Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum


Sinds een maand of twee heeft Vosje een identiteitskaart. Een formaliteit, ter bescherming van het kind en de maatschappij, dat snappen we wel. Beveiligd en geplastificeerd bovendien, mét foto. Dat is vakwerk, want afmetingen, pose, achtergrond, alles ligt reglementair vast. En een kind van zes maanden zit nog niet echt stil voor de fotograaf – sterker nog, dat zit helemaal niet zonder een helpende hand die niet mee op de foto mag.

De kaart, babysnapshot incluis, is vijf jaar geldig.

We tonen ze trots aan de gate richting Napoli, waar de medewerker van de luchtvaartmaatschappij ze straal negeert. Vanuit zijn buggy lacht en brabbelt Vosje hem toe. Voorlopig volstaat dat nog om overal binnen te geraken. Als het ooit anders wordt, zal ik hem het volgende voorlezen:

Iedereen ging waar hij wilde, en bleef zolang als hij wilde. Er bestonden geen verblijfsvergunningen, geen reispapieren, en ik geniet steeds weer van de verbazing van jonge mensen als ik hun vertel dat ik naar India en Amerika reisde zonder een pas te bezitten of er zelfs ooit maar één gezien te hebben.

Al de vernederingen die vroeger alleen voor misdadigers waren uitgevonden, werden nu voor en tijdens het reizen opgelegd aan de reiziger. Je moest je van links en rechts laten fotograferen, en profil en en face, je haar zo kort geknipt dat ze je oren konden zien.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Ach, jij en je goede oude tijd, zal Vosje me dan zeggen. Je hebt ze niet eens zelf meegemaakt. En dat klopt. Stefan Zweig schrijft over het begin van de twintigste eeuw, toen vooruitgang nog een zaak van publiek debat was, waar mensen in geloofden. Een beetje naïef, dat zeker, maar de verbetering van het lot van alle volkeren was een ernstig onderwerp.

Misschien dat Vosjes generatie dat opnieuw ter hand neemt, maar voorlopig lijkt het erop dat we vinden dat er genoeg verbeterd is, dat het tijd is om af te bakenen en te verdedigen, dat iedereen meer te verliezen heeft dan hij een ander gunt.

Ook wij nemen in Napels extra voorzorgen. Met slechts één kredietkaart de straat op, en een beetje cash. Maar de Napolitanen schurken zich nog warm in hun winterjassen, het jachtseizoen op toeristen is nog niet geopend. We voelen ons onmiddellijk thuis, alles hier was ooit in aanbouw of restauratie, bijna niets is ook afgeraakt. Een volk van dromers en planners, met ongeduld kauwend op weer nieuwe ideeën voor deze zomer.

We wandelen van winkel naar palazzo, Vosje baant ons de weg, de oehs en ahs die met zijn verschijnen gepaard gaan met valse bescheidenheid wegwuivend. Ja, ook de jongen past hier, in het spoor van de vele Vlaamse, Franse en Duitse notabelen die hier ooit hof hebben gehouden.

Maar we willen nog verder terug in de tijd. De trein richting Pompeï – een nauwelijks aangeklede metalen doos, volgepropt met fris gewassen cultuurconsumenten en zwetende locals – is geen succes, en we stappen uit bij Ercolano. Ook hier ligt een antiek stadje dat met één zucht van de Vesuvius van de aardbol is weggeblazen.

Aan het begin van de Via IV Novembre wacht Lorenzo ons op. Hij prijst pizza’s, koffie en ijsjes aan, want je weet maar nooit waar die rare toeristen zin in hebben. We wuiven hem vriendelijk weg, straks misschien, eerst willen we terzake komen, de oude Romeinse cultuur wacht op ons. De straat is stoffig, oude mannen drinken koffie en spuwen fluimen tabak in de goot. We houden toch maar halt, we hebben honger en dorst. Panilandia klinkt als een groots opgezet broodjeszaakplan, maar met Alessandro’s beperkte middelen ziet het eruit als een ouderwetse Vlaamse frituur. Hij prijst burgers aan, maar je moet gaan voor de broodjes caprese, die zijn echt heerlijk.

De zon is mild, het stadje arm en vredig en we beelden ons in hoe het hier 1.938 jaar geleden was, net voor de uitbarsting. Niet veel anders dan nu, denken we, er zijn de rijke Romeinen die in grote villa’s wonen aan de prachtige kust, en de gewone man die zijn dagen slijt aan de kant van de weg, kijkend naar wat voorbijkomt, nadenkend over de nietigheid van het leven.

Een voortdurend toeterende vrachtwagen verstoort onze rust. Vanuit de laadbak verkoopt een jonge kerel kisten rijpe aardbeien. Acht bakjes voor maar drie euro. Een koopje. Wanneer de Italianen zijn uitgekocht stap ik op hem toe. Ik moet maar één bakje, zeg ik. Hij grijnst. Alleen de hele cassa zegt hij. En dat hij geen Engels spreekt. Ik kan zo’n cassa niet dragen, zeg ik, en dat we uit België komen, want dat wou hij ook weten. Hij heeft geen idee waar dat ligt, is nooit echt naar school geweest. In zijn blik ligt berusting en wat afgunst. Uiteindelijk kiepert hij de inhoud van de cassa, bakjes inbegrepen, in een plastic zakje en betaal ik hem zijn drie euro. Als de wereld dan toch nog mag verbeterd worden, kan ik net zo goed beginnen met méér aardbeien.

We laten een bakje achter voor Alessandro, eten zelf tot we buikpijn krijgen, en sleuren de drie resterende kilogram aarbeien mee naar de opgravingen. Het wordt warm, de aardbeien beginnen te gisten en nemen hand over hand in gewicht toe. Het lot van de mensheid verbeteren blijkt weer eens moeilijker dan verwacht. Plichtsbewust zoeken we elk nog één aardbei uit, de rest verdwijnt roemloos in een vuilbak.

Op de weg terug is Lorenzo nog even vrolijk als deze morgen. Hij prijst nu ook een coppa di fragole aan.

 

 

Advertenties

Een gedachte over “Stefan Zweig, of Aardbeien in Herculaneum

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s