Jazz

Jazz

De pianist kromt zijn vingers rond de toetsen.
Zachtjes, zoals alleen een oude man dat kan,
roerend postcoïtaal.

De zon helpt. En de wind. En de regen die niet valt.
Het moet teder zijn geweest. Haar handen
Op zijn brokkelig lijf, zijn lippen droge wolken, dansend.

Het stuk dateert uit de jaren zestig, of daaromtrent, zegt hij.

Net als ik, denk ik, en kijk naar mijn handen,
De insectenbeten, de eerste lentigo. Streelhanden, nooit
Het hout van meubels, de stenen van muren, het gruis van grond.

Toen leek alles nog moeiteloos, behalve misschien
De coïtus zelf, en het genot van free jazz.

 

Over dit gedicht schreef de jury van de Turing wedstrijd 2015 het volgende:

Wat een nostalgie ademt dit gedicht. Het is jouw jazz improvisatie met woorden. Het beeld van vingers die zich rond toetsen krommen is verwarrend, maar tegelijk kan ik me een perfect beeld vormen van wat je wil zeggen. Voor de rest alleen maar stilte en genot voor je woorden.

Maar dat was niet voldoende om het bij de beste 100 te klasseren … Deze jazz strandde in de tweede ronde.

Writer’s block

Het is al laat op de avond, en we hebben wat gedronken. De wereld is een ingewikkelde plek, zucht ik. Aan de toog wordt instemmend geknikt. En dan heb ik het niet eens over de toestand in Syrië, zeg ik, of de nieuwe James Bond, of over alle business modellen die dreigen disrupted te worden.

De toog neemt gemakshalve aan dat er een verhaal over een vrouw zal volgen, maar dat is niet waar mijn geest mee bezig is. Want er is één ding waar ik nog minder van begrijp.

Koperdraad.

Dat wondere materiaal waar alle energie en data door stroomt.

Zolderkamers, die begrijp ik wel. Schaars verlicht als ze zijn, met enkel een dakraam en een peertje dat ondertussen buiten de wet is gesteld, geven ze toegang tot het dak, en iets als omgekeerde zwaartekracht zorgt ervoor dat spullen er zich terugtrekken voor ze transformeren tot vintage, of besluiten definitief te ontbinden.

Een grote held ben ik niet, tijdens wilde stormen kruip ik niet door dat dakraam om een overlopende dakgoot te ontstoppen. Liever warm ik me op zo’n regenherfstdag aan dat gloeiend lampje. Ik zet me dan op een afgedankte keukenstoel, snuif de houtgeur op, en luister naar het huis dat zijn opgespaarde gekraak lost in diepe zuchten.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Daar zit ik dan, met gesloten ogen, zelf heel en al koperdraad en medium, verbonden met de geschiedenis van het huis. Deze zolder is al zo vaak helemaal leeg gemaakt. Mensen hebben hier afscheid genomen, hun herinneringen voorzichtig van de muren los geweekt.

En af en toe, terwijl ik daar zo zit, stroomt er gedicht door mijn koperen aderen. De woorden rollen dan in mijn mond, haken achter de huig, en stuiteren tegen de oude spullen. Enfin, dat geldt toch voor sommige gedichten, vooral die over jazz.

Het was op zo’n moment, ik had net een eerste strofe klaar

De pianist kromt zijn vingers rond de toetsen.
Zachtjes, zoals alleen een oude man dat kan, roerend postcoïtaal.

dat het peertje het met een zachte plop begaf. Het was al donker buiten. Ik dacht me een weg naar de deur, maar struikelde onderweg toch over een stofzuiger die pas ziek was geworden.

Een lamp vervangen lukt me doorgaans nog wel. Ik vond er de volgende ochtend een paar, maar ze weigerden allemaal dienst. Elders waren ze verblindend helder, er was dus iets anders aan de hand. Had de antieke gloeilamp de fitting mee gesleurd in zijn ondergang? Heel de elektrische voorzieningen op het hoogste niveau van het huis onklaar gemaakt?

Writer’s block. Een tweede strofe schrijven zou zo niet meer lukken.

Het stopcontact bleek nog in staat het amechtig gepiep van de stofzuiger te voeden. Oef. Maar toen ik me met krakende knieën over de stofdraad boog die in grote lussen tot aan de fitting leidde, bleek links en rechts wat dof koper te zien, het plastic helemaal verduurd.

Ik kwam met een grote glimlach weer beneden. Er moet een nieuwe draad komen, zei ik. En een nieuwe fitting. En een lamp. Meer dan gefrons leverde het me niet op. En de mededeling dat de Brico open was.

Ik heb een bloedhekel aan die winkel. Als een analfabeet in een boekwinkel, zo voel ik me daar.

Allez, zegt de toog. Wij vinden dat net plezant, het is één van de weinige plekken waar je nog te hard mag lachen.

Ik sluip er voorbij de verfafdeling, waar een mooie vrouw een pot sepia bestudeert, en kom bij de elektriciteit. Een bak wurgnippels. Echt. Zo’n mooi woord. En zeven soorten draad. Ik kies er willekeurig eentje uit, beslis dat ik er negen meter van nodig heb, én maak gebruik van de speciale aanbieding: een kabelknipper. Een beetje beschamend aan de kassa – een vent van mijn leeftijd die zo’n basisstuk niet in huis heeft – maar de inspiratie moet in goede banen worden geleid.

In een hoekje staat designverlichting, en ik kies er een grote bol uit, met fitting. Veel te duur, maar de start van de definitieve inrichting van de zolder. Dat moet nu maar eens, anders komt die roman er nooit.

Terug thuis ga ik meteen aan de slag. Ik verzamel kaars en een opgeladen smartphone, schakel onder luid protest de hele elektriciteit uit, en pruts de contactdoos open. Nog meer koper. Ingewikkeld. Ik neem een foto, en begin aan de operatie. Een uur later sta ik weer beneden.

Een knal zeker?  De toog heeft al leedvermaak.

Nee, zeg ik. Niets.

Geen knal, alles in huis werkt nog. Behalve die lamp op zolder. En het stopcontact. Dat doet het nu ook niet meer.

Jazz kids

De grootmeesters van de jazz zijn niet bepaald jong. John Zorn vierde in Gent een ganse dag zijn 60ste verjaardag, maar de leeftijd was hem niet aan te zien: hij sprong de hele dag energiek rond in zijn combat boots, camouflagebroek en hoodie. En Charles Lloyd gaf een fantastisch concert op Jazz Middelheim – hij is er 75. Lloyd schuifelt wel wat voorzichtig over het podium in een oude, grijze vest, vissershoedje op, af en toe zichtbaar vermoeid. Maar de muziek is fantastisch.

Jazz vraagt levenslange toewijding, zo lijkt het. Niet dat alle oude jazz diva’s zo geweldig zijn – ook zij zeuren vaak een eind weg en vallen terug op formules. Formules die de zes kerels die in een tuin van een kunstgalerij het beste van zichzelf stonden te geven, ook kenden. Zij daarentegen, zij waren jong. Tussen twaalf en vijftien, schat ik zo.

The kids are allright
The kids are allright

De drummer was uiterst geconcentreerd, de bassist had wat moeite om zijn patronen met gezag neer te leggen, en de pianist leek – ook al was hij de jongste – af en toe wat verveeld met zijn beperkte rol in de ritmesectie van het sextet. Met hun drieën legden ze de basis waarop de drie anderen netjes konden soleren. De saxofonist was übercool, de schuiftrombonist had een lekkere slide in zijn solo’s en de trompettist probeerde al een beetje buiten de lijntjes te kleuren. Allemaal net echt.

We waren in Marciac, een dorp van twee keer niks, dat van het organiseren van een jaarlijks jazzfestival zijn raison d’être heeft gemaakt. Gedurende een goeie twee weken leeft het op het ritme van het festival. Er staat een grote tent waar de mainstream sterren optreden (denk aan Diane Krall, Gilberto Gil), er is een zaal voor de puristen (Dave Douglass trad er dit jaar op), maar er is vooral heel veel te doen in het dorp zelf.

Op het centrale plein brengen Franse jazzcats hun versie van Coltrane klassiekers gratis ten gehore, en al wat in de verre omgeving een eet of drinkbaar landbouwproduct maakt, biedt dat aan de argeloze voorbijganger als proefje aan.

Jazzliefhebbers, hoedje tegen de zon en gehuld in een veel te groot t-shirt met opschrift ‘yes, I am having a good day’, slenteren door het dorp, een combiverpakking streekproducten in de handen, en nemen een pauze op één van de terrassen of in één van de vele kunstgalerijen die het dorpje rijk is. En het is daar dat we werden verrast door het jonge sextet.

De kunst was er trouwens ook lang niet slecht, en op slag won het festival aan sympathie. Het was niet zomaar een manier om toeristen te pluimen, nee, het dorp leefde er een heel jaar naar toe, kosten noch moeite werden gespaard om het de bezoeker naar de zin te maken – en iemand zorgde ervoor dat jazz jong bleef

Die iemand is de directeur van het plaatselijke college, annex burgemeester, annex regionaal afgevaardigde van het dorp. Dat is hij allemaal geworden door de liefde voor jazz, en door in een dronken bui een New Orleans honky tonk jazzbandje uit te nodigen. Soms is een held worden zo eenvoudig – en ook helemaal ok: het standbeeld in het dorp is niet van hem, maar van Wynton Marsalis, de godfather van het festival. Nota bene het tweede standbeeld van een zwarte medemens in Frankrijk.

Bedreigd met uitsterven heeft hij van het plaatselijke college een jazzcollege gemaakt. Leerlingen vanuit heel Frankrijk komen er naartoe, en hebben naast hun gewone lessen veel tijd en ruimte voor jazz. Op internaat in een dorp, dat betekent dat er dus wat vrije tijd moet worden ingevuld. En alleen al daarom ben ik jaloers dat ik er nooit geweest ben. De website beschrijft het zo: Sur ces temps libres, les élèves ont le choix de lire, de travailler, de jouer (en extérieur dans le parc aux beaux jours), de poursuivre l’apprentissage de certains instruments ou de s’ennuyer (l’ennui étant une activité qui a ses vertus).
Een school die erkent dat verveling een deugd kan zijn …

De zes traden gedurende de twee weken elke dag wel ergens op – een grote tournee in eigen dorp. Met mogelijk sterren in het publiek. Ontdekt worden. Het leven leiden van de grote muzikanten, optredens op de vijf continenten. Always on the road. En tussendoor natuurlijk in de studio, samenwerken met de grote namen, of met je eigen band. Het resultaat van jaren hard werken en zich vervelen op school. Om dan oud te worden, en te schuifelen op het podium.

Het heeft iets onoverkomelijk, zo’n talent. De manier waarop de trompettist zijn collega’s aanstuurde – handgebaren die aandrongen op wat meer swing, dan een solo voor de trombone, en die laatste solo, doen we die samen, de drummer en ik? Het knikje van Charles Lloyd, de vingerbewegingen van John Zorn, er is niet echt een verschil.

Pure noodzaak is het, te kiezen heb je niks. De jonge trompettist zal, net als de vijf anderen in de band, zonder twijfel heel zijn leven met muziek bezig zijn – maar ooit valt het muntstuk op een kant: leef je je talent, zoals John Zorn of Charles Lloyd, of leef je een leven, en geef je je talent een plaatsje in de marge – zoals al die entoesiaste amateurmuzikanten in de wereld.

Het gaat dan over kunnen, en over willen. Niet makkelijk uit elkaar te houden wanneer je jong bent. En als je de verkeerde weg kiest, dan knaagt het verder voor altijd.