Energie


In de tijd dat de zegeningen van de vooruitgang nog onbetwistbaar waren, krijgt België zijn eerste autosnelwegen en zijn eerste publieke parking. Het is 1958. Vooruitstrevende wetenschappers en industriëlen zijn enthousiast over kernenergie,  en hebben er grootse plannen mee. Een deel van die plannen is uitgevoerd, en staat, negen blinkende bollen groot, nog steeds op de Heizel.

Alhoewel er in die tijd ook pogingen zijn gedaan om een auto van een mini kerncentrale te voorzien, bleken de voordelen van een verbrandingsmotor toch te talrijk. Eén daarvan is het geluid. Althans, dat vond ik toen ik nog rondreed met een Alfa Romeo Guiletta, bouwjaar 1983. Een fantastische auto. Hij zag eruit als een pijl, met een kort, stevig kontje. De cockpit was oncomfortabel, en door de kleine, gekleurde ramen zag de wereld eruit als de set van een Mad Max film. Het grote houten stuur diende vooral om je aan vast te houden eens je op het gaspedaal had gedrukt en slingerend voorwaarts schoot (tenminste, als je voorbij de immer krakende en haperende tweede versnelling was geraakt).

Maar die grom. Het was de diepe grom van de trillende motor, die heel de auto in vervoering bracht, niet de schijnbaar fantastische versnelling.  Daar zat je.  Heer en meester van het universum, in een auto die je paste als was hij een deel van jezelf, en waarin elke inspanning die de moeite waard leek, die bevrediging bracht, gepaard ging met een ander geluid. Een kreun, een zucht. De grom. Een lichaam, dat moet kraken en schudden wanneer het iets leuks meemaakt.  Starten, versnellen, draaien, bruusk remmen – scheuren en vuur spuwen. Een lichaam hoort te leven.

foto © Ria Aerts
foto © Ria Aerts

Vandaag zijn elektrische auto’s hip. Die doen niet aan auditieve vervuiling. Ze zijn stil. Hoogstens een zacht zoemen, wanneer ze gevoed worden. Maar stil is het in bibliotheken, of in ziekenhuizen. Niet op straat. Daar is stilte vooral angstaanjagend. Fans van de Tesla S, de allerhipste onder hen, debatteren over dat niet-geluid op hun fora. Een enkele onverlaat vraagt ernaar,  binnenin de wagen. Hem wordt ritueel de toegang tot elke Tesla garage ontzegd. Achterlijke lieden, die de aansluiting op de volgende stap in de menselijke evolutie jammerlijk hebben gemist. Nooit zullen ze op Mars sterven, zoals de nieuwe guru,  Elon Musk, dat zo graag wil.

Maar  een Tesla is eigenlijk helemaal niks bijzonder. Het is een Ferrari op batterijen. Een duracell konijn met wielen. Alles rondom de auto is gebleven: de zucht naar snelheid en versnelling, het schoonheidsideaal, het aantal plaatsen, het aantal wielen, maar vooral het systeem rond de auto, met wegen, files en onbestaande parkeerplaatsen.  En of hij beter is voor het milieu hangt helemaal af van waar het draadje van de laadpaal uiteindelijk aan verbonden is.

Auto’s zonder ziel – of het nu de Tesla S of de Renault Zoë is – gaan ons transportprobleem nooit oplossen. Elektrische auto’s zijn te duur, verouderen bliksemsnel,  je raakt er nooit meer vanaf, en ze hebben last van voortijdig leeg gespoten batterijen en onvindbare laadpunten.

Nee, voor de nodige revolutie in het individueel transport moeten we elders kijken. Vooruitstrevende wetenschappers en industriëlen verwijs ik graag naar het succes van de stadsfietsen. Die staan op vele plekken klaar voor wie er nood aan heeft, en brengen je feilloos van het ene punt naar het andere. Je hoeft er niet mee terug. Ze komen in één kleur per stad, zijn geur en smaakloos, en dat vinden we prima.

Voor het plezierritje op zondag gebruiken we dan wel onze echte fiets.

Zo iets, maar dan met auto’s die zelf de weg weten te vinden. Ze mogen zelfs elektrisch zijn, stil als een lift, en kleurloos als een tram. Als ze na elk gebruik volautomatisch gedesinfecteerd worden, een aparte rijstook krijgen en gezellig mogen samentroepen aan bosjes laadpalen, zie ik ze wel het file en parkingproblemen oplossen.

Voor het plezierritje op zondag gebruiken we dan wel onze Alfa Romeo.

Overigens hadden die vooruitstrevende wetenschappers en industriëlen van 1958 ook een gek plan.  Ze wilden ter plekke de eerste kerncentrale van het land bouwen. Elektriciteit voor de expo, en een attractie te meer. De funderingen waren al gelegd, en de eerste delen van de constructie kwamen boven de grond, toen het paleis ingreep.

Zo modern hoefde het nu ook weer niet te worden. Toch niet op minder dan één kilometer van Laken. Nee, op eenvoudig verzoek van de koning werd dat terrein toch maar gewoon een parking.

Enkel voor benzineauto’s toegankelijk, dat spreekt voor zich.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s