Halsgerecht


Elk jaar opnieuw lijkt men liever de start van het zoutstrooiseizoen aan te kondigen dan de eerste sneeuw zelf. Eén van de mooiste momenten van het jaar verwordt zo tot een beeld van aanschuivende koplampen in een vaalgrijs licht, opspattend smeltwater en de daarbij horende vieze brij.

Alles van waarde is weerloos.

Dat geldt niet alleen voor die prachtige eerste sneeuw, de vlokken die dwarrelend in je haar blijven hangen om dan als tranen over je wangen te vervagen. Dat geldt net zo goed voor het zout waarmee de sneeuw te lijf wordt gegaan. Als beging de sneeuw een misdaad om er bij te gaan liggen, zomaar, op straat.

In de zomer, na een warme namiddag vol zweterige activiteit, moe van het intense niets doen dat bij vakantie hoort, vraagt de eerste pastis naar een paar blaadjes chips, met datzelfde zout. Om dan met de tong de eigen lippen af te tasten, de zoutkorrels één voor één te smaken, en te voelen hoe hard het lichaam daarnaar hunkert, hoe simpel genot soms ook kan zijn.

De kort gebakken coquilles met beuling en spitskool à la crème die we afgelopen week als tussengerecht aten, waren perfect afgekruid. Met de olijfoliesaus erbij smolten de coquilles op de tong, hun weekheid aangevuld met de kracht van beuling – als het goed is werd er zout aan het warme bloed toegevoegd toen het varken de keel werd overgesneden, dan stolt het bloed minder snel.

Het restaurant was vol. Kijken naar etende, pratende, drinkende mensen, je op basis van een flard geluid, het geschuifel op de stoel en de frequentie en manier van naar het toilet te verdwijnen – smartphone in de hand – afvragen waar het over gaat tussen die mensen. Een social network, levend en wel voor je ogen en oren.

Links van ons, een tafel van vier en een beetje. Een ouder koppel, iPad met foto’s van een kleinkind, met vrienden die wat jonger lijken te zijn, zij het voluptueuze lijf geprangd in een feestelijke jurk, bekroond met een koninginnedot haar, hij graatmager in een afgebleekte jeans, vaal hemd, bijna kaal maar mét een zorgvuldig gespaarde peper- en zoutkleurige paardenstaart tot halverwege de smalle rechte rug. Naast hem, in een mandje, een langharige chihuahua, die gelukkig de hele maaltijd zijn mond heeft gehouden.

Rechts dan weer, een tafel met vier veertigers en een puber. Drie vrouwen, één man. Goed verzorgd allemaal, een beetje chique casual, beschaafd en lichtjes alternatief. De puber, grote Samsung in de hand,  was permanent in contact met zijn wereld, zijn vader cultiveerde een dun baardje, een beetje onwennig leek het nog wel.

Zout is vandaag banaal. Je moet al heel bijgelovig zijn om het nog over je schouder te gooien om de duivel weg te houden, maar ooit was het één van de meest waardevolle producten, een reden voor volksverhuizingen en plunderingen.  Zonder zout om je eten te pekelen kwam je de winter niet door. En je kon ermee betalen. Zout was geld, daar kwam je overal mee, en de Romeinen betaalden het zelfs als salaris.

Terwijl ik mijn geest liet dwalen door de zaal, kwistig morsend met de verfkwast van bijgekleurd over de levens van de willekeurige mensen aan de tafels links en rechts, speelde mijn tafelgenote verveeld met het peper- en zoutstel. ‘Weet je’, zei ze, ‘in plaats van deze coquilles, hoe lekker ze ook zijn, had ik nu eigenlijk echt meer zin in oesters. Gewoon, staand aan een kraampje, glaasje wijn erbij.’

Ik gaf toe, het was druk, en een beetje lawaaierig, en soms wil je de gecultiveerde beschaving van een gastronomisch restaurant liever inruilen voor eenvoudiger plezier. Zoals een oester, één en al zilt en vrouw in het diepst van haar vormen en een toonbeeld van ruwheid en verfijning tegelijkertijd, of haar mannelijke tegengestelde, de naar aarde smakende truffel. Een hogere macht van natuurlijkheid. Oerkracht.

De kracht van de natuur - bloemen groeien ook overal.
De oerkracht van de natuur – bloemen groeien ook overal  (foto © Ria Aerts)

Daarmee had mijn tafelgenote nu al mijn aandacht, volledig, en ons gesprek ging al snel over herinneringen aan de vorige zomer, de pastis en de boekhandels, en plannen voor de volgende, ver weg deze keer, maar nog onbestemd. De zaal verdween naar de achtergrond.

Tot bij de koffie. Het chihuahua gezelschap rekende af in een wolk van gekir, en op weg naar de uitgang hielden ze halt aan de tafel van de veertigers. ‘Mevrouw’, zei de koninginnedot tot één van hen, ‘mag ik zeggen dat u een ongelooflijk mooie halsketting aan hebt? Ik heb er een hele avond naar zitten kijken, en ik zei nog tegen mijn man, zo’n mooie halsketting heb ik nog nooit gezien’. Instemmend gemompel, enkel het hondje keek de andere kant op.

De aangesproken vrouw wees naar zichzelf. ‘Deze?’ vroeg ze. ‘Vind je die zo mooi?’

‘Wel, ja, hij is prachtig.’

De vrouw glimlachte, maakte de ketting los, deed ze uit, en zei: ‘Hier, als je ze zo mooi vindt, dan geef ik ze je. Alsjeblief. Een cadeau.’ Een hedendaagse Diogenes, deze vrouw. Een cynicus in de echte betekenis van het woord.

De verbijstering was compleet. De tafel van de veertigers onderdrukte met moeite het schaterlachen, en sprak de ‘maar ik heb niks om terug te geven, dat kan ik toch zo niet aannemen’ van de koninginnedot luidruchtig tegen. Het duurde nog vijf minuten voor deze, halsketting in de hand, de deur uit was.

Toen ook de veertigers vertrokken, net voor ons, zag ik hoe de man zijn neus even in de bevrijde hals van zijn vrouw duwde, en snoof. Oerkracht.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s