De fietstocht


Omdat het zomer is, of gewoon omdat ik er zin in heb. Een geheel fictionele, lichtjes oververhitte bijgekleurd, deze keer.

Het blauw is wat donkerder geworden, zegt ze. Zou dat het onweer zijn, dat zich ontwikkelt?

Dat heb ik altijd al een rare uitdrukking gevonden. Hij kijkt haar aan. Dat onweer zich ontwikkelt. Dat het groeit, losbarst, uitsterft. Woorden die we gebruiken voor dingen die ademen, die bezield zijn.

Ze zitten op de uitgedroogde grond naast het pad in een bos, de fietsen naast hen. Ze moesten even voet aan de grond zetten, zo hoog bovenop die fiets was het gewicht van de lucht niet meer te dragen. Nu vermaalt ze met haar rechterhand korzelige brokken grond, en staart naar de lucht alsof de verlossing van boven zal komen, maar het licht slaat haar ogen neer.

Tussen hen hangt de geur van zweet. Ze hebben al dertig kilometer gefietst, nog twintig te gaan. Op het appartement was het niet uit te houden geweest, zo warm. Hun kleren plakten er aan hun lijf, en toen ze die uittrokken was het zweet van de ander een ondoordringbare barrière geweest. Hoe hard ze ook likten, of er ijs op lieten smelten, de landerigheid van hun lijven liet zich door niets verjagen, zelfs een soppende watermeloen mocht niet helpen.

Ze delen een flesje water, te warm om te verfrissen. Is hier geen beekje in de buurt, vraagt ze?

Hij haalt zijn schouders op. We zijn niet in Frankrijk, zegt hij. Geen snel stromende bergbeek die landt in het bos, met een mini meertje onder de schemer van hoge bomen. En als dat er al zou zijn, dan zat het vol met pubers. We zijn vlak bij de bocht van de Schelde, een beetje verderop begint het kiezelpad. Er is natuurlijk wel het strand van Sint-Anneke, net daarna.

Ze kijkt naar de voeten in zijn sandalen. Ze zijn lelijk, ze kan het niet anders dan aan zichzelf toegeven. Wanneer hij ze gebruikt om haar borsten te kneden, en daarna probeert om met zijn grote teen haar klit te vinden, kan ze die voeten wel kussen. Maar nu zijn ze terug wat ze altijd al waren, lelijk. De benen daarboven zijn mager, de huid rond de enkels schraal.

En hij zeurt. Mooi verpakt gezeur, maar vermoeiend, desalniettemin. Nooit gaat hij nog mee naar waar zij wil verdwalen.

Rijden we verder? zucht ze. Ik word liever niet neergebliksemd, seffens.

foto © riaAerts www.riaaerts.com
foto © riaAerts
http://www.riaaerts.com

Zo’n onweer, zegt hij, dat verkleurt de lucht, verbuigt het licht, stuurt vochtige verkenners uit die zich mengen met plaatselijke droogstoppels, zoals ik.

Ze haat het wanneer hij zich verliest in zijn beeldspraak, zich de grootste dichter van de Nederlandse taal waant en hij het kroontje van een of andere ridderorde al boven zijn hoofd ziet zweven. Dat hij zwijgt en zijn tong gebruikt om haar te kussen, op de mond of tussen haar benen. Dat kan hij goed, maar veel eer kan hij er niet mee behalen.

Ze staat recht. Hem aankijken lukt niet, ze draait haar fietsbel rond het stuur. Ik bezweer de demonen van de natuur, lacht ze, haar stem net boven het gerinkel. Langzaam komt ook hij recht, zijn blik leeg. Misschien roep je wel alle onheil over ons af, mompelt hij.

Hij fietst voorop, zoals steeds. Ze voelt zich vrijer zo, zolang hij maar af en toe achterom kijkt om te zien of ze nog volgt. Wanneer ze het kiezelpad bereiken, vallen de eerste druppels. Het zijn er maar een paar, ver uit elkaar. Hij versnelt, in een zinloze poging het onweer voor te blijven.

Bij het strand van Sint-Anneke zien ze hoe iedereen zijn spullen inpakt, en verdwijnt naar auto of café. Ze stopt, terwijl hij vloekend de overstekende badgasten ontwijkt. Ze stapt af, parkeert haar fiets tegen een boom, en wandelt naar de Schelde. Achtentwintig is ze. En al niet meer in staat om zot te doen zonder brokken te maken. Het is drukkend warm, de druppels verlossen nog niets of niemand.

Halverwege het strand trekt ze haar short en topje uit, en wandelt tot aan het water. Met één teen voelt ze hoe koud het is. Ze strekt zich uit, een zuchtje wind in haar oksel bezorgt haar kippenvel. Ze kijkt om, er is niemand meer. Snel trekt ze ook haar ondergoed uit, en stapt in het water. Wanneer ze er tot haar middel in staat, hurkt ze en draait ze zich om.

Ze ziet hem staan op de dijk. Hij heeft haar fiets gezien, en speurt nu naar haar. Geergerd, bezorgd, dat kan ze niet uitmaken. Ze zwaait, gaat rechtstaan in het water. Hij ziet haar. Het regent harder nu, en ze weet zeker dat haar schuilplaats de beste is.

Ze laat zich achterover zakken, en op haar rug laat ze zich meedrijven met de stroom. Even maar.

Ze is niet gek.

Advertenties

7 gedachtes over “De fietstocht

  1. De eigen wil was op dat moment beter ondergeschikt geweest (is aanpassen a/e situatie). Zielig voor die jongen maar met gevolg ook voor dat meisje. Zij is niet gek, daar twijfel ik niet aan : zich even laten meedrijven doet toch niemand kwaad. Zij is haarzelf en wil dat ook zijn, hij staat zeer aarzelend aan de kant te kijken, hij kan dat niet. Waarom niet ? Hap toe voor het te laat is. Dat is mijn raad aan de jongen én het meisje
    K

  2. Waarom trachten de ander te begrijpen als de meesten zichzelf nog niet eens begrijpen. De bezitterigheid van een relatie heb je heel mooi uitgedrukt Dirk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s