Rituelen

Ik ben de eerste in de zaal. De stoelen staan netjes aangelijnd aan de grote tafel. Die is op maat gemaakt, drie kwart van een cirkel. Ik wandel alvast even naar het middenplein, oefen mijn vriendelijkste knikje. Elke plek heeft een bureaulegger, en daarvoor een tinnen schaaltje met een omgekeerd glas, een flesje plat water en een blik bruis. En een potlood.

Er is geen daglicht.

Uit de setting kan ik niet afleiden waar de voorzitter zal gaan zitten, en dus ook niet waar ik me best installeer. De hoek het dichtste bij de deur lijkt me een veilige plek. Ik open een flesje water, steek een potlood in mijn binnenzak, en eet een druif. Die heb ik zelf bij, om mijn energie op peil te houden.

Ik ben nieuw in het bedrijf. Vandaag stel ik voor het eerst een tussentijds bilan voor van het project dat ik heb overgenomen. Veel goed nieuws heb ik niet. We hebben vertraging, het budget zal worden overschreden en bij het laatste projectoverleg keek het projectteam me mistroostig aan. Niemand gelooft er nog in.

Maar dat kan ik hier niet zomaar vertellen. Zo dadelijk komen ze binnen druppelen, de leden van het investment committee. Eén voor één, de minst belangrijke eerst – of het pietje precies van de groep, die heb je ook altijd. Voor hen is het een vergadering als alle andere, mijn project één uit de lange lijst.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Elke maand, op de eerste donderdag, na de lunch, komen ze samen in de board room. Met een overladen agenda, een tablet en een telefoon en meer muizenissen dan ik met een flauw grapje kan verjagen. Geen van de andere projectleiders wou als eerste, het risico dat ze het je lastig maken is gewoon te groot. En ik ben nieuw, heb me te plooien. Ter bescherming heb ik mijn kobaltblauw pak aangetrokken, en een wit hemd. Het is een beetje fuck you, maar met inhoud heb ik vandaag weinig te winnen.

Wanneer de eerste binnenkomt, spuug ik net een druivenpit onder de tafel. Een daad van baldadigheid, zeker, maar ook het resultaat van de stretching waarmee ik mijn gezichtsspieren opwarm. Het is een ritueel dat ik vaak uitvoer. Net voor ik ga slapen, bijvoorbeeld, wanneer ik de spiegel in de hall voorbijloop. Het haalt de stress van de dag van mijn gezicht, en daarmee ook uit mijn hoofd.

Koffie? vraagt hij. Maar voor ik ja kan zeggen komen er anderen binnen, en gaat hij met hen grapjes uitwisselen. Onder hen de voorzitter. Het is de enige die zich niet aan me voorstelt. Hij gaat zitten, trekt een blik open en kijkt me aan. De leden weten wat te doen, de spelen gaan beginnen.

De eerste van mijn drie slides staat klaar. De tijd van deze heren en dames (er is er maar eentje) is kostbaar, en je moet een opgelegd format volgen. Daar heb ik begrip voor, zonder voorspelbaarheid is zo’n werkdag van meer dan twaalf uur natuurlijk veel te vermoeiend. Ik krijg het woord.

Weet iemand van jullie, begin ik, hoe trekvogels weten waar ze naartoe moeten, eens de tijd gekomen is?

Mijn vraag blijft in het ijle hangen. Niemand lijkt ze te hebben gehoord.

Weten jullie, herhaal ikwanneer trekvogels niet meer weten hoe ze verder moeten? Want dat gebeurt.

De voorzitter kijkt naar de geprojecteerde slide, waar niets over vogels op staat.

Trekvogels houden halt wanneer er dichte mist is. Dan weten ze niet meer waar precies de zon staat, en waar de sterren. Dat vinden ze gevaarlijk, en ze nemen geen risico. De minste afwijking in de route kan catastrofale gevolgen hebben.

Dit komt niet goed.

Het spijt me dat ik een metafoor gebruik, zeg ik, maar ik voel me, als projectleider, net zo’n trekvogel die een onverwachte en ongeplande tussenstop heeft moeten maken. Het project gaat op dit moment geen kant uit. Nog even, en we zijn te laat. De kou gaat ons inhalen, ons lot is onzeker.

De leden kijken op.

Dus. Zegt de voorzitter. Als ik je slides goed begrijp, dan heb je vertraging en heb je extra budget nodig om op te kunnen leveren. 

Ik knik verontschuldigend.

Maar je hebt een excuus, denk je. Je weet niet waar je naartoe moet. 

Ik knik opnieuw. De man is scherp.

Wij zijn geen roofvogels, zegt hij. En ook geen weermannen. Ik weet dus niet wat wij voor je kunnen doen. Maar we rekenen er op dat je terug bent tegen het broedseizoen.

Ik slik. Dank je wel, zeg ik. Dat is precies wat ik nodig heb. Ik heb geen idee wat hij bedoelt, maar de volgende projectleider is er al. Mijn tijd is op. Ik pak mijn spullen bij elkaar, en steek nog een druifje in mijn mond. Op weg naar buiten struikel ik halvelings over de tas van het vrouwelijke committee lid. De druif belandt net naast haar schoen. Oeps, zeg ik.

Al aan het foerageren?  fluistert ze. Ik kijk naar haar op, open mijn mond, maar blijk niets te zeggen te hebben. Hier, zegt ze, je potlood is ook gevallen.

Advertenties

Hot tub

Vlak voor de gracht die de grens vormt met het bos, in de laatste kamer van de uitgestrekte tuin achter de oude boerderij, staat de hot tub. Een grote houten tobbe. Mos groeit op de flanken. Uit de ijzeren schoorsteen komt rook. Paul, de bewaarder van deze ruimte, geeft me een taak. Of ik met een lange paal het water af en toe om kan roeren, als was het een dikke soep, kwestie van het warme en het koude water met elkaar te vermengen.

Dat kan ik.

Warm en koud lijken elkaars vijanden, zegt hij, maar dat is niet zo. Ze houden van elkaar, voelen zich sterk tot elkaar aangetrokken, maar ze hebben een zetje nodig, een duwtje in de rug, voor ze aan elkaar kunnen snuiven en in mekaar opgaan. Ik kijk hem aan. Dat is wel een heel animistische manier om de wetten van de fysica uit te leggen, maar het biedt mogelijkheden, literair.

Het roeren is moeilijker dan ik dacht. De massa biedt weerstand. Of misschien moet ik het verzet noemen. Ik begrijp het wel. Het water bovenaan ligt lekker rustig in de zon, omarmd door de liefdevolle houten ton, beroerd door een zacht briesje. Ik zou ook niet kopje onder willen, zeker niet voor de onzekere beloning van vuurgestookte warmte, ver beneden. Terwijl het water op de bodem net opgewonden raakt door het vuur en danst. No way dat het zijn plaats wil afgeven. Strijd!

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

We zijn niet alleen in deze tuin, Paul en ik. De zweethut, die we een paar keer per jaar gebruiken, is uitgeleefd en versleten, en vandaag bouwen we een nieuwe. Iemand zoekt takken met een doorsnee van twee centimeter, iemand anders maakt ze glad. Bomen zijn het staande volk, zegt Paul. Ze kunnen geen kant uit, maar ze binden de aarde aan het licht. Koppeltekens, denk ik. En ze ruisen, maken lawaai, stom zijn ze zeker niet. Ze dragen vruchten, en wanneer ze moe en uitgeteld geveld zijn, laat hun warmte de stenen, dat liggende volk, ons de verhalen toesissen die zij al eeuwen hebben opgeslagen.

Iemand tekent een volmaakte cirkel op de grond, en plant de takken op regelmatige afstand. Het is al na de middag wanneer die als een kroon recht staan. We wissen het zweet van ons gelaat, spoelen onze handen, en eten. Fruit en groenten, kaas en brood, wat ayurvedische gerechten die iemand heeft meegebracht. We drinken er water bij.

De takken moeten nog samengebonden worden. Ik bied me aan als vrijwilliger, het verbuigen van de werkelijkheid is een kolfje naar mijn hand. Het is secuur werk, en we lachen niet terwijl Paul onze bewegingen orchestreert. Ik moet me strekken en twisten om het goed te doen, en ik voel hoe mijn geest stilaan oplost in deze dag – dat mijn lichaam de vorm van een vraagteken aanneemt, deert me niet.

Dan zijn we klaar. Vandaag is het een eeuwenloze dag, zo één die in zichzelf verdwijnt en verder niets behoeft. Een vrouw trekt haar kleren uit en kruipt bloot in de warme hot tub. Het is zalig, roept ze, komen jullie ook?

De mensenlijven krijgen zonder moeite gedaan wat mij al roerend amper lukte. Sommigen laten zich voorzichtig zakken, ik struikel haast het water in. We lachen en tateren, drijven van de een naar de ander en gaan af en toe kopje onder. Tot ons vel begint te rimpelen. Dan klauteren we uit het bad, en leggen ons te drogen in het gras. Zo veel onschuld! Dat alles geheeld wordt wanneer alles verbonden is, denk ik nog, voor ik in slaap val.

Ik word wakker met een stijve nek, en een onbestemde ongedurigheid in het hart. En de strijd dan, vraag ik Paul. De drang om te behouden, en de drang om te veroveren? Haast en vlijt zijn niet alleen oorzaak van haat en nijd, de worsteling tussen tegenstellingen brandt ons vooruit. Soms in een radeloze boosheid, en soms met een redeloos streven naar iets anders, eender wat, desnoods ten koste van onszelf, dat is waar.

Paul antwoordt niet, het kenmerk van een echte wijze.

We ruimen op, tijd om deze plek weer aan zichzelf te laten. Het volmaakte geluk is ook een beetje saai. Ik strek mijn lichaam nog een keer, vouw het netjes terug in de plooien van deze tijd. We kleden ons weer aan, vissen telefoons uit onze tassen, en tasten naar onze autosleutels. Een knuffel nog, een beetje halfslachtig, en dan vertrekken we, ieder zijn kant uit.

In de verte loert een donderwolk.

Mirador

Ik ben te laat.

Dat gebeurt me wel vaker, de laatste tijd. Niet dat ik mezelf zo belangrijk vind dat ik graag op me laat wachten, nee, het is eerder dat het me steeds moeilijker valt om ergens mee op te houden. Zelfs wanneer ik doelloos voor me uit zit te staren, of misschien net dan het meest van al.

Maar vandaag erger ik me aan mezelf. De oude man die op me zit te wachten mag dan zeeën van tijd hebben, ik weet dat hij popelt van ongeduld om me te zien. Hij zal dat ontkennen, we houden nauwlettend de fictie in stand dat hij belangrijk is voor mij, ik niet voor hem. Hij was ten slotte mijn baas. Mijn leermeester. Een meedogenloze baas, dat wel, zo’n echte smeerlap van de oude stempel. Ik volgde hem op, vastbesloten het anders te doen.

Het is hem niet goed vergaan.

Een paar maanden na zijn pensioen zette zijn vrouw hem het huis uit. Het viel niet te ontkennen, nu ze hem de hele dag zag. Hij dronk. Er waren vrouwen. Hij deed niks anders dan bevelen knarsetanden. En verder was hij in ’t algemeen volstrekt onuitstaanbaar, en nutteloos in huis.

Hij verhuisde naar een klein huurappartement, reed zijn laatste BMW aan flarden, en begon nog meer te drinken. Het was op zo’n moment dat hij me belde. Enfin, hij belde ongeveer iedereen wiens nummer hij had. Het was vrijdagnamiddag en niemand beantwoordde zijn oproep. Niet zijn vroegere medewerkers, niet zijn collega’s, niet zijn leveranciers. Klanten had hij nooit gehad.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Ook ik twijfelde toen ik het nummer zag. Maar mijn agenda was leeg, en er stonden nog souvenirs van hem in mijn directeurskamer. Hij was dronken. Maar het ging prima met hem, bezwoer hij me. Hij had het druk, ook. Ik was eerst een beetje boos, dan verontrust, en het gesprek eindigde ermee dat we afspraken voor een lunch, twee weken verder.

Tijdens het aperitief zat hij nog helemaal in zijn oude rol. Hij domineerde het gesprek, lachte te luid, en bezong de zegeningen van de eindeloze vrije tijd. We hadden asperges als hoofdgerecht, met een exquise witte wijn erbij. Dan en daar begon hij stilaan te kraken. Bij de koffie wist ik het allemaal. De vrouwen, de corruptie, het geld in Luxemburg, de wanhoop. Alleen met alcohol had hij geen probleem, hield hij vol. De wijn smaakte hem toch nog?

Dat is nu vijftien jaar geleden. Sindsdien zie ik hem twee keer per jaar. Hij is ondertussen echt oud. Kaal en mager als een rietstengel, en er hangt een oudenmannengeur rond hem. Hij staat klaar wanneer ik aanbel, hoed en jas in de hand, en we wandelen samen naar een klein restaurant in de buurt.

Ik heb medelijden met hem. Dat had ik al toen ik nog voor hem werkte, en zag hoe hij stap voor stap van zijn macht werd ontdaan, en wegzonk in een moeras van doelloosheid. Hij kon er niet mee om, dronk Martini’s uit de directiekoelkast als lunch, met een appel erna als excuus. Hij drinkt nog steeds. Hij kan het niet laten, zegt hij, en dat het nu geen verschil meer maakt. Alles is al kapot, alleen de goede oude tijd blijft bestaan.

Wat doe ik hier nog, zegt hij. Ik zit uit te kijken naar het moment dat mijn kleinkinderen langs komen – daarvoor moet ik samenzweren met mijn dochter, en dan speel ik mens-erger-je-niet met hen. Ze winnen altijd. Ik heb er geen spijt van, zegt hij, wijn is nog steeds lekker. En hij lacht een beetje.

Weet je wat ‘mirador’ betekent? Het is Spaans. Ik schud het hoofd. Ik ben nu zo vaak in de Dominicaanse Republiek geweest, en in Spanje, dat ik een paar woorden heb opgestoken. Mirador. Ik dacht eerst, dat klinkt als een mirakel, als iets moois. Hij zwijgt even. Maar het betekent wachttoren. Zoals in een gevangenis. Een plek om alles in het oog te houden. Dat is wat ik nu doe. Ik wacht, en houd alles in de gaten. 

Ik vraag de rekening. Ik heb nog een afspraak, lieg ik. Ik ben zelf, ver voor mijn tijd, ontdaan van het beetje macht wat ik ooit had, en daar schaam ik me voor. Bij hem toch. Ik heb het maar niet verteld.

Je rijdt niet meer met een chique auto, zegt hij.

Die mirador van jou, vraag ik als afscheid, staat die eigenlijk binnen, of buiten de gevangenis?

We grijnzen allebei.

Zandloper

Toen ik nog een kind was, wat wil zeggen voor ik de Grote Spectrum Encyclopedie durfde te lezen die in de boekenkast maand na maand aangroeide, en in de plaats daarvan buiten in de zon speelde, toen dacht ik ’s avonds met mijn warme hoofd, mijn stralend voorhoofd en blinkende neus, dat het de gloed van de zon was die bij mij schuilde, voor de nacht. Het was dan mijn taak om die de volgende ochtend terug te geven. De zon deed dat bij alle mensen, en wanneer er ’s morgens te weinig waren die de gloed terug gaven, dan werd het geen mooie zomerdag. Ik nam die taak ernstig.

Verder functioneerde ik min of meer als een normaal kind, en leefde mijn fantasie uit in de levens van beroemde ridders. Godfried van Bouillon. Boudewijn met de IJzeren Arm. Omdat ik ook keek naar science-fiction op tv, werd die ijzeren arm van Boudewijn een gesofisticeerde prothese, à la Blade Runner, maar die film moest toen nog worden gemaakt.

In werkelijkheid is de ijzeren arm van Boudewijn de lans waarmee hij Vikingen en beren bevocht. Tussendoor schaakte hij uit een klooster een zeventienjarige koningsdochter die al twee keer weduwe was. Een leven als een film. Hij eindigde als eerste graaf van Vlaanderen, ergens tussen Brugge en Torhout in. Ik zag hem al lopen door zijn eindeloze, kille burcht, vermoeid, met in zijn linkerhand de losgegespte prothese van de rechterarm. Zwakken en armen zochten bij hem beschutting. En het land was al zo dun bevolkt, nu Vikingen de jonge mannen in de pan hadden gehakt, en de meisjes meegeroofd als broedmachines.

Ik bouwde zijn burcht na, aan de waterkant tijdens eb. Eeuwigheid behoefde de IJzeren Arm immers niet. Dat de kilste burchten er nog staan, en dat wij ze bezoeken op schoolreizen komt omdat historici nu eenmaal de brochures van de toeristische dienst volschrijven (samen met biologen overigens, denk maar niet dat u aan een zeldzame plant ontsnapt), en omdat, toen het echt menens werd, met kanonnen en drones en zo, er niemand meer was die er durfde te schuilen.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Ik beschikte over knikkers, en de kracht van het water. Ik liep rond mijn kasteel, onbeslist over wie ik wanneer en hoe zou laten ten onder gaan, en bestudeerde ondertussen de kleur van de zandkorrels (doorschijnend zilver meestal, maar er zit ook veel rood en bruin tussen). Uiteindelijk deden stampvoeten het echte werk, en benen van grotere, wilde jongens, met veel te luide, heesgeschreeuwde stemmen die uit rode gezichten opstegen.

Het was toen dat ik zeker wist dat mijn theorie klopte. Het doet pijn als je ’s morgens de gloed van de zon niet terug geeft. Dan komt er vroeg of laat stoom uit je oren en lava uit je mond, ik wens het niemand toe, je wordt er een klootzak van. Het komt er op aan deze baldadige figuren het zwijgen op te leggen, en de hemel zal opklaren.

Het werd de eerste crisis in mijn leven. Ik riep en tierde, en zwaaide met mijn machteloze vuisten. Uiteindelijk velde een zonneslag me, en ik bracht de laatste dagen van de vakantie door in een donkere kamer, terwijl buiten het echte leven verder woelde. De tijd dikte in, werd afwisselend een taai soort slijm en drijfzand waarin ik wegzakte. Ik kon niet meer naar het verleden, en de toekomst leek ook afgesloten.

Een zandloper (met echt strandzand, echt waar!) redde me. Een cadeau van een vriendje. Eerst lette ik er nauwkeurig op om hem steeds opnieuw om te draaien wanneer hij leeg was. Anders kon ik toch nooit weten hoe laat het was. Maar toen ik hem omstootte, en niet meer wist welke kant nu boven moest, besefte ik dat die zandloper de teletijdmachine was die ik nodig had. Ik kon er de tijd mee stilzetten, en als ik iets beu was, dan draaide ik hem gewoon al sneller om. Klaar.

De volgende ochtend stond ik terug op. Ik stak de zandloper in mijn broekzak, en wankelde het zonlicht in. Niets was nog hetzelfde. De wereld lag onder een stolp.

Sindsdien gaat het bergaf met me. Met mijn kindertijd heb ik nog weinig contact, ook op facebook en de rest van het internet blijft die spoorloos. Af en toe laat ik nog eens wat zand door mijn vingers glijden, en zet daarbij een peinzende blik op, of ik zoek Boudewijn en zijn ijzeren arm op wikipedia. Het helpt niet.

Ergens onderweg heeft iemand zonnecrème uitgevonden.

Kwetsbaar

Het moet haar ongemakkelijk maken, zo zichtbaar zijn. Ze is groot, en blond, en knap, en draagt dat cliché als een last. Als ze niet oplet gaat ze stralen. Zo komt ze binnen, mij ziet ze niet. Ik sta in de hoek van de kamer, en staar naar de bouwwerf aan de andere kant van de straat. We hebben een afspraak. Zij zoekt een job, ik heb een vacature. Ik zag haar, schichtig en nerveus, van de parking naar de ingang lopen.

Er is een conventie voor deze situatie. Ik heb het overwicht. Zij moet mij overtuigen dat ze de beste kandidaat is, ik heb macht. Het is mijn gesprek.

Dit zijn kwetsbare situaties.

Ze stapt naar de tafel. Het mapje met haar cv ligt daar. Ik ken haar papa, maar ik weet niet of ze dat weet. Met hem heb ik lang geleden samengewerkt. Hij was onuitstaanbaar, een vaal figuur waarvan niemand precies wist wat hij deed. Bovendien zat hij me in de weg.

Gaat u zitten, zeg ik, en draai me om.

Ze kijkt me niet aan, maar begint meteen te praten. Ik doe moeite om me te concentreren op haar stem. Die is vlak, en ze praat te stil, alsof ze gewend is dat toch niemand naar haar luistert wanneer ze de omgeving met haar verschijning heeft verdoofd. Ze bedankt me voor de uitnodiging, en dat ze denkt dat ze zeer geschikt is. Of iets in die strekking.

Een koffie? onderbreek ik haar midden in een zin, en ik voel hoe ze op dat moment een beetje barst. Graag, mompelt ze.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Het geeft me de gelegenheid om even naar buiten te gaan. Terwijl het kopje zich vult, komt het woord zenuwinzinking in me op. Een ziekte waarover mijn moeder alleen maar fluisterend sprak, want het kon iedereen overkomen. Noodlot. Je partner ervandoor, je ouders in de schulden, je kind dat niet kan volgen op school. Wie eraan leed, zakte weg, had het recht zijn leven op te schorten. Als een flikkerende gloeilamp, net voor ze geest geeft. Zo stelde ik me dat voor, een zenuwinzinking.

De jonge vrouw moet al van alles geprobeerd hebben om het te voorkomen. Haar licht gedempt. Die ene vriend de laan uitgestuurd, die wel naar haar luistert maar haar toch niet echt begrijpt. De kleurige kleren die als leestekens haar lichaam verduidelijkten verruild voor onbestemd zwart. Ze heeft overwogen zich kaal te scheren, vermoed ik, maar dat kreeg ze onmogelijk over haar hart.

Ik neem ook een koffie voor mezelf. Wanneer ik terug binnen kom met de twee kopjes, zet ik mijn breedste glimlach op. Niet bang zijn, denk ik.

Ik heb u vader nog gekend, zeg ik. Lang geleden. Hoe gaat het met hem?

Hij is dood, zegt ze. Een paar jaar al. Ze laat even een stilte vallen. Een verkeersongeval. Heel banaal, eigenlijk. Hij fietste – hij fietste altijd naar het werk. Maar hij lette blijkbaar niet zo goed op, raakte de borduur en viel. En toen kwam een vrachtwagen van de andere kant.

Hij was op slag dood.

Er zijn zoveel manieren om dood te gaan. Soms denk je dat het een verschil maakt. Opgeblazen worden in een aanslag. Vallen in het verkeer. Ziek zijn en aftakelen. Dat er betekenis in zit, in hoe je gaat. Maar dat is niet zo. Het enige wat telt is dat je je voorbereid hebt, of niet. Hij niet. Geleidelijk aan ontdekten we hoe zijn leven er uit zag. Je kan bijna niet anders. Je gaat kijken in zijn mailbox, er komen sms’jes en boodschappen toe. Het is lastig het beeld van je vader te moeten bijstellen als hij je niets meer kan uitleggen.

Ze is boos. Ik zwijg, en kijk haar aan. Ze kijkt op. Het is echt een mooie, jonge vrouw.

Niet bang zijn, denk ik.

Mijn vader heeft je altijd bewonderd, zegt ze. Hij vond je een smeerlap, maar zo veel efficiënter dan hij zelf was. Hij was jaloers op je.

Ik glimlach flauwtjes.

Mijn vader was een mislukkeling, zijn leven een en al slordigheid.

Ze stelt het vast, velt geen oordeel. Ik neem een slok van mijn koffie. Hoe zit het met mij? Heb ik me voorbereid? Op eeuwigheid reken ik niet, maar een beetje verdriet links en rechts, dat wel. Op de werf trekt iemand een drilboor op gang. Tijd om me te herpakken.

Dat bent u niet van plan, toch? Mislukken?

Ze antwoordt niet.

Wel dan, zeg ik. Zal ik u de kans geven?

Uitwisseling

Het eerste wat ik zie wanneer ik haar de hand schud in het Brusselse Centraal Station is een langgerekte tatoeage op haar middenvinger. Een ring, denk ik. Hier kom ik normaal nooit, zegt ze. Te veel mensen, te druk. Te veel lawaai. Ik kijk haar vragend aan.

Buiten is het licht wit, voor de eerste keer dit jaar. De stadsdiensten hebben de verbannen auto’s vervangen door watervaste krijttekeningen en met zeep geschrobde boomstammen. Misschien is er een park voor opgeofferd, denk ik. Natuur, wijs ik, en we gaan zitten.

Voor natuur hoef ik niet op mijn hoede te zijn, probeert ze te verduidelijken, ik kan er in opgaan zonder reserves. In wat ik zie als ik wandel. In mijn tuin. De bloemen en de bomen. De keien. De egels, de vogels. Vooral de vogels. 

Ik luister niet echt. Groepjes vrienden en families komen voorbij. Bijna niemand is alleen, deze zaterdagmiddag. Ik ken niet zo veel van de natuur, zeg ik. Hoe weet je of een vogel gelukkig is? 

Oh, zegt ze. Dat is makkelijk. Je hoort het aan zijn gefluit, je ziet het aan het glanzen van zijn veren, de kleuren. Hoe hij voedsel zoekt, en vindt. De manier waarop hij zijn nest bouwt. Hoe de boom omgaat met dat nest.

Ik glimlach, leg haar met mijn hand op de schouder het zwijgen op.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

We kijken samen naar wat voorbij komt. Iemand in een carnavalspak. Een peuter met een willetje. Ze blijft staan, zoekt oogcontact met haar moeder en wandelt langzaam achteruit. Dan draait ze zich om, en hop, ze rent er vandoor. Een zwerver met een mooie hond. Een zakenman die op google maps kijkt. Een meisje met een gitaar en een versterker, ze installeert zich op de hoek van de straat. De peuter is terug gevangen, het hele gezin schatert het uit.

Onbekende mensen, zegt ze, dat is makkelijk. Maar wanneer ze beginnen te praten, trekken ze stukjes uit mij. Ze bestuderen me, vinden het raar wat in mijn kop zit. Ik pas niet.. En al weet ik wat ik moet doen om erbij te horen, ik kan het niet. Niet meer.

Het meisje stemt haar gitaar, en stalt een bakje met in eigen beheer uitgebrachte cd’s uit.

Kijk toch, preek ik. Al die mensen zijn hun eigen verhaal. Kijk naar hun gezicht. De pijn, het geluk. Kijk naar hun kleren. Naar de winkeltassen die ze dragen. Ze zijn niet anders dan jij. 

Ze glimlacht. Misschien, zegt ze. Het is een vlinder, op haar hand. Ik zie er meer, en er is ook een olifant. Oh, die, zegt ze. Dat is een olifant die danst. Hij is nieuw. Het is niet makkelijk om een olifant te laten dansen.

Het meisje op de hoek slaat een eerste akkoord aan. Stopt, begint een verhaal te vertellen. Mensen blijven staan. De zwerver met de mooie hond komt terug, en zet zich op het asfalt. Hij rolt een sigaret. Dan zingt ze. We luisteren. Kinderen gooien wat geld in haar gitaarkist. Het volgende liedje, zegt zedraag ik op aan iedereen die zich zijn laatste gebroken hart nog kan herinneren. Dat mag je nooit vergeten. Ook niet wanneer je hart smelt in de armen van een nieuwe geliefde. Vooral dan niet. 

Die vlinder, zegt ze, op mijn vinger. Dat is er één die tranen drinkt. Van krokodillen meestal. Maar soms ook van mensen. 

We staan op. Goed, zeg ik, laten we beginnen. Jouw vogels zijn mijn mensen. Jouw bloemen en bomen mijn gebouwen. Jouw rivier mijn straat. Ik laat je de stad zien. 

We zien kerken en huizen. Musea en appartementsgebouwen. Boekwinkels en een café. Vergane glorie en gewone lelijkheid. Daartussen mensen, en hun stemmen in talen die we maar af en toe begrijpen. Een hond hier en daar. Ik richt haar blik, verzin het verhaal van de gids wanneer ik het zelf ook niet weet.

Drie uur later zitten we terug op de boomstam. Het meisje met de gitaar zingt hetzelfde liedje voor de gebroken harten. Zie je, zeg ik. Ook in de stad komt alles steeds terug. 

Goed, zegt ze. Dit is dus de stad in de zon, op een zaterdag wanneer ze als een behaagzieke kat op haar rug ligt en bedelt om een aaitje. Niet slecht.

Ze laat een stilte vallen, en zwaait met een vinger. Binnen twee weken. Dan laat ik jou de natuur zien. Want jouw mensen, die vliegen niet. Jouw gebouwen bloeien niet. Jouw straten gaan niet op in de zee. 

We schaterlachen allebei.

Loopbaanadvies

Ergens in het laatste deel van de vorige eeuw voerde ik mijn eerste sollicitatiegesprek. Bloednerveus. Een dag van te voren de omgeving al eens verkend, kwestie van me adres en deurbel goed in te prenten. Ik had die mensen eigenlijk niets te bieden. Een nog leeg cv, wat diploma’s, en een moeilijk karakter dat me als jobstudent mijn contract had gekost. Conflictje met de ploegbaas.

Er waren wat persoonlijkheids en logicatestjes, en uiteindelijk mocht ik bij de echte selectie adviseur. De standaardvraag waarom wil je in godsnaam met een diploma geschiedenis computerprogrammeur worden had ik voorbereid. Geen idee, zei ik, volledig naar waarheid. Maar ik heb wel het gevoel dat die informatica belangrijk zal worden in de toekomst. Noteert u als lezer wel dat in dit deel van de vorige eeuw het internet nog niet bestond, en niemand thuis een pc had. Laat staan een mobiele telefoon. Ik liet dan een pauze vallen, en lanceerde mijn echte, meest overtuigende antwoord. Waarom niet?

Vervolgens dwaalde het gesprek af naar kunst in het algemeen en het fenomeen Jan Hoet in het bijzonder. Daar had ik wel wat over te vertellen, ook al had ik geen enkele van zijn tentoonstellingen bezocht.

Ik werd aangenomen. Donderdag mijn laatste examen, maandag mijn eerste werkdag. Ik kreeg een boek om te bestuderen, Cobol(*) voor dummy’s of iets in die trant. Elke ochtend vroeg iemand me wat ik de dag voordien geleerd had. En liet me een oefening maken.

Zo maakte ik kennis met het fenomeen werkstress.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Jan Hoet is dood ondertussen, en het bedrijf dat me aannam fusioneerde, werd vervolgens weer in stukken gehakt, en opnieuw verkocht. Economie is cyclisch. Het zou kunnen dat er links of rechts nog een stukje programma van mij draait, maar ik hoop van niet. Ik was niet zo’n goede programmeur.

In de kantoren waarin ik werkte zitten nu seniorenflats – vreemd hoe een gebouw uiteindelijk altijd zijn ware bestemming vindt. Een beetje zoals mensen, als je ze maar laat doen.

Nooit heb ik het gevoel gehad dat ik in ruil voor dat schamele eerste salaris mijn vrijheid had opgegeven. Ik was dankbaar voor de structuur in mijn anders lamlendige dagen, ik leerde een vak, en na verloop van tijd had ik het er echt naar mijn zin. Tot ik begon te hijgen en te piepen. De domme bazen boven mij ontnamen mij en mijn collega’s alle lucht. Er was niets aan te doen, voor zuurstof zou ik naar boven moeten.

Ambitie is een raar ding. Je wordt niet verondersteld er heel veel van te hebben, tenzij je voetballer bent, of kunstenaar. Maar elk evaluatiegesprek opnieuw word je aangepord het te tonen. Toch viel mijn vraag om lucht niet in goede aarde. Men schermde met competenties en skillsets, en uiteindelijk, na nog een moeilijk jaar waarin ik het koud kreeg, snapte ik het. Je kan fladderen met je vleugels wat je wil, vliegen doe je pas wanneer je leert zweven op de thermiek die door de energie van anderen wordt gemaakt.

Dat was een ontdekking.

Daarna ging het snel. Ik klom. En ik dacht, daarboven, dicht bij de zon, daar zal het ook wel warm zijn. Ik had niet goed opgelet tijdens de lessen aardrijkskunde. Nergens is het kouder, nergens is de lucht ijler dan  boven de wolken.

Het onvermijdelijke gebeurde.

Ik botste op mijn limiet, en die gooide me de berg af. Ik solliciteerde elders, en begon opnieuw, met frisse moed. En opnieuw. En opnieuw.

Tijdens koffiepauzes leg ik dan uit hoe dat zit, met een circulair tijdsbesef een lineaire economie benaderen. Niemand snapt dat. Ook ik niet, maar het maakt deel uit van de mythevorming. Ook dat is een geheimtip voor wie carrière wil maken. Mythes maken je onaantastbaar. Zover je ze met voorzichtigheid hanteert. Wanneer de bewondering omslaat in angst, kan het dat men je insmeert met pek en veren, en de stam uitjaagt.

Ook dat is me overkomen.

Laatst nog, en sindsdien doe ik het opnieuw, mezelf verkopen. Nu met bagage. De gesprekken zijn wat langer, maar af en toe gaan ze nog steeds over kunst. En telkens laat ik me verrassen door het laatste woord in de laatste vraag. Wat is mijn ambitie nog?

Daar naar waarheid op antwoorden is niet slim, maar de aarzeling in mijn stem verraadt me.

Eigenlijk wil ik alleen nog Jan Hoet zijn.

 

(*) Cobol staat voor Common Business Oriented Language. Een programmeertaal dus. Zo simpel dat ik het nog steeds vloeiend spreek. Voornamelijk op café, dat wel.