe.

Al snel wordt het stil in de auto. Het is een lange rit naar de westkust, en af toe waait een storm ons haast van de baan. Wat zou er van Vosje worden als we niet zouden terugkeren? Hier in de aquaplanning tegen een vrachtwagen slippen of met een klapband richting berm slingeren, onderweg gevat door een rechts voorbijstekende sportwagen?

Het lukt me maar niet, zeg ik, terwijl ik mijn snelheid matig. Dat boek van mij krijgt maar geen vaste vorm, ik zie het hangen in de lucht en krijg het niet gevat. Als jij denkt dat de werkelijkheid soms weerbarstig is, probeer dan meer eens fictie. Er zijn zoveel touwtjes om aan te trekken, en nooit kan je vertouwen op de gewone gang van zaken om alles weer in orde te brengen.

Ga je het dan opgeven? vraagt ze.

Gepikeerd spring ik op (wat af te raden is als je aan het stuur van een rijdende auto zit). Natuurlijk niet! Ik ben koppig! En volhardend!

Naast mij klinkt gelach, en ik besluit niet te willen weten of het hoongelach of schaterlachen is, of nog iets anders tussenin, met een beetje wanhoop bij.

Je kan altijd opnieuw beginnen, zegt ze, een ander verhaal vertellen.

Dat kan. Ik weet het. We zijn onderweg naar een trouwfeest waar de eretafel zal worden bevolkt door volwassen kinderen uit eerdere huwelijken en verbanden.

Vosje zal toch wel ok zijn? Ja toch?

Ik besluit deze overtreding op de regels door de vingers te zien. Een kind moet zowat het enige zijn wat je niet zomaar kan uitvegen en vervangen door een nieuw begin. Geen wonder dat je daarvan af en toe in paniek raakt.

De grijze herfstlucht is nauwelijks te onderscheiden van de zee, op de dijk is alles gesloten en staan de appartementen te koop. Alleen een hond en zijn baasje trekken een streep door het zand. Straks, zeg ik, wanneer het zomer is, dan gaan we toch met Vosje kastelen bouwen? Ja?

Dat gaan we doen, het is beloofd, de jongen weet het nog niet, maar bij deze hebben we voor het eerst een echt Opvoedkundig Principe vastgelegd: hoe vluchtig ook, we gaan hem leren dat dromen minstens evenveel waard zijn als de werkelijkheid. Fictie boven het echte leven.

Het feest ’s avonds is geweldig. Op de grens met Frankrijk leven de Deense en de Belgische helft van het publiek zich helemaal uit. Wij ook. We dansen en springen en zweten. En zo komt het, dat ik, ergens ver na middernacht, besef dat ik mijn hoofdpersonages meer passie moet geven, alle remmen los, ze moeten diep gaan en hard vallen. Niet twijfelen, maar doen. Van pure oplichting brul ik deze onsterfelijke verzen mee:

En ben je soms niet goed gezind
denk aan de glimlach van een kind.
Ja dat maakt je weer blij ja dat maakt je weer vrolijk.
Het leven gaat zo snel voorbij,
dat geldt voor jou maar ook voor mij…

Oh laat de zon in je hart
Ze schijnt toch voor iedereen
Geniet van het leven
Want het duurt toch maar even.

Jacques Verburgt & Raymond Felix, Laat de zon in je hart, gebracht door de onsterfelijke Willy Sommers

Het resultaat van een avondje dansen
Het resultaat van een avondje dansen